ECLI:NL:RBDHA:2026:6014

ECLI:NL:RBDHA:2026:6014

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 09-083873-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte is samen met zijn broer en een vriend in de woning van familieleden binnengedrongen om verhaal te komen halen. Veroordeling wegens meerdere mishandelingen, vernieling, het dragen van een verboden honkbalknuppel en het medeplegen van huisvredebreuk. De verdachte wordt veroordeeld tot (een deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een taakstraf. Vrijspraak van één mishandeling en bedreiging. De vorderingen van vijf van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen, en de vordering van één benadeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09-083873-24

Datum uitspraak: 20 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] ,

verblijfadres: [adres 1] ( [postcode] ) te [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 november 2025 (regie) en 6 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A. van der Horst naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 kan worden bewezenverklaard. Ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van wat achter het derde en vierde gedachtestreepje ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van wat ten laste is gelegd onder 2, 3, 4, 5, 9 en 10.

De raadsman heeft zich ten aanzien van wat onder 1, 6 en 7 ten laste is gelegd gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde geen standpunt ingenomen.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 en 10 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 4: mishandeling [benadeelde 1]

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 1]. Uit de aangifte van [benadeelde 1] noch uit de rest van het dossier blijkt dat hij mishandeld is.

Feit 10: bedreiging

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld voor welk van de ten laste gelegde gedragingen zoals verwoord achter de gedachtestreepjes voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De rechtbank ziet onvoldoende bewijs voor het tonen van een mes dan wel het doen alsof een mes wordt gedragen/vastgehouden, zoals is ten laste gelegd achter het tweede gedachtestreepje. De getuigenverklaringen waarin wordt gesproken over de aanwezigheid van een of meerdere messen, zijn inherent inconsistent en verschillen op essentiële onderdelen te veel van elkaar om buiten gerede twijfel vast te stellen dat daadwerkelijk een mes is getoond of is gedaan alsof dat mes er was.

De rechtbank ziet met de officier van justitie en de raadsman evenmin voldoende bewijs voor de gedragingen achter het derde gedachtestreepje, inhoudende het tonen, richten, dragen of vasthouden van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Hoewel meerdere aangevers hebben verklaard over een vuurwapen, heeft slechts één persoon, [benadeelde 1] , verklaard dat hij zelf het vuurwapen heeft gezien. Deze verklaring is gedetailleerd, maar gelet op het feit dat er geen enkele ondersteuning is van genoemde details in andere getuigenverklaringen, onvoldoende betrouwbaar. Bovendien zijn de verdachten vlak na het incident aangehouden, waarbij wel een honkbalknuppel en mes maar geen vuurwapen werd aangetroffen in de auto waarin zij reden.

De rechtbank ziet verder onvoldoende bewijs voor de achter het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank overweegt daartoe dat ook hier slechts één persoon, [aangever 1] , heeft verklaard dat dergelijke bewoordingen zijn gebruikt.

De rechtbank ziet wel voldoende bewijs voor de gedragingen achter het eerste gedachtestreepje (woning binnendringen met capuchon/bivakmuts op), vijfde gedachtestreepje (meerdere personen in de woning duwen/vasthouden/slaan) en zesde gedachtestreepje (met een honkbalknuppel tegen het raam slaan).

De rechtbank is echter van oordeel dat deze gedragingen niet kunnen leiden tot de bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging. Daartoe overweegt de rechtbank dat voornoemde gedragingen weliswaar een angstige situatie zullen hebben opgeleverd maar niet zonder meer met zich brengen dat bij personen in de woning in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij ten minste zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Hierbij is mede van belang dat het slaan van de honkbalknuppel tegen het raam plaatsvond toen de verdachte en de medeverdachten het huis al waren uitgewerkt. De verdachte is daarop teruggekomen en heeft met deze knuppel aan de buitenkant van de woning tegen een raam geslagen.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder 4 ten laste gelegde bedreiging.

Opgave van bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024077299, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 309).

Ten aanzien de feiten 1, 7 en 8

De rechtbank zal voor het tenlastegelegde onder 1, 7 en 8 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De onderstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen – worden gebruikt

voor het bewijs van datgene waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 maart 2026.

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 11 maart 2024 (p. 121-125).

Ten aanzien van de feiten 2, 3,en 5:

De rechtbank gebruikt voor de feiten 2, 3 en 5 het volgende bewijsmiddel:

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 11 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 121-123):

Pleegdatum/tijd: tussen zondag 10 maart 2024 20:40 en 20:55 uur.

