RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15538
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: I. Yildirim en M.F. Demirci),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 april 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met het besluit van 25 juli 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep eerst op 17 december 2025 op zitting behandeld. Omdat de gemachtigde van eiser geen tolk had geregeld, is besloten de behandeling van de zaak te schorsen. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2015 samen met zijn vriend [naam 2] heeft deelgenomen aan een inwijdingsceremonie van de Black Axe. Eiser dacht dat het een inzegeningsceremonie voor de Kegeit club zou zijn. Eisers vriend [naam 2] is tijdens de ceremonie overleden. Na de inwijdingsceremonie is eiser drie keer lastiggevallen door de [naam 3]. Er werd gezegd dat eiser bijeenkomsten van de Black Axe moest bezoeken, maar dit heeft eiser niet gedaan. Omdat eiser meerdere keren is lastiggevallen door de Black Axe en eisers foto is verspreid in een WhatsApp-groep, heeft eiser besloten Nigeria te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser te worden gedood door Black Axe.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser deels geloofwaardig zijn. De identiteit van eiser is niet geloofwaardig omdat eiser zich in eerste instantie heeft gemeld als [naam 1], geboren op [geboortedatum 1]. Tijdens het aanmeldgehoor op 28 maart 2023 en nadat eiser was opgenomen in de nationale procedure, heeft eiser aangegeven in werkelijkheid [naam 4] te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2]. Het is niet duidelijk of de overgelegde akte van herkomst daadwerkelijk aan eiser toebehoort. De identiteit van eiser is daarom niet geloofwaardig. Wel wordt, vanwege de uitkomsten van het herkomstonderzoek, uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers nationaliteit en herkomst. De problemen met Black Axe zijn niet geloofwaardig omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw.
Heeft de minister gebruik kunnen maken van een niet-register tolk?
5. Eiser stelt dat tijdens het nader gehoor gebruik is gemaakt van een niet-register tolk Pidgin-Engels. Dit heeft de kwaliteit van de communicatie negatief beïnvloed. Het inzetten van een beëdigd tolk in een taal die de vreemdeling voldoende begrijpt, is een uitdrukkelijk verplichting op grond van artikel 28 van de Vw en vloeit voort uit Unierechtelijke bepalingen. Er is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
De minister stelt, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, te hebben voldaan aan de motiveringseis bij het gebruik van een niet-registertolk. Op pagina twee van het nader gehoor is genoemd dat geen register-tolk is gebruikt omdat deze niet tijdig beschikbaar was. Eiser heeft daarnaast niet aangegeven dat het gehoor niet goed ging of op welke punten hij dan niet goed is begrepen.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er gebruik is gemaakt van een niet-registertolk. De Afdeling heeft overwogen dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv voor de motivering geen andere eis stelt dan dat de minister de reden voor het gebruikmaken van een niet-registertolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Anders dan de uitspraak waarnaar de minister verwijst en anders dan in het geval het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat, is, in het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. De minister moet dan toelichten waarom een beëdigde tolk niet beschikbaar was, zodat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wbtv voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed.
