Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/083881-24
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1] ([postcode]) te [woonplaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 november 2025 (regie) en 6 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.N. Slijters naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats 1] [aangeefster] (geboren [geboortedatum 2] 1991) heeft mishandeld door op/tegen de neus, althans op/tegen het gezicht te stompen/slaan;
2hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans met een ander, althans alleen, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres 2],bij een ander, te weten bij [aangever 1] en/of [benadeelde 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
3hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats 1], een wapen(s), van categorie I, onder 3°, (te weten een boksbeugel) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
4hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats 1], tezamen en in vereniging metanderen of een ander, althans alleen, [aangever 1] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2][benadeelde 2] en/of [aangever 2] en/of [naam 1] en/of [aangeefster] en/of [naam 2][naam 2] en/of andere in de woning ([adres 2]) aanwezige personen heeftbedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door gezamenlijk, onverwachts en/of overrompelend- met capuchon op en/of bivakmuts op en/of een of meer wapens en/of op eenwapen gelijkende voorwerpen een woning binnen te dringen, althans te betreden,en/of- een mes of een op een mes gelijkend voorwerp te tonen, althans te doen alsof hij,verdachte, een mes in de broeksband of broekzak draagt en vasthoudt, en/of- een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of terichten, althans te doen alsof hij, verdachte, een pistool in de broeksband ofbroekzak draagt en vasthoudt, en/of- tegen een of meer personen in die woning te roepen/zeggen dat hij, verdachte,hen omver zou blazen en/of "wie wou er vechten, wie wou er vechten", althanswoorden van gelijke aard of strekking, en/of- in de woning meerdere van voornoemde personen (weg) te duwen, vast tegrijpen/houden en/of te stompen/slaan, en/of- met een honkbalknuppel tegen een raam te slaan;
5hij op of omstreeks 10 maart 2024 te [plaats 1] een wapen van categorie IV, onder7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een mes zijnde een voorwerpwaarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werdaangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letselaan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder 1, 2, 3 en 4 kan worden bewezenverklaard en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 5. Bij feit 4 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van wat achter het derde en vierde gedachtestreepje ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien de feiten 2 en 3 naar voren gebracht dat deze bewezenverklaard kunnen worden.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5 vrijspraak bepleit.
Vrijspraak ten aanzien van feit 4 en feit 5
De rechtbank is van oordeel dat de feiten 4 en 5 niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Feit 4: bedreiging
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld voor welk van de ten laste gelegde gedragingen zoals verwoord achter de gedachtestreepjes voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.
De rechtbank ziet onvoldoende bewijs voor het tonen van een mes dan wel het doen alsof een mes wordt gedragen/vastgehouden, zoals is ten laste gelegd achter het tweede gedachtestreepje. De getuigenverklaringen waarin wordt gesproken over de aanwezigheid van een of meerdere messen, zijn inherent inconsistent en verschillen op essentiële onderdelen te veel van elkaar om buiten gerede twijfel vast te stellen dat daadwerkelijk een mes is getoond of is gedaan alsof dat mes er was.
De rechtbank ziet met de officier van justitie en de raadsvrouw evenmin voldoende bewijs voor de gedragingen achter het derde gedachtestreepje, inhoudende het tonen, richten, dragen of vasthouden van een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Hoewel meerdere aangevers hebben verklaard over een vuurwapen, heeft slechts één persoon, [aangever 2], verklaard dat hij zelf het vuurwapen heeft gezien. Deze verklaring is gedetailleerd, maar gelet op het feit dat er geen enkele ondersteuning is van genoemde details in andere getuigenverklaringen, onvoldoende betrouwbaar. Bovendien zijn de verdachten vlak na het incident aangehouden, waarbij wel een honkbalknuppel en mes maar geen vuurwapen werd aangetroffen in de auto waarin zij reden.
De rechtbank ziet verder onvoldoende bewijs voor de achter het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank overweegt daartoe dat ook hier slechts één persoon, [aangever 1], heeft verklaard dat dergelijke bewoordingen zijn gebruikt.
