RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres;
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8925 (boete ATW)
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser;
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Cremer),
en
(gemachtigden: mrs. A.M. Pelgrim, Y.D.R. Mandel en S. Alkema).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de bestuurlijke boete van
€ 30.000,- die door verweerder aan eisers is opgelegd, vanwege overtreding van de Arbeidstijdenwet (ATW).
Eisers zijn het niet eens met dit besluit van verweerder en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over dit beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op een aantal punten onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dat betekent dat eisers voor een deel gelijk krijgen en dat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt de boete opnieuw vast op een bedrag van € 1.425,- en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen deze uitspraak heeft.
Procesverloop
2. Na ontvangst van het boeterapport van 30 november 2023 heeft verweerder op 28 februari 2024 een kennisgeving bestuurlijke boete verstuurd naar eisers.
Eisers hebben naar aanleiding van deze kennisgeving een zienswijze ingediend.
Bij het besluit van 27 maart 2024 (primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete van € 30.000,- aan eisers opgelegd voor overtredingen van de ATW.
Met het bestreden besluit van 24 september 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het boetebedrag van € 30.000,- gehandhaafd.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers zijn de voormalige vennoten van de op 30 april 2023 ontbonden vennootschap onder firma (v.o.f.) [bedrijfsnaam] , handelend onder de naam, [handelsnaam] . De v.o.f. is per 1 mei 2023 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onder deze v.o.f. hebben eisers vanaf 2021 een fastfoodrestaurant uitgebaat onder het franchisemerk [franchise] .
Op 18 februari 2023 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de inspectie) namens verweerder een werkplekcontrole uitgevoerd in het restaurant van eisers, in het kader van het toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de ATW. De bevindingen tijdens deze werkplekcontrole zijn beschreven in boeterapport van 30 november 2023. Tijdens dit bezoek zijn werknemers en eiser gehoord en heeft de inspectie een bevel tot staken van de arbeid mondeling meegedeeld aan een werknemer met de leeftijd van 15 jaar, vanwege het op heterdaad vaststellen van een overtreding van de ATW, namelijk het als maaltijdbezorger op een voertuig arbeid verrichten voor eisers en het bakken van friet en brood, zijnde arbeid met onacceptabele veiligheidsrisico's. Dit bevel is op 21 februari 2023 schriftelijk bevestigd aan eisers. Vervolgens heeft nader administratief onderzoek plaatsgevonden, zijn (meer) werknemers gehoord en is eiseres op 11 augustus 2023 door de inspectie gehoord, voordat het boeterapport op 30 november 2023 definitief werd gemaakt.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Op grond van het boeterapport van 30 november 2023 heeft verweerder op 28 februari 2024 een kennisgeving aan eisers uitgebracht, waarin het voornemen wordt gedeeld een bestuurlijke boete op te leggen vanwege overtredingen van de Arbeidstijdenwet, namelijk het uitvoeren van verboden arbeid door drie minderjarigen in de leeftijd van 13 jaar ( [minderjarige 1] ), 14 jaar ( [minderjarige 2] ) en 15 jaar ( [minderjarige 3] ), die in dienst waren van de voormalige v.o.f. van eisers. Ten aanzien van de minderjarigen van 13 jaar en 14 jaar zijn als overtredingen vastgesteld: het zonder toezicht maaltijden per elektrische fiets of scooter bezorgen en het bereiden van burgers op een grillplaat. Ten aanzien van de minderjarige van 15 jaar is als overtreding het zonder toezicht per elektrische fiets of scooter bezorgen van maaltijden en het bakken van friet en brood vastgesteld. Op deze kennisgeving is door eisers een zienswijze ingebracht.
Bij het primaire besluit is conform de kennisgeving een boete van totaal € 30.000,- aan eisers opgelegd, vanwege 20 direct beboetbare overtredingen van artikel 3:2 van de ATW bij de eerdergenoemde drie werknemers. De hoogte van de boete is berekend met inachtneming van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (hierna: de Beleidsregel). Voor ieder van de 20 overtredingen geldt een boetebedrag van € 2.000,- met een factor 0.5, omdat het om een bedrijf met minder dan 10 werknemers gaat en een factor 1.5, omdat de overtredingen direct - en zonder waarschuwing - beboetbaar zijn. Omdat de overtredingen zijn toe te rekenen aan de periode dat eisers hun onderneming hebben uitgebaat binnen een v.o.f., maar deze v.o.f. in 2023 is opgeheven, zijn eisers hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van deze boete.
