RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.415
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 31 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Uitreiking maatregel en informatiefolder
2. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of de maatregel van bewaring en de informatiefolder op de juiste wijze zijn uitgereikt.
3. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat deze op 31 december 2025 om 10:15 uur is opgelegd en dat een afschrift daarvan onmiddellijk aan eiser is uitgereikt tezamen met een informatiebrief in een taal die eiser voldoende machtig is (Arabisch). Deze informatiebrief zit ook in het dossier. Niet is gebleken van een gebrek bij de uitreiking van de maatregel van bewaring en de informatiefolder.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
6. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Zware grond 3a is feitelijk juist, nu eiser zonder geldig reisdocument Nederland is ingereisd. Dat eiser, zoals hij stelt, in het kader van een Dublinoverdracht naar Nederland is gekomen volgt niet uit het dossier en zou ook overigens niet maken dat zware grond 3a niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, omdat uit eisers verklaringen volgt dat hij 15 tot 20 dagen onrechtmatig in Nederland verbleef zonder zich te melden bij de korpschef. Wat eiser tegen deze grond aanvoert, namelijk dat hij een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de grond. Zware gronden 3a en 3b zijn reeds voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Hij heeft astma en het verblijf in detentie heeft een negatieve invloed op zijn astmaklachten.
8. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico op onttrekking te ondervangen. Eisers medische omstandigheden zijn ook kenbaar gemaakt en voldoende gemotiveerd betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Verweerder stelt terecht dat de medische zorg in de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en dat eiser op deze medische zorg een beroep kan doen. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Beoordeling van het risico op refoulement
9. Eiser voert verder aan dat verweerder in de maatregel van bewaring ten onrechte heeft verwezen naar de beoordeling van het risico op refoulement bij het besluit van 15 november 2022. Verweerder heeft hiermee geen actuele beoordeling gemaakt van het risico op refoulement bij terugkeer. De maatregel van bewaring bevat daarom een motiveringsgebrek.
10. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij bij zijn asielaanvraag alle redenen heeft verteld waarom hij te vrezen zou hebben voor zijn leven in Algerije en dat daar geen nieuwe of andere redenen zijn bijgekomen. Verweerder heeft dan ook terecht verwezen naar het asielbesluit van 15 november 2022, nu daarin de redenen zijn betrokken waardoor eiser stelt te vrezen, en overwogen dat niet is gebleken dat moet worden afgezien van de uitzetting van eiser vanwege het beginsel van non-refoulement.
Ambtshalve toets
11. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.