ECLI:NL:RBDHA:2026:6005

ECLI:NL:RBDHA:2026:6005

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer NL24.41595 tussenuitspraak
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Asiel Somalië / Tussenuitspraak TQ – eiser was minderjarig toen hij zonder begeleiding van een volwassene een asielaanvraag indiende – verweerder vindt dat aan eiser geen internationale bescherming hoeft te worden verleend en moet dus onderzoek naar adequate opvang doen zoals artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 en de verduidelijking hiervan door het Hof in het arrest TQ dat vereist- de rechtbank draagt partijen op om alle stukken die verband houden met het onderzoek naar adequate opvang in deze procedure te overleggen omdat de vraag of aan eiser een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend deel uitmaakt van deze asielprocedure, net als de vraag of verweerder een terugkeerbesluit moet vaststellen – aanhouding en nadere voorzetting van het onderzoek ter zitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.41595 T

geboren op [geboortedatum] 2007, Somalische nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Eiser heeft op 9 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij besluit van 27 september 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht.

De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van het beroep heeft de rechtbank met partijen besproken waarom zij het noodzakelijk acht om een tussenuitspraak te doen en heeft de rechtbank in overleg met partijen bepaald hoe lang de behandeling van het beroep moet worden aangehouden.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2007. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader problemen had met Al Shabaab. Hij moest meer geld betalen maar was daar niet toe in staat. De vader van eiser is vervolgens gedood door Al Shabaab. Eiser is bij een vriend van zijn vader gaan wonen en hielp hem met werkzaamheden op het politie bureau. Al Shabaab heeft eiser benaderd om een tas naar het politiebureau te brengen. Eiser werd hierbij bedreigd. Een paar dagen later is de zoon van de vriend van eisers vader gedood door Al Shabaab, waarna eiser nogmaals te horen kreeg dat hij de opdracht voor Al Shabaab moest uitvoeren. Eisers leven was hierdoor in gevaar en hij is gevlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al Shabaab gezocht en weer bedreigd te worden.

2. Verweerder heeft een voornemen uitgebracht vóór 1 juli 2024 en een besluit genomen ná 1 juli 2024. De rechtbank overweegt dat verweerder in het voornemen een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht en in het besluit met name heeft gereageerd op de zienswijze. Verweerder heeft in het besluit geen toepassing gegeven aan het beleid dat vanaf 1 juli 2024 van kracht is waarin is geregeld hoe de geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden totdat het Hof de prejudiciële vragen van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 januari 2025 heeft beantwoord en die onder meer zien op deze nieuwe wijze van het beoordelen van het asielrelaas (uitspraken van 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:136, C-7/25 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, C-8/25).

3. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ‘aangehouden’ ondanks dat eiser geen andere bewijsmiddelen dan zijn eigen verklaringen hiervoor heeft. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met Al Shabaab ongeloofwaardig geacht. Verweerder werpt aan eiser niet tegen dat hij zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met documenten omdat documenten in Somalië niet of nauwelijks voorkomen en verweerder het ontbreken van documenten daarom verschoonbaar acht. Verweerder heeft toegelicht dat er daarom wel meer gewicht wordt toegekend aan de verklaringen die eiser tijdens de gehoren heeft afgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn gestelde problemen niet aannemelijk heeft weten te maken. Eiser baseert zijn verklaringen over problemen met Al Shabaab op de gestelde benadering met leden van Al Shabaab en de verklaringen van de vriend van vader. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij daadwerkelijk benaderd is door leden van Al Shabaab. De vriend van zijn vader heeft op basis van eisers verhaal gesteld dat het leden van Al Shabaab waren die eiser hebben benaderd. Ook heeft de vriend van zijn vader verteld dat leden van Al Shabaab hem hebben gebeld nadat zijn zoon was vermoord en dat zijn andere zoon (eiser) de opdracht moest uitvoeren. Verweerder kwalificeert dit als verklaringen van derden die in dit geval niet worden aangemerkt als objectieve bronnen op basis waarvan van de geloofwaardigheid van de verklaringen kan worden uitgegaan. Deze verklaringen zijn ook niet verifieerbaar en alleen gebaseerd op het van-horen-zeggen principe. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet op basis waarvan de conclusie is getrokken dat leden Al Shabaab hem hebben benaderd. Zijn verklaringen zijn summier en niet voorzien van onderbouwing waaruit causale verbanden blijken. De enige onderbouwing dat eiser benaderd is door Al Shabaab zijn de vermoedens van de vriend van de vader van eiser. Op basis van verklaringen van de vriend van de vader van eiser kan niet de conclusie worden getrokken dat Al Shabaab achter de gestelde moord op de zoon van vriend van vader zou zitten. Verweerder acht de verklaringen over dat leden van Al Shabaab hem hebben bedreigd en de problemen die daaruit volgen niet geloofwaardig. Ook deze verklaringen van eiser zijn volgens verweerder gebaseerd op aannames, vermoedens en niet- verifieerbare verklaringen van derden. Verweerder heeft verder in zijn besluit opgenomen dat het geloofwaardig is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu. In Mogadishu heeft de overheid controle en de macht en eiser hoeft niet te reizen door gebieden waar Al Shabaab de macht heeft. Verweerder vindt daarom dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt indien hij moet terugkeren.