De rechtbank ziet wel voldoende bewijs voor de gedragingen achter het eerste gedachtestreepje (woning binnendringen met capuchon/bivakmuts op), vijfde gedachtestreepje (meerdere personen in de woning duwen/vasthouden/slaan) en zesde gedachtestreepje (met een honkbalknuppel tegen het raam slaan).
De rechtbank is echter van oordeel dat deze gedragingen niet kunnen leiden tot de bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging. Daartoe overweegt de rechtbank dat voornoemde gedragingen weliswaar een angstige situatie zullen hebben opgeleverd maar niet zonder meer met zich brengen dat bij personen in de woning in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij ten minste zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Hierbij is mede van belang dat het slaan van de honkbalknuppel tegen het raam plaatsvond toen de verdachte en de medeverdachten het huis al waren uitgewerkt. Een van hen is daarop teruggekomen en heeft met deze knuppel aan de buitenkant van de woning tegen een raam geslagen.
De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder 4 ten laste gelegde bedreiging.
Feit 5: dragen van een mes
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde dragen van een mes, nu daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is.
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024077299, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 309).
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte [aangeefster], opgemaakt op 12 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 205-207):
Aangever: [aangeefster]
Geboren: [geboortedatum 2] 1991
Op 10 maart 2024 belde mijn zus [benadeelde 1] of we bij haar kwamen om samen te eten. Rond 16:30 uur kwamen wij aan bij mijn zus, dat was het adres [adres 2] in [plaats 1].
We zaten gezellig en waren aan het praten, [naam 2] zou terug rijden richting [plaats 2]. Hij ging weg en mijn zus was tot de deur met hem meegelopen en kort daarna werd en weer aangebeld en geklopt. Ik zag een negroïde jongen en die probeerde de tussendeur te openen en naar binnen te komen. Mijn zwager probeerde de deur dicht te doen maar die jongen probeerde vanuit de gang de deur te openen.
Ik ben hem gaan proberen te helpen om de deur dicht te duwen. Achter de negroïde jongen kwam [medeverdachte] binnen, ik herkende hem als de jongen van het feest van de avond ervoor. En vervolgens zag ik eentje met een bivakmuts maar ik herkende zijn ogen als het broertje van [medeverdachte]. Ik probeerde hem tegen te houden, mijn handen kwam ter hoogte van zijn borst. Ik kreeg toen een harde klap van hem op mijn rechterzijkant van mijn neus. Ik voelde pijn aan mijn neus.
2. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 2], opgemaakt op 12 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 178-181):
Op 10 maart 2024, omstreeks 20:42 uur was ik thuis. Ik woon op de [adres 2] in [plaats 1].
Ik keek naar rechts naar de gang toe. Daar stond de jongen en die werd
tegen de muur aangeduwd door mijn tante [aangeefster]. Ik zag dat die jongen een bivakmuts op had. Toen deed hij zijn bivakmuts af. Toen zag ik dat het het jongere broertje was van die jongen die op mijn vader aan het inslaan was en dus ook op mijn feest was. Toen hij zijn bivakmuts af had gedaan zag ik dat hij een volle vuistslag gaf op het gezicht van mijn tante [aangeefster].
Signalementen
Man 1
Dit is de oudste jongen van de twee broers. Ik hoorde dat hij [medeverdachte] heet.
Man 2
Dit is het jongere broertje van man l. Zijn naam is [verdachte].
V: Wat heeft man 2 allemaal gedaan in de woning wat jij hebt gezien?
A: Hij heeft mijn tante [aangeefster] een vuistslag gegeven vol in haar gezicht.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3
De rechtbank zal voor de feiten 2 en 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De onderstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen – worden gebruikt
voor het bewijs van datgene waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft.
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 12 maart 2024 (p. 265-266);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], opgemaakt op 11 maart 2024, (p. 121-126).