Verweerder heeft het bezwaar in het bestreden besluit integraal ongegrond verklaard en het boetebedrag van € 30.000,- onverkort gehandhaafd.
Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft verweerder eisers naar aanleiding van de werkplekcontrole op 18 februari 2023 eveneens een bestuurlijke boete van € 9.500,- opgelegd voor overtredingen van de Wet minimumloon. In de beslissing op het bezwaar van 4 april 2025 is de boete gematigd naar € 9.025.-. Op het beroep in deze zaak, met het kenmerk: 25/3470, is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Wat zijn de standpunten van eisers en verweerder in dit beroep?
5. Eisers betwisten dat sprake is (geweest) van verboden kinderarbeid en voeren aan dat het boeterapport onvoldoende grondslag biedt voor de vaststelling van de vermeende overtredingen en dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek. Onder meer hebben de arbeidsinspecteurs niet uit eigen waarneming geconstateerd dat sprake is van verboden kinderarbeid door [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Zo is tijdens de werkplekcontrole aan werknemer [minderjarige 3] gevraagd: wat heb jij vandaag gedaan?, waarop is geantwoord: ‘friet bakken’. Niet gevraagd is of deze werknemer ook bezorgingen heeft gedaan die dag en uit het dossier is verder ook niet expliciet gebleken dat het [minderjarige 3] was die bij de werkplekcontrole door de inspecteurs voor het restaurant werd gezien met bedrijfskleding en een scooter. De conclusie dat eisers 10 overtredingen van de ATW door [minderjarige 3] hebben toegestaan, is daarbij niet te baseren op de urenregistratie die is overgelegd. Daaruit volgt namelijk alleen wanneer de kinderen hebben gewerkt en niet welke werkzaamheden zijn op die dagen hebben verricht. De stelling dat [minderjarige 1] minimaal één keer een overtreding heeft begaan door bezorging, dan wel werken in de keuken, vindt bovendien geen steun in het onderzoeksrapport en de verklaringen. Verweerder heeft daarbij ten onrechte tegengeworpen dat 13- en 14-jarigen slechts hulparbeid mogen verrichten en dat 15 jarigen alleen onder toezicht arbeid mogen verrichten. Dit is een onjuiste interpretatie van de wet, aangezien het 15 jarigen toegestaan is om zonder nadrukkelijk toezicht te werken. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten en de verklaringen van eiser volgt daarbij tegenbewijs voor de conclusie dat sprake was van verboden kinderarbeid, nu daarin alleen lichte werkzaamheden in zijn beschreven. Zonder steunbewijs mocht verweerder daarbij niet enkel op basis van de verklaringen van de kinderen tegenwerpen dat sprake is van kinderarbeid en is bovendien onvoldoende doorgevraagd en rekening gehouden met de taalbarrière van de kinderen.
Ook voeren eisers aan dat zij de boete onevenredig hoog vinden en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de draagkracht en de persoonlijke omstandigheden. De onderneming heeft nog geen twee jaar bestaan en is geruime tijd geleden opgeheven. Eisers waren relatief jong toen zij deze onderneming runden, hadden geringe ervaring en hebben geen verdiensten meer uit deze onderneming. Eisers komen door deze boete in financiële problemen te verkeren, ondanks de geboden betalingsregelingen. Eiseres heeft daarbij geen baan meer en draagt als alleenstaande moeder zorg voor een minderjarig kind.
Tot slot voeren eisers aan dat de boete met 25% gematigd dient te worden vanwege de redelijke termijn. Pas een jaar na de start van het onderzoek door de inspectie is het primaire besluit met de boete aan eisers namelijk opgelegd. Eisers verwijzen in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgt dat wanneer de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, een matiging van de boete met 25% passend en geboden is.
6. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eisers en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Werknemer 1, [minderjarige 3] , 15 jaar oud.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd voldoende bewijs te leveren voor 10 van de gestelde 11 overtredingen van artikel 3:2 ATW door de werknemer 1. De rechtbank stelt vooreerst vast dat het gestelde door een van de inspecteurs in het ‘Inlichtingenformulier: Eerlijk werk in Nederland', over werknemer 1 niet juist is. Hierin is opgeschreven dat de waargenomen werkzaamheden van werknemer 1 ‘bezorgen’ betreft. Uit de toelichting ter zitting en de bewijsstukken, ook die uit de andere beroepszaak van eisers met kenmerk 25/3470, blijkt echter dat de werknemer van wie is waargenomen dat hij bezorgwerkzaamheden heeft verricht, Al Zoubi is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat de vaststelling in het boeterapport dat op heterdaad geconstateerd is dat werknemer 1 als maaltijdbezorger op een voertuig arbeid verrichtte, gebaseerd is op de waarneming van de inspectie dat werknemer 1 met bedrijfskleding aankwam op zijn werkplek en de context waarin dit plaatsvond. De rechtbank vermag niet in te zien dat het verschijnen in werkkleding op de werkplek tot deze conclusie kan leiden. Verdere ondersteuning van verweerder voor de opgelegde boetes betreft de verklaring van werknemer 1 op 18 februari 2023. Op de vraag: “Welke werkzaamheden verricht u? Wat deed u vandaag?”, heeft hij geantwoord: “Bezorgen en keuken, friet bakken en brood en alles klaarleggen voor de bezorgers.” Hieruit volgt dat werknemer 1 weliswaar op 18 februari 2023 arbeid heeft verricht die strijdig is met de ATW, maar niet dat op de andere 10 data sprake is van overtredingen van de ATW door het bakken van friet en brood in de keuken van het restaurant en/of het zonder toezicht bezorgen van maaltijden per elektrische fiets/scooter. De urenregistraties, tezamen met de verklaring van werknemer 1 op 18 februari 2023 dat hij die dag als werk friet bakte en heeft bezorgd, zijn daarvoor onvoldoende. Op grond hiervan heeft verweerder ten aanzien van werknemer 1 alleen voor één werkdag en dus één overtreding voldoende bewijs geleverd.
Verweerder heeft de boetes eveneens gebaseerd op de vraag van eiser tijdens de werkplekcontrole of “de jongen niet weer mocht bezorgen, omdat het eten anders koud werd”. De rechtbank overweegt dat uit de dossierstukken niet blijkt welke jongen hiermee bedoeld werd. De verklaring van eiser (desgevraagd) tijdens de werkplekcontrole dat de jongens die op dat moment door de arbeidsinspecteurs gehoord werden, waaronder werknemer 1, die dag aan het bezorgen waren, zegt ook alleen iets over de verrichte werkzaamheden op 18 februari 2025. Aanvullend merkt de rechtbank op dat eisers weliswaar hebben erkend dat werknemer 1 incidenteel een bezorging deed, maar dat de rechtbank niet is gebleken hoe vaak werknemer 1 deze werkzaamheden verrichtte en of dit zonder toezicht gebeurde.
Werknemer 2, [minderjarige 2] , 14 jaar oud.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eveneens onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde 8 overtredingen betreffende werknemer 2. Uit het bestreden besluit volgt dat de overtredingen ten aanzien van werknemer 2 zien op zonder toezicht op een elektrische fiets/scooter bezorgen van maaltijden en/of het bereiden van burgers op een grilplaat. Verweerder heeft de boetes betreffende werknemer 2 gebaseerd op de verklaring van werknemer 2 en de arbeidstijdenregistratie. Op de vraag welke werkzaamheden werknemer 2 uitvoerde, antwoordde hij: “Bezorgen, afwassen, vegen en bestellingen aannemen. Soms wilde de klant contant betalen, dan moest je dat doen. Bezorgen deed ik op de elektrische fiets en soms op de scooter. Ik heb alle dagen dat ik gewerkt heb bezorgd. Bezorgen deed ik het meest. Als er geen bestellingen waren moest ik afwassen of iets anders doen.” Verweerder heeft hiermee geen onderbouwing voor het standpunt dat werknemer 2 burgers heeft bereid. De rechtbank overweegt over de bezorgwerkzaamheden het volgende. Op grond van artikel 1:1, derde lid, onder c, van de Nadere regeling kinderarbeid zijn onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind van 13 of 14 jaar in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden waarbij het kind zelfstandig en op commerciële basis maaltijden bezorgt, door deelname aan het verkeer met behulp van een voertuig. Hoewel de rechtbank op basis van de overgelegde arbeidsovereenkomst van werknemer 2, weliswaar voldoende bewezen acht dat werknemer 2 op commerciële basis maaltijden bezorgde, mist het bestreden besluit bewijs voor het standpunt dat deze werkzaamheden zelfstandig en zonder toezicht zijn verricht. Op grond hiervan heeft verweerder ten onrechte boetes opgelegd voor verboden kinderarbeid door werknemer 2.