Ik woon op het adres [adres 2] te [plaats] . Ik woon daar met mijn vrouw [aangeefster] , en mijn twee zoons [benadeelde 1] en [aangever 2] .

Ik deed de deur van de hal open en zag mijn vrouw bij de voordeur staan en een persoon probeerde tegen te houden zodat hij niet in de woning kon komen. Ik hoorde mijn vrouw dingen zeggen zoals: “Ik ben je tante, opdonderen uit mijn huis”. Dit zei ze in het Surinaams. “Mousi” is namelijk tante in het Surinaams.

De persoon op foto 1 is de persoon die mijn vrouw tegen probeerde te houden. Ik herken deze persoon als [verdachte] . [verdachte] hield mijn vrouw vast en sloeg haar op haar bovenlichaam om er langs te komen. Uiteindelijk duwde hij haar aan de kant om de woning binnen te komen.

Daarna ging alles snel. [verdachte] kwam via de hal de woonkamer in langs mij. Mijn zoon [aangever 2] stond in de keuken naast de koelkast. [verdachte] zag mijn zoon en ging direct naar [aangever 2] toe. Ik zag dat [verdachte] een slaande beweging maakte in de richting van het hoofd van [aangever 2] . Ik zag dat [verdachte] dat met zijn rechterarm deed. Ik zag dat de rechterhand van [verdachte] was gebald. Ik zag dat [aangever 2] half in elkaar dook om de klap van [verdachte] te ontwijken.

Ik zag dat de partner van de zus van mijn vrouw, [aangever 3] , ons kwam helpen. Ik zag dat [verdachte] [aangever 3] met een gebalde vuist vol in zijn gezicht sloeg.

De rechtbank gebruikt voor feit 2 het volgende bewijsmiddel:

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 11 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 139-141):

Aangever: [aangeefster]

Geboren: [geboortedatum 2] 1982

Ik doe aangifte van mishandeling, gepleegd op 10 maart 2024. Dit is gepleegd in mijn woning aan de [adres 2] in [plaats] .

Ik zag dat er drie jongens mijn woning binnenkwamen. Ik zag dat [verdachte] vooraan liep. Ik stond bij de tussendeur. Ik spreidde mijn armen, zodat de jongens de woonkamer niet in konden komen. Ik voelde dat [verdachte] de onderkant van mijn bovenarmen vastpakte. Ik voelde dat hij hier heel hard in kneep. Ik voelde een stekende pijn hierdoor in mijn armen. [verdachte] sloeg mij vervolgens met zijn linkerarm op mijn rechteroor. Ik voelde direct een tinteling in mijn hoofd. Het werd even zwart voor mijn ogen.

Ik ben vandaag, 11 maart 2024, naar de dokter geweest voor het letsel wat ik heb. Ik heb namelijk blauwe plekken op mijn boven armen, een blauwe plek in mijn hals, een schram op mijn rug en veel nek en hoofd pijn. Ook mijn ribben doen pijn. Mijn nek en schouders zijn ook helemaal opgezet.

De rechtbank gebruikt voor feit 3 het volgende bewijsmiddel:

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 11 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 159, 162-163):

Plaats delict: [adres 2] , [plaats]

Aangever: [aangever 2]

Geboren: [geboortedatum 3] 2008

Ik doe aangifte van mishandeling, bedreiging en vernieling gepleegd op 10 maart 2024 omstreeks 20:40 uur. [verdachte] probeerde mij te slaan op mijn hoofd met zijn vuist, maar ik bukte net op tijd dus hij schaafde mijn hoofd. Hij bleef vastzitten in mijn vlecht, waardoor mijn hoofd meebewoog.

V: Heb jij zelf nog letsel overgehouden aan dit incident?A: Ik heb pijn aan mijn nek daardoor, omdat mijn hele hoofd meebewoog met zijn stoot. Ik merkte wel een beetje pijn aan mijn hoofd, maar vandaag voelde ik vooral pijn in mijn nek.

De rechtbank gebruikt voor feit 5 het volgende bewijsmiddel:

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 12 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 193-194):

Aangever: [aangever 3]

Geboren: [geboortedatum 4] 1987

ZONDAG 10 MAART

Samen met mijn vrouw en dochtertje was ik bij mijn schoonzus en zwager. Met ons waren er nog anderen. [aangever 4] wilde volgens mij op een gegeven moment naar zijn auto. Ik zat op dat moment op de wc, in de hal achter de voordeur. Ik hoorde [aangeefster] zeggen: "Hé, ik ben je mousie.". Dat betekent tante in het Surinaams.