De rechtbank stelt vast dat de minister op pagina twee van het nader gehoor alleen heeft genoemd dat geen register-tolk is gebruikt omdat deze niet tijdig beschikbaar was. De minister heeft op de zitting, desgevraagd, niet kunnen toelichten welke handelingen zijn verricht om tijdig een registertolk beschikbaar te hebben. Dat er volgens de gemachtigde van de minister contact is geweest met de gemachtigde van eiser en een telefoongesprek heeft plaatsgevonden over het niet beschikbaar zijn van een tolk, is daarvoor onvoldoende. De gemachtigde van de minister heeft dit namelijk niet onderbouwd. Bovendien volgt deze gang van zaken niet uit de besluitvorming. Met het voorgaande heeft de minister niet gemotiveerd waarom vanwege de vereiste spoed geen van de beëdigde tolken beschikbaar was. Het besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Toch leidt dit niet tot een gegrond beroep, omdat de rechtbank aanleiding ziet om het gebrek te passeren. Eiser heeft zowel in zijn beroepsgronden als op de zitting niet concreet kunnen maken dat, en op welke wijze, hij in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft niet onderbouwd op welke punten hij verkeerd begrepen is, op welke punten de vertaling van zijn verklaringen onjuist is of hoe de weergave van zijn verklaringen de besluitvorming onjuist beïnvloed heeft. De rechtbank volgt niet dat het nader gehoor, zoals eisers gemachtigde op de zitting heeft betoogd, vanwege communicatieproblemen is gestaakt. Het nader gehoor is namelijk gestaakt, omdat het niet lukte om het nader gehoor die dag af te ronden. Verder volgt uit het nader gehoor dat voor de tweede dag geen vrouwelijke tolk beschikbaar was en eiser hiermee heeft ingestemd. Daarnaast heeft eiser aan het einde van de tweede dag bevestigd de tolk goed te hebben begrepen en verstaan en geen op- of aanmerkingen op de werkwijze van de tolk te hebben. Ook heeft eiser bij de correcties en aanvullingen niet aangegeven dat sprake was van communicatieproblemen of dat eiser over bepaalde dingen niet goed heeft kunnen verklaren. Hieruit volgt niet dat eiser in zijn belangen is geschaad.
Heeft de identiteit van eiser niet geloofwaardig kunnen achten?
6. Eiser betoogt dat de minister erkent dat de overgelegde akte van herkomst en de geboorteverklaring authentiek zijn bevonden. Eiser stelt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat niet is vastgesteld dat deze documenten daadwerkelijk aan eiser toebehoren. Er is geen reden om aan de authenticiteit te twijfelen.
De minister stelt zich op het standpunt dat hoewel de akte van herkomst en geboortebewijs echt zijn bevonden, Bureau Documenten geen uitspraak heeft kunnen doen over de opmaak, afgifte en inhoud van deze documenten. Het is niet duidelijk dat de documenten daadwerkelijk aan eiser toebehoren en opgemerkt wordt dat beide documenten zijn afgegeven in januari 2022. Dat is na het vertrek van eiser uit Nigeria en het is niet duidelijk hoe eiser deze documenten heeft verkregen en wat hij hiervoor heeft moeten overleggen. Verder blijkt uit de documenten dat de geboorte van de persoon waarop de documenten zien, niet eerder is geregistreerd en dat de genoemde naam en geboortedatum zijn gebaseerd op een verklaring van de moeder, [naam 6]. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zijn moeder [naam 5] heet. Daarom kan niet worden vastgesteld of de documenten daadwerkelijk aan eiser toebehoren en de personalia op de documenten zijn kennelijk gebaseerd op een verklaring van een derde. Dit betekent dat aan de documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte concludeert dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. Eiser heeft namelijk in eerste instantie verklaard [naam 1], geboren op [geboortedatum 1], te zijn. Later stelt hij [naam 4] te heten en te zijn geboren op [geboortedatum 2]. De rechtbank overweegt daarbij dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat niet duidelijk is dat de overgelegde documenten daadwerkelijk aan eiser toebehoren. Eiser kan niet verklaren hoe hij aan de documenten is gekomen en de naam op de geboorteakte komt niet overeen met de door eiser genoemde naam in het aanmeldgehoor. De minister overweegt bovendien niet ten onrechte dat de akte van herkomst is opgesteld op basis van verklaringen van derden en dat daar niet de waarde aan toekomt die eiser graag ziet. Bovendien stelt de minister niet ten onrechte dat de verklaring van eiser, dat zijn moeder [naam 5] heet, niet overeenkomt met de naam van zijn moeder, [naam 6], op het geboortebewijs. Eiser heeft hiermee zijn identiteit niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de problemen met Black Axe niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden?