Werknemer 3, [minderjarige 1] , 13 jaar oud.
9. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder er niet in geslaagd is om voldoende bewijs te leveren voor het gestelde dat in de onderzoeksperiode minimaal 1 keer sprake was van een overtreding betreffende werknemer 3. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het boeterapport niet blijkt dat de inspecteurs bij de werkplekcontrole uit eigen waarneming verboden kinderarbeid door werknemer 3 hebben geconstateerd. Werknemer 3 heeft weliswaar tijdens het huisbezoek van de inspectie op 20 maart 2023 verklaard bepaalde werkzaamheden te hebben verricht, maar deze verklaring kan niet aan de onderbouwing van de overtreding ten grondslag worden gelegd, nu uit deze verklaring niet blijkt of hij deze werkzaamheden heeft verricht in de gestelde onderzoeksperiode tot en met 18 februari 2023. Ook deze overtreding is ondeugdelijk onderbouwd.
Tussenconclusie over de overtredingen
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor slechts 1 van de 20 gestelde overtredingen voldoende bewijs geleverd. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en op basis van deze overtreding vaststellen dat slechts grond bestaat voor een boete van in totaal € 1.500,- (1 x € 2.000,- x 1.5 x 0.5), met inachtneming van de Beleidsregel die in de bestreden besluitvorming is toegepast.
Draagkracht en evenredigheid
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geconcludeerd heeft dat er geen aanleiding is om het boetebedrag te matigen vanwege de draagkracht van eisers of het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft in dit kader mogen tegenwerpen dat in deze procedure door eisers geen stukken en gegevens over hun financiële situatie zijn ingebracht die onderbouwen dat zij onvoldoende financiële draagkracht hebben om deze boete te kunnen betalen. Zo is na meerdere keren de gelegenheid te hebben gekregen geen inzicht geboden in de verkregen winsten uit verkoop van de vorige onderneming en is ook het draagkrachtformulier niet ingevuld en ingediend door eisers. Zolang de gestelde financiële problemen van eiseres als alleenstaande moeder die zorg draagt voor haar minderjarige kind niet met stukken of enig ander objectief bewijsmiddel zijn onderbouwd, kunnen ook daaraan geen conclusies worden verbonden ten aanzien van de evenredigheid van het boetebedrag. Gelet op het ontbreken van concrete informatie over de financiële draagkracht van eisers of de evenredigheid van het boetebedrag in bredere zin, bestaat er geen aanleiding om het boetebedrag op grond van evenredigheid verder te matigen.
Redelijke termijn
12. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat voor bestuurlijke boetezaken het uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn wordt overschreden, indien de uitspraak in eerste aanleg wordt gedaan later dan twee jaar na het uitbrengen van de kennisgeving. Daarbij mag de behandeling van de bestreden besluitvorming door het bestuursorgaan ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep door de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder en met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden.
Vaststaat dat de kennisgeving is gedateerd op 24 februari 2024 en dat deze uitspraak van de rechtbank is gedateerd op 20 maart 2026. Daarmee heeft de periode vanaf de kennisgeving tot en met de uitspraak van vandaag tezamen 2 jaar en 24 dagen geduurd en is sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 2 jaar. Dit betekent dat de boete van € 1.500,- met 5% moet worden verminderd tot een bedrag van € 1.425,-.