Eenmaal in de woonkamer zag ik aan mijn rechterzijde, aan de andere kant van de kamer, dat [verdachte] mijn zwager, [aangever 1] , sloeg. Ik zag dat [benadeelde 2] en [aangeefster] aan het proberen waren om twee andere jongens weg te duwen, richting de hal en naar buiten. Ik ging helpen en ik heb toen van [verdachte] een klap met zijn linkervuist op mijn mond gehad. Het deed zeer. In het begin viel het wel mee, door de adrenaline. Nu doet het nog steeds pijn.

Ten aanzien van feit 6:

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 15 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 279-280):

Op 10 maart 2024 ben ik naar [plaats] gegaan. Ik liep naar mijn auto. Ik zag drie jongens naar mij toekomen. Ik voelde een harde klap op mijn achterhoofd. Dat deed pijn.

2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 11 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 101-102):

V: Wat heb jij op 10 maart gedaan?

A: Wij gingen die kant op.

V: Met wie?

A: Hij en zijn broertje. Ik zie een jongen aan komen lopen. Ik zag dat [verdachte] die jongen een klap gaf.

Ten aanzien van feit 9:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 maart 2026, voor zover inhoudende:

U vraagt naar de gebeurtenissen op 10 maart 2024. Het klopt dat ik de honkbalknuppel heb gebruikt om tegen de woning in [plaats] te slaan. De honkbalknuppel is van mij. U vraagt waarom ik deze had meegenomen. Dat is vanwege de dag ervoor. Ik was alerter omdat ik zomaar ben aangevallen door de familie. Ik wilde niet dat dat nog een keer zou gebeuren.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 262, 264):

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben taakaccenthouder Wet Wapens en Munitie en opgeleid om wapens te categoriseren. Op 12 maart 2024 ontving ik van mijn collegae een honkbalknuppel. Ik begreep het volgende:

“In de verklaring van verdachte Helder staat dat [verdachte] de honkbalknuppel bij zich had.”

Gelet op de aard van het voorwerp en/of gelet op de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen kan redelijkerwijs worden aangenomen dat het is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 7° van de WWM.

Het voorhanden hebben van dit wapen is verboden op grond van artikel 27, lid 1 WWM en strafbaar gesteld in artikel 54 WWM.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 1] (geboren [geboortedatum 5] 1980) heeft mishandeld door die [aangever 1] meermalen op het (achter)hoofd te stompen/slaan;

2hij op 10 maart 2024 te [plaats] [aangeefster] (geboren [geboortedatum 2] 1982) heeft mishandeld door die [aangeefster] in de bovenarmen te knijpen en op/tegen het hoofd te stompen/slaan;

3hij op 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 2] (geboren [geboortedatum 3] 2008) heeft mishandeld door die [aangever 2] te stompen/slaan;

5hij op 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 3] (geboren [geboortedatum 6][geboortedatum 6] 1987) heeft mishandeld door die [aangever 3] op/tegen de mond,te stompen/slaan;

6hij op 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 4] heeft mishandeld door op/tegen het (achter)hoofd te stompen/slaan;

7hij op 10 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met meer anderen, in de woning, het besloten lokaal, [adres 2] , bij een ander, te weten bij [aangever 1]en [aangeefster] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

8hij op 10 maart 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk met een honkbalknuppel meer ruiten en een Ring deurbelcamera, die geheel of ten dele aan [aangever 1] en [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorden, heeft vernield;

9hij op 10 maart 2024 te [plaats] een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een honkbalknuppel zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 163 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, en de geëiste taakstraf te matigen naar 100 uren.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte is samen met zijn jongere broer en een vriend naar een woning toe gegaan om bij familie verhaal te halen naar aanleiding van een incident dat zich de avond ervoor tijdens een familiefeest had voorgedaan. Zij zijn de woning binnengedrongen, terwijl de verdachte een capuchon op had. De verdachte heeft eerst buiten en vervolgens in de woning verschillende personen mishandeld. Daarna is de verdachte naar zijn auto gelopen, heeft daar een honkbalknuppel gepakt en heeft vervolgens de deurbelcamera en ruiten van de woning vernield.