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling van [aangeefster]. Zij voert daartoe aan dat de verklaringen over de persoon die de klap aan [aangeefster] heeft uitgedeeld, tegenstrijdig zijn. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de aangeefster vlak na het incident verklaart dat [medeverdachte] degene zou zijn geweest die de klap aan haar heeft uitgedeeld, is zij een dag later in haar aangifte duidelijk dat het om de verdachte gaat. Bovendien verklaart zij beide keren dat de dader een bivakmuts droeg. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dat de verdachte de enige was die een dergelijke muts droeg. Verder wordt de verklaring dat de verdachte degene is die de klap heeft uitgedeeld, ondersteund door de verklaring van [aangever 2]. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 10 maart 2024 te [plaats 1] [aangeefster] (geboren [geboortedatum 2] 1991) heeft mishandeld door op/tegen de neus te stompen/slaan;
2hij op 10 maart 2024 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met meer anderen, in de woning [adres 2], bij een ander, te weten bij [aangever 1] en [benadeelde 1], ingebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
3hij op 10 maart 2024 te [plaats 1], een wapen(s), van categorie I, onder 3°, van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers. De officier van justitie heeft verder gevorderd een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte is samen met zijn oudere broer en een vriend van die broer naar een woning toe gegaan om bij familie verhaal te halen naar aanleiding van een incident dat zich de avond ervoor tijdens een familiefeest had voorgedaan. Zij zijn de woning binnengedrongen, terwijl de verdachte een bivakmuts droeg. De verdachte heeft daarbij één persoon mishandeld. Bovendien had hij een verboden boksbeugel bij zich.
Mishandeling is een ernstig feit. Door zo te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en bij haar een gevoel van angst teweeggebracht, zoals ook blijkt uit de door haar ingediende vordering. Door dit alles is bovendien een dusdanig beangstigende situatie ontstaan dat twee aanwezige baby’s over de schutting in de tuin zijn aangegeven aan de buren om hen in veiligheid te brengen. Ook speelt mee dat het in een woning heeft plaatsgevonden, waar een aantal familieleden aanwezig waren. Een woning is een plek waarin men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De verdachte heeft slechts gedeeltelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens diefstal met geweld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 12 februari 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek in het psychosociaal functioneren van de verdachte. De reclassering signaleert vermoedens van een licht verstandelijke beperking en schat zowel het algemeen recidiverisico als het risico op letsel in als laag. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij veroordeling van de verdachte hem een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Verder wordt gerapporteerd dat een gevangenisstraf zeer schadelijk zal zijn voor de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet. De reclassering acht de verdachte in staat een taakstraf uit te voeren.
De rechtbank zal, overeenkomstig het wettelijk uitgangspunt en het advies van de reclassering, volwassenenstrafrecht toepassen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel daarvan niet langer is dan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Het resterende voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf dient ertoe de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking brengen en de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank acht verder passend een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn voor strafvervolging. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de straf door de in beginsel op te leggen taakstraf te verminderen met 4 uren.
De rechtbank ziet geen reden tot oplegging van een contactverbod. De rechtbank overweegt daarbij dat in de afgelopen twee jaren een contactverbod een van de voorwaarden was die waren verbonden aan de schorsing van het bevel tot bewaring. In deze periode hebben zich geen incidenten voorgedaan. Een contactverbod wordt ook niet geadviseerd door de reclassering.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
[aangever 1] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.
[benadeelde 1] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 17.725,75. Dit bedrag bestaat uit € 1.725,75 aan materiële schade (kosten huishoudelijke hulp) en € 16.000,00 aan immateriële schade.
[benadeelde 2] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.0000,00, bestaande uit immateriële schade.
[aangever 2] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.
[aangeefster] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend voor een bedrag van € 2.073,85. Dit bedrag bestaat uit € 73,85 aan materiële schade (reiskosten), en uit
€ 2.000,00 aan immateriële schade.
De vordering immateriële schade heeft telkens als grondslag lichamelijk en/of psychisch letsel.
