RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3979
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp)
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
1. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij vreest voor de onveilige situatie in Syrië.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder vindt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder vindt ook dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder neemt voor Syrië immers een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan en in dat geval moet eiser aannemelijk maken dat hij op basis van zijn persoonlijke omstandigheden een reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is eiser hierin niet geslaagd. Het beroep van eiser richt zich tegen deze beslissing.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Verweerder heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Het beroep is dus gegrond.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Verweerder heeft meegedeeld geen toestemming te verlenen om de zaak buiten zitting af te doen. Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep daarom alsnog op 27 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van eiser waren hierbij aanwezig. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998. Tot aan zijn vertrek uit Syrië heeft hij in de provincie Hasaka gewoond. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij vreest voor de onveilige situatie in Syrië. Ook vreest hij ervoor om gerekruteerd te worden voor de militaire dienstplicht van de Koerdische strijdkrachten. Daarbij vreest eiser voor een slechte behandeling door het nieuwe regime.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
Verweerder gelooft beide asielmotieven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging in Syrië alleen omdat hij uit Syrië komt. Eisers vrees voor discriminatie door het nieuwe regime heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser voldoet ook niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning op grond van vervolging wegens dienstweigering. Eiser loopt volgens verweerder ook geen reëel risico op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Syrië komt, is volgens verweerder niet genoeg om dit risico aan te nemen, omdat slechts in lage mate sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Eiser moet daarom aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling.
Eiser voert aan dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld in Syrië, in het bijzonder in de regio waar eiser vandaan komt. Eiser stelt daartoe dat het geweld de afgelopen weken is opgelaaid en dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Niet alleen humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van oorlogstactiek of het oogmerk groepen burgers te raken zijn volgens eiser in dat kader relevant, maar ook de humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is of is geweest bij een gewapend conflict. Eiser verwijst naar een brief van UNHCR van 8 december 2025, waarin wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien. Eiser voert verder aan dat zijn individuele omstandigheden maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld. Eiser is principieel dienstweigeraar.
Verweerder verwijst op zitting zonder nadere aanvulling naar het verweerschrift van 26 februari 2026. Daarin stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitspraak van 11 december 2025 niet van toepassing is, omdat die veelal ziet op de stad Homs. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in geheel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en verwijst onder meer naar een Kamerbrief van 10 juni 2025, het Algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025, VN-rapportages, het rapport van de EUAA: Country Guidance Syria van 2 december 2025 (het EUAA-rapport) en Global Protection Cluster updates. Niet is gebleken dat sprake is geweest van grootschalige of een toename aan veiligheidsincidenten, gevechten of geweldsuitbarstingen in Al Hasake, waarbij veel burgers slachtoffer werden van willekeurig geweld. Het geringe aantal ernstige veiligheidsincidenten, zeker in de afgelopen periode, vormt een indicatie voor het aannemen van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Al Hasake.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden stelt verweerder zich op het standpunt dat de humanitaire situatie in Syrië zeer slecht is, maar dat deze niet of in beperkte mate te wijten is aan een thans lopend gewapend conflict. Dit zijn dan ook omstandigheden die geen (doorslaggevende) rol spelen in de beoordeling van de gradatie van artikel 15c. Volgens verweerder is de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats onjuist en daarom is ook hoger beroep ingesteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ten aanzien van een brief van de UNHCR van 8 december 2025 stelt verweerder zich op het standpunt dat die brief ziet op ontheemden. Eiser is echter geen ontheemde, want een deel van eisers familie is nog steeds woonachtig op de plek waar eiser vandaan komt.
De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in de uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.
Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft verweerder thans verwezen naar de Kamerbrief van 10 juni 2025, het Algemeen ambtsbericht Syrië, VN-rapportages en Global Protection Cluster updates. Verweerder verwijst ook naar het EUAA-rapport, waarin wordt geconcludeerd dat in Hasaka sprake is van een lage gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank vindt deze verwijzingen echter onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 december 2025 ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen, zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daarbij komt dat uit het EUAA-rapport blijkt dat de humanitaire situatie in Hasaka niet minder ernstig is dan andere delen van Syrië. Uit het rapport blijkt dat Hasaka onder meer kampt met beperkte toegang tot basisvoorzieningen, zoals water, en dat er veel (niet-) ontplofte oorlogsresten aanwezig zijn. Ook in het bericht van UNHCR van 8 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien, omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is, en gelet op de slechte humanitaire omstandigheden. Uit het bericht volgt niet dat dit enkel ziet op ontheemden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.
Nu verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.
De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. De rechtbank komt daarom niet toe aan de behandeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt
€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 januari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.