Mishandelingen zijn ernstige feiten. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en bij hen een gevoel van angst teweeggebracht, zoals ook blijkt uit de vorderingen van de benadeelden. Door dit alles is bovendien een dusdanig beangstigende situatie ontstaan dat twee aanwezige baby’s over de schutting in de tuin zijn aangegeven aan de buren om hen in veiligheid te brengen. Ook speelt mee dat het in een woning heeft plaatsgevonden, waar een aantal familieleden aanwezig waren. Een woning is een plek waarin men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Verder heeft de verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor het eigendom van anderen. Ook heeft de verdachte slechts gedeeltelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 februari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek in het middelengebruik, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. De reclassering schat het algemeen recidiverisico in op gemiddeld en het risico op letsel op hoog. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij veroordeling van de verdachte hem een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering schrijft verder dat een gevangenisstraf negatieve gevolgen kan hebben voor de dagbesteding van de verdachte.

De rechtbank zal, overeenkomstig het wettelijke uitgangspunt en het advies van de reclassering, volwassenenstrafrecht toepassen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel daarvan niet langer is dan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Het resterende voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dient ertoe de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking brengen en de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank acht verder passend een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn voor strafvervolging. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de straf door de in beginsel op te leggen taakstraf te verminderen met 4 uren.

Gelet op de straffen die de rechtbank al oplegt voor de bewezenverklaarde misdrijven, ziet de rechtbank aanleiding om voor feit 9, dat een overtreding oplevert, straf op te leggen.

De rechtbank ziet geen reden tot oplegging van een contactverbod. De rechtbank overweegt daarbij dat in de afgelopen twee jaren een contactverbod een van de voorwaarden was die waren verbonden aan de schorsing van het bevel tot bewaring. In deze periode hebben zich geen incidenten voorgedaan. Een contactverbod wordt ook niet geadviseerd door de reclassering.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.

[aangeefster] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 17.725,75. Dit bedrag bestaat uit € 1.725,75 aan materiële schade (kosten huishoudelijke hulp) en € 16.000,00 aan immateriële schade.

[aangever 2] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.0000,00, bestaande uit immateriële schade.

[benadeelde 1] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.

[aangever 3] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 4.008,68. Dit bedrag bestaat uit € 3.008,68 aan materiële schade, en uit € 1.000,00 aan immateriële schade.

[benadeelde 2] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 2.073,85. Dit bedrag bestaat uit € 73,85 aan materiële schade, en uit € 2.000,00 aan immateriële schade.

De vordering immateriële schade heeft telkens als grondslag lichamelijk en/of psychisch letsel.

Alle benadeelden hebben tevens gevraagd vermeerdering van de schadevergoeding met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd:

de vordering van [aangever 1] toe te wijzen;

de vordering van [aangeefster] voor zover deze ziet op vergoeding van materiële schade toe te wijzen, de vordering voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 10.000,00, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering;

de vordering van [aangever 2] toe te wijzen;

de vordering van [benadeelde 1] toe te wijzen;

de vordering van [aangever 3] voor zover deze ziet op materiële schade de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren, en voor zover de vordering ziet op immateriële schade toe te wijzen;

de vordering van [benadeelde 2] toe te wijzen.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor elke benadeelde geldt dat, indien (een deel van) de vordering wordt toegewezen, het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

Verder heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd, indien een vordering (gedeeltelijk) wordt toegewezen, de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde schadevergoedingen voor de immateriële schade van de benadeelden [aangever 1] , [aangeefster] , [benadeelde 1] , [aangever 2] en [aangever 3] de rechtbank gevraagd maximaal een bedrag van € 500,00 per persoon toe te wijzen.

Verder heeft de raadsman verzocht de benadeelden [aangeefster] en [aangever 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering voor zover deze ziet op vergoeding van materiële schade. Ten aanzien van de benadeelde [benadeelde 2] , is verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de mishandeling jegens haar niet aan deze verdachte ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [aangever 1]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de normschending, waarbij sprake is van lichamelijk en geestelijk en letsel, vaststellen dat immateriële schade is geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is in elk geval tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade geleden. Tot dit bedrag zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. De verdediging heeft daarbij vraagtekens gezet bij de vaststelling van PTSS bij vier gezinsleden door een psycholoog na één intakegesprek. De beoordeling van deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank medisch te complex om van de verdediging te kunnen verwachten dat zij in dit strafgeding haar verweer verder onderbouwt. De vordering leent zich daarom niet voor een inhoudelijke rechterlijke beoordeling in dit strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,00.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

