[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
mede namens haar minderjarige kind,
[naam],
geboren op [geboortedatum],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië op 23 september 2025 een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 7 oktober 2025 aanvaard.
Asielaanvraag in Kroatië
5. Eiseres voert aan dat in de beschikking ten onrechte is opgenomen dat zij asiel heeft aangevraagd in Kroatië. Ze stelt verplicht haar vingerafdrukken te hebben afgegeven, en dat de Eurodac-treffer niet betekent dat zij in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. De beschikking is dan ook onvoldoende gemotiveerd op dit punt, en houdt geen rekening met haar concrete verklaring en de context waarin de vingerafdrukken zijn afgegeven. Eiseres stelt verder dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om de omstandigheden waarin zij haar vingerafdrukken heeft afgegeven, toe te lichten.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres in Kroatië haar vingerafdrukken heeft afgestaan. Het geschil richt zich op de vraag of hieruit kan worden afgeleid dat eiseres in Kroatië een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank overweegt dat uit de Eurodac-treffer volgt dat eiseres op 14 juli 2025 een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië. De rechtbank stelt verder vast dat Kroatië op 7 oktober 2025 het verzoek om terugname heeft aanvaard. De rechtbank ziet in de stelling dat eiseres verplicht was haar vingerafdrukken af te geven en zij geen asielaanvraag heeft gedaan, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om te concluderen dat geen sprake is van een asielaanvraag in Kroatië. Dat eiseres onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de omstandigheden waarin zij haar vingerafdrukken heeft afgegeven, volgt de rechtbank evenmin. Uit het verslag gehoor aanmeldfase blijkt immers dat eiseres over deze omstandigheden heeft verklaard. In beroep is niet aangevoerd waarover eiseres nog meer had willen verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is Kroatië op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening dan ook verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres in Nederland.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres stelt dat zij bij overdracht naar Kroatië blootgesteld wordt aan onmenselijke en vernederende behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest, en dat er onvoldoende toegang is tot medische zorg en adequate opvang. Eiseres stelt hieraan blootgesteld te zijn tijdens haar eerdere verblijf in Kroatië. Ook wijst ze op de AIDA-rapporten van 2023 en 2024, onderzoeken van The Protection Rights at Borders en een artikel van EenVandaag ten aanzien van pushbacks en de mensonterende omstandigheden aan de grens. Bovendien wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen reguliere asielzoekers en Dublinclaimanten. Om deze redenen kan volgens eiseres ten aanzien van Kroatië niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bovendien stelt eiseres dat het niet mogelijk is om effectief te klagen bij de Kroatische autoriteiten, en hierbij verwijst ze naar een uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van 6 december 2023.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van9 oktober 2024, welke uitspraak nadien meerdere keren is bevestigd, volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië. De Afdeling is daarbij ook ingegaan op de door eiseres genoemde pushbacks en de aangehaalde rapporten. De rechtbank overweegt verder dat eiseres, bij problemen, zich kan wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten in Kroatië. Niet is gebleken dat het niet mogelijk is om effectief te klagen bij de autoriteiten.
Artikel 17
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister onterecht heeft geconcludeerd dat er geen redenen bestaan om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. De concrete feiten en onafhankelijke bronnen over de situatie in Kroatië en het ontbreken van effectieve rechtsbescherming maken aannemelijk dat eiseres zal worden blootgesteld aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De door eiseres aangehaalde bronnen en de gestelde eerdere ervaringen in Kroatië zijn door de minister voldoende betrokken bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft in het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiseres aanvoert geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Kroatië af te zien. Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiseres tijdens een eerder verblijf in Kroatië rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Kroatië getuigt van onevenredige hardheid.
Belangen van het kind
8. Tot slot stelt eiseres dat overdracht naar Kroatië een negatief effect kan hebben op de ontwikkeling van haar kind, omdat zij als ouder mogelijk onvoldoende bescherming en zorg kan bieden als gevolg van de eerdere omstandigheden in Kroatië. Eiseres is van mening dat de belangen van haar minderjarige kind zwaarder wegen dan de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op Kroatië, en dat Nederland haar asielaanvraag inhoudelijk dient te behandelen zodat het welzijn en de ontwikkeling van het kind gewaarborgd blijven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van het kind van eiseres voldoende bij de besluitvorming betrokken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening de situatie van minderjarige kinderen onlosmakelijk verbonden is met de situatie van dat gezinslid en het in het belang van dochter is dat zij bij eiseres blijft. Daarnaast zijn er geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat een overdracht naar Kroatië onevenredige nadelige gevolgen heeft voor de dochter van eiseres.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres kan worden overgedragen aan Kroatië. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt doormiddel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.