Conclusies en gevolgen
13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet op grond van artikel 8:72a Awb de mogelijkheid om tot finale geschilbeslechting te komen en stelt de bestuurlijke boete - gelet op rechtsoverweging 10 en 12.1 - vast op € 1.425,- en laat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit op bezwaar treden.
14. Er bestaat in dit geval aanleiding om verweerder tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Vanwege de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt dit bedrag op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026 vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 1).
15. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder op grond van artikel 8:74, lid 1 van de Awb ook het griffierecht van € 187,- aan eisers vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 september 2024;
- bepaalt dat het boetebedrag wordt vastgesteld op een totaal van € 1.425,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Bijlage
Arbeidstijdenwet
Artikel 1:2, eerste lid
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: een persoon jonger dan 16 jaar.
Artikel 3:1 (Begrip verantwoordelijk persoon)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder verantwoordelijke persoon:
a. de werkgever;
b. een ieder, die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen.
Artikel 3:2 (Het verbod van kinderarbeid)
1. De verantwoordelijke persoon zorgt er voor, dat een kind geen arbeid verricht.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verrichten van
a. arbeid in het kader van een alternatieve sanctie door een kind van 12 jaar of ouder, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd;
b. niet-industriële arbeid van lichte aard door een kind van 13 jaar of ouder
1° voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd, of
2° in het kader van een maatschappelijke stage als bedoeld in artikel 2.32 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
c. arbeid van lichte aard door een kind van 14 jaar of ouder voor zover deze arbeid verricht wordt naast en in samenhang met het onderwijs;
d. arbeid bestaande uit het bezorgen van ochtendkranten door een kind van 15 jaar, voor zover deze arbeid niet wordt verricht gedurende de schooltijd.
3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid.
4. De verantwoordelijke persoon leeft de nadere regels, bedoeld in het derde lid na.
Artikel 10:1, eerste lid
Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 3:2, eerste en vierde lid […].
Artikel 10:5, eerste lid
Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
Artikel 10:5, derde lid
De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.
Artikel 10:7, zesde lid
Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. […] Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013
Artikel 1. (Berekening van de bestuurlijke boete)
1. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.
2. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete;
b. overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als bijlage 2 bij deze beleidsregel is gevoegd.
Artikel 2. (Correctie aantal werknemers)
1. De in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).
2. Voor de werkgever die een van het eerste lid afwijkend aantal werknemers in dienst heeft, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes:
a. 0,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die minder dan 10 werknemers in dienst heeft (kleinbedrijf);
b. 0,75 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 10 of meer, maar minder dan 50 werknemers in dienst heeft (middenbedrijf);
c. 1,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 100 of meer werknemers in dienst heeft (grootbedrijf).
3. Een al dan niet op het aantal werknemers dat in dienst is van de werkgever gecorrigeerd normbedrag, is het uitgangsbedrag voor de eventuele verdere berekening van de bestuurlijke boete.
Artikel 5. (Maximum aantal werknemers)
1. Het maximaal in het boeterapport op te nemen aantal werknemers ter zake waarvan één of meer overtredingen is vastgesteld, bedraagt, afhankelijk van het aantal werknemers dat bij de betreffende werkgever in dienst is:
a.3 (kleinbedrijf),
b.6 (middenbedrijf),
c.9 (middelgroot bedrijf),
d.12 (grootbedrijf).
Artikel 7. (Cumulatie bestuurlijke boetes)
De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.
Bijlage 1 bij de Beleidsregel
Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet
Onderwerp Boetenormbedrag
* Kinderarbeid ○ Het verbod van kinderarbeid; € 2.000,–
[…]
* Het niet naleven van voorschriften in geval van toegestane kinderarbeid ○ Rusttijd € 200,-.