Vordering [aangeefster]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de normschending, waarbij sprake is van lichamelijk en geestelijk en letsel, vaststellen dat immateriële schade is geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is in elk geval tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade geleden. Tot dit bedrag zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. De verdediging heeft daarbij onder andere vraagtekens gezet bij de vaststelling van PTSS bij vier gezinsleden door een psycholoog na één intakegesprek. De beoordeling van deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank medisch te complex om van de verdediging te kunnen verwachten dat zij in dit strafgeding haar verweer verder onderbouwt. Het voorgaande geldt eveneens voor de vordering ter zake van huishoudelijke hulp, omdat de noodzaak om deze in te roepen samenhangt met de medische situatie van de benadeelde partij. De vordering leent zich daarom niet voor een inhoudelijke rechterlijke beoordeling in dit strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Resumerend

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

Vordering [aangever 2]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de normschending, waarbij sprake is van lichamelijk en geestelijk letsel, vaststellen dat immateriële schade is geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is in elk geval tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade geleden. Tot dit bedrag zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. De verdediging heeft daarbij vraagtekens gezet bij de vaststelling van PTSS bij vier gezinsleden door een psycholoog na één intakegesprek. De beoordeling van deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank medisch te complex om van de verdediging te kunnen verwachten dat zij in dit strafgeding haar verweer verder onderbouwt. De vordering leent zich daarom niet voor een inhoudelijke rechterlijke beoordeling in dit strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,00.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

Vordering [benadeelde 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade waarvan deze benadeelde partij vergoeding vordert niet worden aangemerkt als rechtstreeks door een bewezenverklaard feit veroorzaakte schade, als bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdachte niet wordt veroordeeld voor mishandeling of bedreiging van de benadeelde partij. De veroordeling van de verdachte voor feit 7 betreft huisvredebreuk. Het beschermd belang bij huisvredebreuk is die van het huisrecht. Schending van het huisrecht levert een schending op van de privacy, maar niet zonder meer een aantasting “op andere wijze in de persoon” als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij maakt niet aannemelijk dat als gevolg van de enkele schending van het huisrecht in dit geval sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. De vordering van de benadeelde partij houdt ook niet zozeer verband met de door de verdachte gemaakte inbreuk op het huisrecht maar met de mishandeling van familieleden van de benadeelde partij en de tenlastegelegde bedreiging, waarvoor zoals gezegd de verdachte niet wordt veroordeeld. Voor zover immateriële schade (psychisch letsel) is ontstaan als gevolg van het zien van de mishandeling van familieleden, zoals [benadeelde 1] heeft gesteld, komt deze evenmin in dit strafgeding voor vergoeding in aanmerking omdat ook deze schade niet als rechtstreekse schade is aan te merken.

Vordering [benadeelde 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade waarvan deze benadeelde partij vergoeding vordert niet worden aangemerkt als rechtstreeks door een bewezenverklaard feit veroorzaakte schade, als bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdachte niet wordt veroordeeld voor mishandeling of bedreiging van de benadeelde partij. De veroordeling van de verdachte voor feit 7 betreft huisvredebreuk. Het beschermd belang bij huisvredebreuk is die van het huisrecht. Schending van het huisrecht levert een schending op van de privacy, maar niet zonder meer een aantasting “op andere wijze in de persoon” als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien betreft het hier niet het huisrecht van de benadeelde partij maar van de familieleden bij wie zij op bezoek was. De vordering van de benadeelde partij houdt ook niet zozeer verband met een door de verdachte gemaakte inbreuk op het huisrecht van deze familieleden maar met de mishandeling van de benadeelde partij door een andere verdachte en de tenlastegelegde bedreiging, waarvoor zoals gezegd de verdachte niet wordt veroordeeld.

Vordering [aangever 3]

Verlies aan verdienvermogen

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Verlies aan verdienvermogen”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Reiskosten

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 5 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 31,68. Dit zijn de reiskosten die zien op de reizen naar het politiebureau en terug. Hoewel deze kosten niet zijn onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt.

De rechtbank zal het gedeelte van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op reiskosten naar en van de therapeut, niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is door de verdediging gemotiveerd betwist en niet met stukken is onderbouwd dat de benadeelde partij deze bezoeken aan de therapeut heeft gebracht. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 5 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de normschending, waarbij sprake is van lichamelijk en geestelijk letsel, vaststellen dat immateriële schade is geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is in elk geval tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade geleden. Tot dit bedrag zal de rechtbank de vordering toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Resumerend

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 531,68, bestaande uit € 31,68 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 531,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .

Proceskostenveroordeling

Nu de vorderingen van [aangever 1] , [aangeefster] , [aangever 2] en [aangever 3] gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelden partij tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten voor bovengenoemde benadeelden tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Nu de rechtbank de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren, brengt dit mee dat deze benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Hoofdelijkheid

De rechtbank veroordeelt niet ook de medeverdachten om de schade van [aangever 1] , [aangeefster] , [aangever 2] en [aangever 3] (deels) te vergoeden. Gelet daarop zal zij de betalingsverplichting van de verdachte niet hoofdelijk opleggen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 62, 63, 138, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 4 en 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: mishandeling;

ten aanzien van feit 2: mishandeling;

ten aanzien van feit 3: mishandeling;

ten aanzien van feit 5: mishandeling;

ten aanzien van feit 6: mishandeling;

ten aanzien van feit 7: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;

ten aanzien van feit 8: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 9: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van DRIEËNNEGENTIG (93) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank stelt het ondergane voorarrest vast op dertien (13) dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot tachtig (80) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van honderdtwintig (116) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van ACHTENVIJFTIG (58) DAGEN;

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd voor feit 9;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de volgende benadeelde partijen deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van:

bepaalt dat de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangeefster] , [aangever 2] en [aangever 3] voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] in diens vordering niet-ontvankelijk is;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering niet-ontvankelijk;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 531,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van:

de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangeefster] , [aangever 2] en [aangever 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. M.R. Aaron, rechter,

mr. H.M.P. Hillenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 1] (geboren [geboortedatum 5] 1980)heeft mishandeld door die [aangever 1] meermalen op het (achter)hoofd te stompen/slaan;

2hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [aangeefster] (geboren 23januari 1982) heeft mishandeld door die [aangeefster] in de (boven)armen te knijpenen/of op/tegen het hoofd te stompen/slaan;

3hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 2] (geboren [geboortedatum 3]2008) heeft mishandeld door die [aangever 2] op/tegen het hoofd te stompen/slaan;

4hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [benadeelde 1] (geboren 4 maart2004) heeft mishandeld door die [benadeelde 1] op/ art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

5hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 3] (geboren [geboortedatum 6][geboortedatum 6] 1987) heeft mishandeld door die [aangever 3] op/tegen de mond,althans op/tegen het gezicht te stompen/slaan;

6hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] [aangever 4] heeft mishandeld doorop/tegen het (achter)hoofd te stompen/slaan;

7hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met eenof meer anderen, althans met een ander, althans alleen, in de woning, het beslotenlokaal en/of het besloten erf, [adres 2] ,bij een ander, te weten bij [aangever 1]en/of [aangeefster] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, ingebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

8hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk (meteen honkbalknuppel) een of meer ramen/ruiten en/of een (Ring) deurbel(camera),in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangeefster][aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd,onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

9hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] een wapen van categorie IV, onder7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een honkbalknuppel zijnde eenvoorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werdaangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letselaan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

10hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging metanderen of een ander, althans alleen, [aangever 1] en/of [aangeefster] en/of [aangever 2][aangever 2] en/of [benadeelde 1] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 2] en/of [aangever 4][aangever 4] en/of andere in de woning ( [adres 2] ) aanwezige personen heeftbedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door gezamenlijk, onverwachts en/of overrompelend- met capuchon op en/of bivakmuts op en/of een of meer wapens en/of op eenwapen gelijkende voorwerpen een woning binnen te dringen, althans te betreden,en/of- een mes of een op een mes gelijkend voorwerp te tonen, althans te doen alsof hij,verdachte, een mes in de broeksband of broekzak draagt en vasthoudt, en/of- een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of terichten, althans te doen alsof hij, verdachte, een pistool in de broeksband ofbroekzak draagt en vasthoudt, en/of- tegen een of meer personen in die woning te roepen/zeggen dat hij, verdachte,hen omver zou blazen en/of "wie wou er vechten, wie wou er vechten", althanswoorden van gelijke aard of strekking, en/of- in de woning meerdere van voornoemde personen (weg) te duwen, vast tegrijpen/houden en/of te stompen/slaan, en/of- met een honkbalknuppel tegen een raam te slaan.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?