7. Eiser stelt dat de minister het asielrelaas ten onrechte als ongeloofwaardig heeft bestempeld. Eiser was psychisch niet in staat om gehoord te worden. Eiser heeft bovendien tijdens het nader gehoor verklaard dat hij in het kader van zijn gedwongen initiatie door Black Axe is vastgebonden en ernstig is mishandeld. Eiser heeft dit al bij MediFirst aangegeven en de minister heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Daar komt bij dat eiser ook littekens heeft.
De rechtbank overweegt dat uit het advies van MediFirst volgt dat eiser gehoord kon worden. Eiser heeft geen stukken overgelegd waar het tegendeel uit blijkt en op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard niet te weten of eiser momenteel onder behandeling staat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser niet gehoord kon worden.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser zo dat de minister een FMO had moeten opstarten. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat een nader onderzoek naar de littekens van eiser niet relevant is, zodat er geen verplichting bestond om een FMO aan te bieden. De rechtbank overweegt dat de minister bij het bepalen of een FMO relevant is onder meer de vraag betrekt of de uitslag van een FMO doorslaggevend is voor de beslissing op de asielaanvraag. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat nader onderzoek naar de littekens van eiser voor de beoordeling van zijn asielaanvraag niet van doorslaggevend belang is, omdat het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden op basis van de verklaringen van eiser. Eiser heeft niet concreet gemotiveerd wat maakt dat de minister het asielrelaas volgens hem ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat de geloofwaardigheidsbeoordeling de rechterlijke toets kan doorstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser te vrezen bij terugkeer?
8. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de minister de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden met Black Axe niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daaruit volgt ook dat eiser bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Dat eiser op de zitting stelt dat hem bij terugkeer een heksenjacht te wachten staat heeft de minister dan ook niet hoeven volgen. Het enkele feit dat eiser uit Nigeria komt is ook op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien eiser een vergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM?
9. Eiser stelt op de zitting, zo begrijpt de rechtbank, dat hem een vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM had moeten worden verleend. Eiser heeft al viereneenhalf jaar lang een relatie met een Nederlandse vrouw, verblijft daar veelal, is aan het werk en draagt bij aan de maatschappij. Omdat de procedure zo lang heeft geduurd, heeft eisers leven niet stilgestaan.
De minister stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Eiser brengt dit standpunt namelijk voor het eerst op de zitting naar voren. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat eiser in het gehoor heeft aangegeven dat de relatie voorbij was. Daarnaast is in de zienswijze ook niks over dit punt aangevoerd en de minister concludeert daarom dat het bestreden besluit juist is.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met de goede procesorde. De minister heeft namelijk inhoudelijk op het standpunt van eiser kunnen reageren. Hierna zal de rechtbank daarom ingaan op de beroepsgrond.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 8 van het EVRM bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, ambtshalve en ‘ex-tunc’ wordt getoetst. Dat betekent dat de minister de feiten en omstandigheden moet beoordelen, zoals die zich op het moment van het bestreden besluit - 25 juli 2025 - hebben voorgedaan. De rechtbank dient de rechtmatigheid van het bestreden besluit (ook) te beoordelen aan de hand van die feiten en omstandigheden.
De rechtbank vindt dat de minister de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Eiser heeft in zijn gehoren zelf verklaard dat zijn relatie met zijn vriendin voorbij was. Daarnaast heeft eiser in de zienswijze geen reactie gegeven op het voornemen van de minister om eiser geen reguliere verblijfsvergunning te verlenen. Bovendien heeft eiser ook niet nader onderbouwd dat op het moment van het nemen van het bestreden besluit hij een relatie had. Verder heeft eiser niet nader onderbouwd dat sprake is van privéleven ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het staat eiser uiteraard vrij om een aanvraag in te dienen voor toetsing aan familie- of gezinsleven en/of privéleven. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet aanleiding om het onder 5.3. vastgestelde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eiser door dit gebrek niet is benadeeld.
11. Omdat sprake is van een gebrek in de besluitvorming, zal de minister de proceskosten aan eiser moeten vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 2.335,-
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 20 maart 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.