4. In het besluit is voorts vermeld dat er ten tijde van het besluit niet kan worden vastgesteld dat sprake is van adequate opvang in Somalië omdat niet duidelijk is waar de vriend van de vader van eiser, die voor eiser en zijn zusje heeft gezorgd, verblijft. Verweerder heeft aangegeven dat het onderzoek naar adequate opvang bestaat uit het stellen van vragen aan eiser in de gehoren en dat er nog aanknopingspunten zijn voor nader onderzoek en dat de DT&V dat onderzoek zal doen. Verweerder heeft onder verwijzing naar een Kamerbrief van 14 juli 2022 over de gevolgen van het TQ-arrest en de uitspraak van de Afdeling hierover aangegeven dat dit onderzoek in beginsel een jaar mag duren, gerekend vanaf de datum van het asielbesluit.

5. Omdat verweerder in het besluit niet kan vaststellen dat sprake is van adequate opvang, is eiser in het besluit niet in aanmerking gebracht voor een ‘buitenschuld AMV vergunning’. Verweerder heeft opgemerkt dat eiser in de zienswijze niet is ingegaan op ‘de belangen van het kind’ en daarom het voornemen op dat punt wordt gevolgd. Verweerder heeft tot slot benoemd dat dit besluit geen terugkeerbesluit is en dat eiser rechtmatig verblijf heeft in afwachting van het onderzoek dat de DT&V gaat verrichten en in afwachting van de ambtshalve beoordeling of aan eiser een buitenschuld-vergunning moet worden verleend.

6. Eiser is het niet eens met een aantal aspecten van de geloofwaardigheidsbeoordeling en stelt zich overigens op het standpunt dat het onderzoek naar adequate opvang te lang duurt en dat verweerder dat bovendien best zelf had kunnen doen. Eiser heeft in zijn beroepsgronden onder meer gewezen op zijn minderjarigheid als onderdeel van zijn referentiekader en waaruit reeds volgt dat hij meer dan anderen afhankelijk is van verklaringen van derden. Eiser heeft ook gewezen op de algemene veiligheidssituatie in Somalië.

7. De rechtbank heeft partijen ter zitting in de gelegenheid gesteld om hun standpunten nader toe te lichten. De rechtbank heeft vervolgens gevraagd wat de stand van zaken is met betrekking tot het onderzoek naar adequate opvang. Eiser is inmiddels meerderjarig en dus zal het onderzoek niet worden voortgezet, maar het dossier bevat geen rapport van de DT&V over de wijze waarop het onderzoek naar adequate opvang heeft plaatsgevonden. Partijen hebben in reactie hierop medegedeeld dat er een zelfstandige procedure is ingericht en dat eiser het DT&V-rapport en een voornemen van verweerder wel heeft ontvangen en in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze hierop te geven en dit ook recent heeft gedaan.

8. De rechtbank heeft met partijen besproken dat de beoordeling of sprake is (geweest) van adequate opvang onderdeel is van de onderhavige procedure en dat de rechtbank, die het beroep tegen het afwijzende besluit op de asielaanvraag beoordeelt, óók beoordeelt of er aanleiding bestaat om een verblijfsvergunning op reguliere gronden te verlenen en, indien eiser geen verblijfsvergunning krijgt, verweerder een terugkeerbesluit moet en mag vaststellen. De rechtbank heeft daarom aan partijen medegedeeld dat alle stukken van verweerder, de DT&V en eiser die betrekking hebben op het onderzoek naar adequate opvang aan het dossier in deze procedure moeten worden toegevoegd. De rechtbank heeft met partijen overlegd over de termijnen die hiervoor kunnen worden bepaald en heeft gevraagd of partijen wensen dat het onderzoek ter zitting wordt voortgezet.

9. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de zienswijze van eiser op het voornemen en de beoordeling van DT&V en zal dan tevens moeten beoordelen of een terugkeerbesluit wordt opgelegd. De rechtbank heeft hierbij reeds opgemerkt dat de beoordeling of aan eiser een zogenoemde ‘buitenschuldvergunning AMV’ moet worden verleend niet betekent dat er geen verderstrekkende beoordeling moet worden verricht ten aanzien van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. Richtlijn 2008/115 ziet niet op de voorwaarden voor verblijf. Dat verweerder beleid heeft vastgesteld en een verblijfsvergunning wordt verleend als niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2008/115, verschilt dus van de vraag of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg staan. Deze laatste beoordeling houdt geen verband met de vraag of aan eiser een verblijfsvergunning moet worden verleend.

10. De rechtbank heeft ter zitting aangegeven dat de vraag of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld weliswaar pas aan de orde komt als aan eiser geen asielvergunning of vergunning op reguliere gronden hoeft te worden verleend. De rechtbank zal de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling en de gronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd evenwel pas beoordelen als de rechtbank over het gehele dossier beschikt. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

-draagt partijen op om alle stukken die verband houden met het onderzoek naar adequate opvang zoals dat door verweerder en de DT&V is verricht te overleggen;

-stelt verweerder in de gelegenheid om zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vier weken na deze uitspraak te reageren op de zienswijze van eiser en te beoordelen of een terugkeerbesluit wordt vastgesteld;

-stelt eiser in de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het mogelijk vastgestelde terugkeerbesluit;

-bepaalt in samenspraak met partijen wanneer het onderzoek ter zitting wordt voortgezet;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open maar kan tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?