RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4456
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemakers).
Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.M. Amani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 11 februari 2026 het onderzoek heropend om verweerder te laten reageren op een verdagingsbericht in de asielzaak van eiser. Verweerder heeft daarop de maatregel met ingang van 12 februari 2026 opgeheven. De rechtbank heeft op 12 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
1. De rechtbank beoordeelt of verweerder de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw aan eiser heeft kunnen opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, maar dat de maatregel vier dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd. Het beroep is gegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Kon verweerder eisers asielaanvraag na het aanmeldgehoor nog in de grensprocedure afdoen?
2. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Eiser bestrijdt de oplegging van de bewaringsmaatregel niet, maar het voortduren ervan wel. In het aanmeldgehoor van 16 januari 2026 heeft eiser al gesteld dat hij uit Iran komt. Op dat moment kon hij door de situatie in Iran geen contact krijgen met mensen daar. Intussen heeft eiser documenten ontvangen waarmee hij zijn identiteit en asielrelaas verder kon onderbouwen. Nu uitzetting naar Iran onmogelijk is, had verweerder, primair na het aanmeldgehoor van 16 januari 2026, en subsidiair vanaf het nader gehoor dan wel het indienen van de gronden van beroep in de asielzaak op 5 februari 2026 (waarbij eiser nadere documenten heeft overgelegd), de maatregel op moeten heffen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling, waarbij de beslissing in beginsel wordt genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Verweerder kan dan onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het aanmeldgehoor geen identificerende documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft in de verklaring van eiser dat hij de Iraanse nationaliteit bezit geen aanleiding hoeven zien om de zaak buiten de grensprocedure te behandelen. Verweerder heeft vervolgens binnen vier weken beslist over het recht van de vreemdeling om het grondgebied te betreden. Verweerder heeft op 28 januari 2026 de asielaanvraag van eiser afgewezen en in dat besluit ook het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel opnieuw beoordeeld. Hiermee heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. De rechtbank overweegt voorts dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de bewaringsrechter niet inhoudelijk mag oordelen over de asielaanvraag. De rechtbank geeft daarom over de asielbeschikking ook geen inhoudelijk oordeel. Voor zover eiser bedoelt te zeggen dat er geen zicht op uitzetting is naar Iran, overweegt de rechtbank dat dat bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, geen rol speelt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kon verweerder aan eiser een removal order naar Turkije opleggen?
3. Eiser voert aan dat de removal order naar Turkije onvoldoende waarborgen bevat om te voldoen aan de vereisten voor een land van terugkeer op basis van de Terugkeerrichtlijn.
De rechtbank is van oordeel dat de uitzetting van eiser geen rol speelt in de maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw, omdat deze maatregel niet ziet op de terugkeer van de vreemdeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Moest verweerder vanaf het nader gehoor een lichter middel toepassen?
4. Eiser voert aan dat verweerder vanaf het nader gehoor op 23 januari 2026 een lichter middel had moeten toepassen, omdat eiser tijdens dat nader gehoor heeft aangegeven dat het psychisch niet goed gaat met hem. In het nader gehoor geeft eiser aan dat hij het zwaar heeft als gevolg van de gebeurtenissen in Iran en de onzekerheid over zijn ouders die daar nog verblijven. Volgens eiser is verweerder daar bij de motivering over het voorzetten van de vrijheidsontnemende maatregel onvoldoende op ingegaan.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat de door eiser naar voren gebrachte problematiek de maatregel onevenredig bezwarend maakt. Uit het proces-verbaal bij eisers asielaanvraag van 13 januari 2026 blijkt dat aan hem is gevraagd of er omstandigheden zijn die het in zijn geval onmogelijk maken om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Daarop heeft eiser geantwoord: “Het is oke, ik accepteer dat”. Op de vraag of er bijzondere medische omstandigheden zijn waar rekening mee gehouden moest worden, antwoordde eiser: “Ik ben gezond en ik gebruik geen medicatie”. Eiser heeft tijdens het nader gehoor weliswaar verklaard dat hij psychische klachten heeft en dat hij er moeite mee heeft dat hij niet weet hoe het mijn zijn ouders in Iran gaat, maar deze stellingen zijn niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een medische verklaring. Met de enkele stelling dat het psychisch niet goed met hem gaat heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de detentie niet op verantwoorde wijze kon ondergaan. Verweerder heeft er op de zitting terecht op gewezen dat de medische zorgverlening binnen het Justitieel Complex Schiphol (JCS) gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit volgt ook uit de Afdelingsuitspraak van 26 februari 2025. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom de psychische gezondheidszorg in het JCS in zijn geval ontoereikend is. Gelet op het voorgaande slaagt ook deze beroepsgrond niet.
Heeft de vrijheidsontnemende maatregel te lang voortgeduurd?
5. Eiser voert aan dat zijn beroep tegen zijn afgewezen asielaanvraag niet binnen de termijn van artikel 83b van de Vw valt, nu de zitting met betrekking tot zijn asielaanvraag pas op 13 maart 2026 plaats zal vinden. Eiser is van mening dat de vrijheidsontnemende maatregel volgens artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo kort mogelijk moet duren. Ten tijde van de zitting zal eiser al acht weken op grond van de vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentiezitten. Daarmee kan niet gezegd worden dat de vrijheidsontnemende maatregel tot een zo kort mogelijke periode wordt beperkt.
De rechtbank stelt voorop dat de de Afdeling in haar uitspraak van 1 juli 2025, artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uitlegt dat de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging daarvan. De rechtbank is het met verweerder eens dat ten tijde van de zitting nog niet bleek dat de vrijheidsontnemende maatregel de maximale termijn van dertien weken zal overschrijden, omdat de zitting over het asielberoep toen nog op 13 maart 2026 was gepland.
De rechtbank heeft echter in de asielzaak en na sluiting van het onderzoek in de onderhavige zaak op 9 februari 2026, om 17.13 uur, aan verweerder meegedeeld dat de asielzaak wordt aangehouden in verband met de veiligheidsontwikkelingen in Iran. De rechtbank heeft in die zaak verweerder verzocht om binnen acht weken kenbaar te maken hoeveel tijd nodig is om onderzoek te verrichten naar de veiligheidssituatie in Iran en een nader standpunt daarover in te nemen. De rechtbank heeft daarop in deze bewaringszaak op 11 februari 2026 het onderzoek heropend om dit kenbaar te maken aan verweerder. De rechtbank heeft de maatregel toen niet opgeheven; verweerder heeft dat op 12 februari 2026 gedaan. Uit de Afdelingsuitspraak van 11 november 2025, volgt echter dat op 9 februari 2026 duidelijk was dat de vrijheidsontnemende maatregel geen enkel doel meer diende en daarom vanaf die datum onrechtmatig was. De rechtbank had toen moeten opheffen, maar heeft dat niet gedaan.
Ambtshalve toets
6. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig heeft voortgeduurd tot 9 februari 2026.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 9 februari 2026 onrechtmatig.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig heeft voortgeduurd, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.