Nadere regeling kinderarbeid
Artikel 1:1, eerste, tweede en derde lid
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
[…]
– arbeid van lichte aard: werkzaamheden die niet te zwaar zijn, geen gevaar opleveren of niet schadelijk zijn voor de gezondheid;
– niet-industriële arbeid van lichte aard: arbeid van lichte aard die niet wordt verricht met of aan mechanische arbeidsmiddelen waaraan onacceptabele veiligheidsrisico’s voor een kind of zijn omgeving zijn verbonden;
– niet-industriële hulparbeid van lichte aard: niet-industriële arbeid van lichte aard die bestaat uit het verlenen van hand en spandiensten, waarbij geen sprake is van zelfstandige productiearbeid en waarbij nadrukkelijk toezicht wordt gehouden;
[…]
2. Geen arbeid van lichte aard is in ieder geval arbeid waarbij:
a. aop grond van de artikelen 3.46, 4.105, 4.106, 6.27, 7.39 of 9.36 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor jeugdige werknemers arbeid is verboden dan wel daaraan bijzondere vereisten zijn gesteld;
b. met maatregelen als bedoeld in artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit blootstelling aan psychosociale arbeidsbelasting als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet niet kan worden voorkomen of beperkt;
c. door een kind kassawerkzaamheden worden verricht;
d. door een kind niet in een gevarieerde werkhoudingen kan worden gewerkt;
e. door een kind lasten worden getild van meer dan 10 kilogram;
f. door een kind voorwerpen worden geduwd of getrokken waarbij meer dan 20 kilogram kracht nodig is, of
g. door een kind permanent persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gedragen om het risico tegen te gaan;
h. door een kind werkzaamheden worden verricht als zeevarende als bedoeld in de Wet bemanning zeeschepen, op een zeeschip als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat personen die op grond van artikel 1.2 van de Regeling bemanning zeeschepen zijn uitgezonderd, niet als zeevarende worden aangemerkt;
i. door een kind werkzaamheden worden verricht op een zeevisserschip als bedoeld in artikel 2, derde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind of zijn omgeving zijn in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden:
a. met of in de omgeving van mechanische arbeidsmiddelen waarbij brand-, elektrocutie-, knel-, plet-, snij- of valgevaar bestaat, of
[…]
c. waarbij door het kind zelfstandig en op commerciële basis maaltijden of boodschappen worden bezorgd waarbij sprake is van deelname aan het verkeer met behulp van een voertuig;
Artikel 4:1 (Kind van 13 of 14 jaar)
1. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen. Indien op zondag arbeid wordt verricht, mag op de dag voorafgaand aan de zondag geen arbeid worden verricht en er mag op ten minste vijf zondagen in elke periode van zestien achtereenvolgende weken geen arbeid worden verricht;
b. op dagen dat onderwijs wordt gevolgd geen arbeid verricht;
c. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19:00 en 07:00 begrepen is. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken in de situatie dat het kind een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aangesloten uren, waarin de periode tussen 20:00 en 07:00 begrepen is, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen;
d. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 7 uren per dag;
e. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
2. Met inachtneming van het eerste lid, onder a, c en e, wordt, indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek incidenteel niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, die bestaat uit:
a. het oppassen bij familie of kennissen,
b. het wassen van auto’s van derden,
c. het behulpzaam zijn bij het verspreiden van folders en huis- aan huisbladen, in een gezinshuishouding of op een kinderboerderij,
tevens in acht genomen, dat dat kind:
1°. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
2°. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen.
3. Met inachtneming van het eerste lid, onderdelen a, c en e, wordt, indien tijdens een schoolweek hulparbeid van lichte aard in de landbouw of in een winkel die met een woonhuis één geheel vormt, wordt verricht door een eigen, aangehuwd, pleeg- of adoptiekind van 13 of 14 jaar van de verantwoordelijke persoon, dat in dat woonhuis bij hem inwoont, tevens in acht genomen, dat dat kind:
a. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
b. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen.
Artikel 4:2 (Kind van 15 jaar)
Indien een kind van 15 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële arbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:
a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen;
b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht;
c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16 achtereenvolgende weken geen arbeid verricht;
d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19:00 en 07.00 begrepen is. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken in de situatie dat het kind een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke periode van 24 aangesloten uren, waarin de periode tussen 20:00 en 07:00 begrepen is, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen;
f. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 8 uren per dag op andere dagen;
g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.