ECLI:NL:RBDHA:2026:6010

ECLI:NL:RBDHA:2026:6010

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer C/09/698476 / KG ZA 26-94
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

kortgeding nakoming zorgregeling

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/698476 / KG ZA 26-94

Vonnis in kort geding van 17 februari 2026

in de zaak van

[de moeder] te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.G. Groen te Den Haag,

tegen:

[de vader] te [gemeente] op een geheim adres,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader'.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties.

- de dagvaarding met producties;

- de op 10 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de moeder bijgestaan door haar advocaat, en de vader (zonder advocaat) zijn verschenen.

- ter zitting zijn door de moeder twee kindbrieven aan de voorzieningenrechter overhandigd, van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] .

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2010 tot [datum 2] 2015.

Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2021 in [geboorteplaats] .

De moeder en de vader hebben de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.

Bij beschikking van 22 december 2025 van deze rechtbank is - voor zover van belang- uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat:

- de kinderen wekelijks op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, inclusief avondeten, bij de vader zijn, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en weer thuisbrengt;

- de vader de (jongste) kinderen elke maandagochtend voor school bij de moeder ophaalt en hen naar school brengt;

- de vakanties en feestdagen door de ouders in onderling overleg worden verdeeld.

3. Het geschil

De moeder vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

de vader te veroordelen de beschikking van 22 december 2025 van deze rechtbank na te komen zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

te bepalen, voor zover nodig met wijziging / aanvulling in zoverre van voornoemde beschikking, dat de schoolvakanties en islamitische feestdagen voor het jaar 2026 als volgt worden verdeeld en dat de vader gehouden is deze regeling na te leven onder verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,- is bereikt:

- Voorjaarsvakantie 2026: de kinderen verblijven bij de vader van 18 t/m 22 februari;

- Meivakantie 2026: de kinderen verblijven bij de vader van 4 t/m 10 mei;

- Zomervakantie 2026: de kinderen verblijven bij de vader van 20 juli t/m 10 augustus;

- Suikerfeest en Offerfeest: de kinderen verblijven op deze dagen bij de moeder tot 14.00 uur en bij de vader van 14.00 tot 22.00 uur;

- althans een regeling vast te stellen die zoveel mogelijk aansluit bij dit voorstel en die de voorzieningenrechter passend acht, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader heeft zich sinds de beschikking van 22 december 2025 geenszins aan de zorgregeling gehouden. De vader komt de kinderen niet of te laat ophalen en heeft daarvoor verschillende excuses. De vader neemt geen verantwoordelijkheid en verschuilt zich volgens de moeder in een voor de moeder bekende slachtofferrol, zonder daadwerkelijk zijn leven te beteren. Volgens de moeder is de enige manier om de vader te bewegen hem een financiële prikkel te geven in de vorm van een dwangsom. De moeder betreurt dit nu de kinderen graag naar hun vader gaan en meer tijd met hem willen doorbrengen. De moeder heeft getracht om, zoals is neergelegd in de beschikking van 22 december 2025, in onderling overleg de vakanties met de vader te verdelen. Dit is niet gelukt. Om duidelijkheid voor haar en de kinderen te krijgen vordert de moeder de verdeling daarvan.

De vader voert verweer. Tijdens de zitting heeft de vader aangegeven dat hij de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van 22 december 2025 wel wil nakomen maar dat dit hem vanwege zijn woon- en werksituatie niet lukt. De vader heeft tot op heden geen vaste woon- of verblijfplaats en slaapt in zijn auto of bij familie. Volgens de vader kan hij zelf niet altijd bij zijn familie terecht en helemaal niet met vier kinderen. Indien de vader tijdens de geplande zorgmomenten niet bij zijn familie terecht kan, onderneemt de vader zoveel mogelijk activiteiten met de kinderen in de stad. Dit kan niet altijd gelet op zijn financiële situatie. De vader voert aan dat hij een aanvraag heeft gedaan voor de schuldsanering. Dit is echter nog niet gestart omdat hij sinds kort geen ZZP’er meer is maar in loondienst is gegaan, gelet op de nieuwe regelgeving omtrent ZZP’ers die grotendeels voor één opdrachtgever werken. Op de zitting heeft de vader zijn recente loondienstcontract aan de voorzieningenrechter laten zien. Het voorgaande brengt volgens de vader ook mee dat het hem niet lukt om op de maandagochtend de kinderen voor school op te halen en naar school te brengen, nu hij niet meer de flexibiliteit van een ZZP’er heeft en het gelet op de schulden die de vader heeft, van belang is dat hij 40 uur per week werkt en zijn nieuwe baan behoudt.