Alle benadeelden hebben tevens gevraagd om vermeerdering van de schadevergoeding met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd:
de vordering van [aangever 1] toe te wijzen;
de vordering van [benadeelde 1] voor zover deze ziet op vergoeding van materiële schade toe te wijzen, de vordering voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 10.000,00, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering
de vordering van [benadeelde 2] toe te wijzen;
de vordering van [aangever 2] toe te wijzen;
de vordering van [aangeefster] toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor elke benadeelde geldt dat, indien (een deel van) de vordering wordt toegewezen, het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
Verder heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd, indien een vordering (gedeeltelijk) wordt toegewezen, de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat, indien de rechtbank feit 1 bewezen verklaart en de vordering van [aangeefster] toewijst, het bedrag gematigd dient te worden.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de benadeelden [aangever 1], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [aangever 2]
Naar het oordeel van de rechtbank kan de schade waarvan deze benadeelde partijen vergoeding vorderen niet worden aangemerkt als rechtstreeks door een bewezenverklaard feit veroorzaakte schade, als bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verdachte niet wordt veroordeeld voor mishandeling of bedreiging van deze benadeelde partijen. De veroordeling van de verdachte voor feit 2 betreft huisvredebreuk. Het beschermd belang bij huisvredebreuk is die van het huisrecht. Schending van het huisrecht levert een schending op van de privacy, maar niet zonder meer een aantasting “op andere wijze in de persoon” als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De onderbouwing van de vordering van de benadeelde partijen maakt niet aannemelijk dat als gevolg van de enkele schending van het huisrecht in dit geval sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. De vorderingen van de benadeelde partijen houden ook niet zozeer verband met de door de verdachte gemaakte inbreuk op het huisrecht maar met de mishandeling van de benadeelde partijen en/of de tenlastegelegde bedreiging, waarvoor zoals gezegd de verdachte niet wordt veroordeeld. Voor zover immateriële schade (psychisch letsel) is ontstaan als gevolg van het zien van de mishandeling van familieleden, zoals [aangever 2] heeft gesteld, komt deze evenmin in dit strafgeding voor vergoeding in aanmerking omdat ook deze schade niet als rechtstreekse schade is aan te merken. De rechtbank zal de benadeelde partijen [aangever 1], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.
Vordering [aangeefster]
Reiskosten
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 63,36. Dit zijn de reiskosten die zien op de reizen naar het politiebureau en terug. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het gedeelte van de vordering dat ziet op reiskosten naar de therapeut, niet-ontvankelijk verklaren. De vordering is door de verdediging gemotiveerd betwist en de bezoeken aan de therapeut zijn niet met stukken onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank kan, gelet op de aard en de ernst van de normschending, waarbij sprake is van lichamelijk en geestelijk letsel, vaststellen dat immateriële schade is geleden. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank in elk geval tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade geleden.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist. Ook is de vordering niet met medische stukken onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Resumerend
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 563,36, bestaande uit € 63,36 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 maart 2024, de datum waarop het schadeveroorzakend handelen heeft plaatsgevonden.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 563,36, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster].
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering van [aangeefster] gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met hun vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten voor bovengenoemde benadeelde tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de rechtbank de vorderingen van [aangever 1], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [aangever 2] niet-ontvankelijk zal verklaren, brengt dit mee dat deze benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Hoofdelijkheid
De rechtbank veroordeelt niet ook de medeverdachten om de schade van [aangeefster] te vergoeden. Gelet daarop zal zij de betalingsverplichting van de verdachte niet hoofdelijk opleggen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 138 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: mishandeling;
ten aanzien van feit 2: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van DRIEËNZESTIG (63) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank stelt het ondergane voorarrest vast op drie dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot zestig (60) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 56 (ZESENVIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 28 dagen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 563,36 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster];
bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat zij voor dit overige haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [aangeefster], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 563,36, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangeefster];
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
bepaalt dat de benadeelde partijen [aangever 1], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [aangever 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partijen [aangever 1], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [aangever 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. H.M.P. Hillenaar, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2026.