4. De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering betreffende de nakoming van de wekelijkse zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking van 22 december 2025, ook voor wat betreft de verdeling van de voorjaarsvakantie 2026. Ten aanzien van de overige vakanties ontbreekt het spoedeisend belang, nu deze vakanties verder weg in de tijd liggen en er dus nog voldoende gelegenheid is voor nader overleg tussen partijen en er zo nodig nog tijdig een bodemprocedure ex artikel 1:253a BW kan worden gestart bij de rechtbank, om de verdeling van de vakanties en feestdagen definitief te laten vaststellen.

Inhoudelijke beoordeling

De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen zich in beginsel aan de bij voornoemde beschikking vastgestelde zorgregeling moeten houden. De vader stelt zich op het standpunt dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de in de beschikking bepaalde zorgregeling nakomt. Volgens hem ontbreekt het hem aan noodzakelijke huisvesting en voldoende geld om de zondagsregeling en een vakantiezorgregeling (en dan met name de daarbij horende overnachtingen) na te komen, en kan hij de maandagochtendregeling niet nakomen omdat hij inmiddels in loondienst is.

De voorzieningenrechter volgt de vader niet in zijn verweer dat hij de zondagsregeling om praktische redenen niet kan nakomen. Vast staat immers dat de vader ook al ten tijde van het wijzen van de beschikking niet over eigen woonruimte beschikte. De kinderrechter heeft niettemin geoordeeld dat van de vader kan worden gevergd de kinderen een dag per week bij zich te hebben. Het is aan de vader voor die dag een passende invulling te bedenken, in overleg met de kinderen. Datzelfde geldt voor het deel van de voorjaarsvakantie dat de vader op grond van de beschikking voor zijn rekening dient te nemen. De vader kan zich niet onttrekken aan zijn verplichtingen door te stellen dat hij niet in staat is deze taken op zich te nemen. De stelling van de vader dat hij niet de helft van de voorjaarsvakantie voor zijn rekening kan nemen omdat de kinderen niet, althans niet veilig, bij zijn broer of andere familie kunnen slapen wordt gepasseerd. Het enkele feit dat de kinderen dan mogelijk bij elkaar zullen moeten slapen (deels op matrassen op de grond) is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling dat blowen van de broer een verblijf bij hem in de weg staat. Dat verweer is in de beschikking immers niet gehonoreerd. Dat laat onverlet dat als de vader zelf meent dat het logeren van de kinderen bij familie geen goede optie is, het op zijn weg ligt een alternatief te zoeken, door bijvoorbeeld een vakantieverblijf te boeken. Het vakantiecontact van de kinderen met de vader is voor hen immers heel belangrijk, waarbij ook overnachtingen horen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nog aan dat uit de kindbrieven blijkt, dat de kinderen het verblijf en het slapen bij hun oom en/of hun grootouders tot op heden niet als bezwaarlijk hebben ervaren. Dit alles leidt tot de slotsom dat de vordering tot nakoming van de zondagsregeling zal worden toegewezen en dat tevens zal worden bepaald dat de vader de kinderen in de voorjaarsvakantie van donderdag 19 tot en met zondag 22 februari 2026 bij zich zal hebben. De vordering de vakantie bij de vader al op woensdag 18 februari te laten beginnen zal worden afgewezen, nu niet valt in te zien waarom de zes dagen tussen de zondagen (die de vader al verzorgt) niet gelijkelijk tussen partijen zouden moeten worden verdeeld.

De voorzieningenrechter oordeelt anders over de vordering van de moeder tot nakoming van de maandagochtendregeling; die vordering wordt afgewezen. De man heeft ter zitting namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat hij noodgedwongen in loondienst heeft moeten gaan, waardoor de flexibiliteit die hij als ZZP’er had is komen te vervallen. Het behouden van een dienstverband weegt naar oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de moeder bij het maandagochtend naar school brengen van de kinderen. Wel kan van de vader worden gevergd zoveel mogelijk op andere wijze contact te onderhouden met de school, zodat hij wel op de hoogte blijft van het wel en wee van de kinderen op school.

Nu de vader tot op heden de zorgregeling niet correct is nagekomen ziet de voorzieningenrechter daarin aanleiding de vader een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming. Die dwangsom zal worden gesteld op € 50,-- per overtreding met een maximum van € 5.000,--.

Proceskosten

In de omstandigheid dat het een familierechtelijke procedure is, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt de vader de kinderen wekelijks op zondag bij zich te hebben van 10.00 uur tot 18.00 uur;

veroordeelt de vader de kinderen bij zich te hebben van 19 februari 2026 10.00 uur tot en met zondag 22 februari 2026 18.00 uur;

veroordeelt de vader tot betaling van een dwangsom van € 50,-- per dag dat de vader de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 niet correct nakomt, met een maximum van € 5.000,--;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

TS

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?