RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag] 2018, van Egyptische nationaliteit, eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/5388
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2018. Na haar geboorte is zij te vondeling gelegd en terechtgekomen in een weeshuis in Egypte in de plaats [geboorteplaats] . Eiseres verbleef totdat zij vier jaar was in het weeshuis.
[persoon 1] (referent, de pleegvader) en [persoon 2] (referente, de pleegmoeder) zijn referenten in deze zaak. Zij zijn op 3 maart 2016 gehuwd in Egypte en hebben een huis in [plaats] . Referenten hebben beide de Nederlandse nationaliteit. De pleegvader heeft ook de Egyptische nationaliteit. Met een overeenkomst van
20 februari 2022 hebben referenten eiseres aangenomen als hun pleegkind in Egypte.
Op 25 mei 2023 hebben referenten voor eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’.
Met het primaire besluit van 31 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft namelijk geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en komt niet in aanmerking voor een vrijstelling daarvan. Volgens verweerder is de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referenten niet aangetoond. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres geen aanvaardbare toekomst heeft in Egypte, nu eiseres in Egypte niet tot het gezin van referenten behoorde. Referenten hadden hun hoofdverblijf in Nederland en eiseres woonde in een kindertehuis. Verder is verweerder niet gebleken dat eiseres gedurende één jaar door referenten werd verzorgd en opgevoed in Egypte. Verweerder ziet ook niet dat uitzetting van eiseres in strijd is met artikel 8 van het EVRM .
Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder stelt zich onverminderd op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referenten niet is aangetoond en dat niet is gebleken dat eiseres geen aanvaardbare toekomst heeft in Egypte. De overgelegde geboorteakte is niet gelegaliseerd en hierop staan fictieve namen van referenten. Verweerder hecht daarom niet veel waarde aan de geboorteakte. Verder stelt verweerder dat onvoldoende is aangetoond dat referenten gedurende één jaar in Egypte feitelijk alle zorg- en opvoedingstaken op zich hebben genomen ten aanzien van eiseres. Verweerder ziet wederom niet dat uitzetting van eiseres in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben [persoon 2] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het vooronderzoek hervat, omdat op de zitting is gebleken dat verweerder een aantal originele stukken wenste te controleren op echtheid. Deze originele stukken bevonden zich in het dossier van de lopende adoptieprocedure, bij de afdeling Familiezaken van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft contact gehad met de afdeling Familiezaken van de rechtbank Amsterdam. Deze afdeling heeft laten weten dat referente, via haar advocaat in die procedure, in de adoptieprocedure kan verzoeken om de originele stukken naar haar toe te sturen.
Referente heeft de stukken na ontvangst doorgestuurd naar verweerder. Verweerder heeft vervolgens op 30 januari 2026 gereageerd en heeft deze reactie gebaseerd op een rapport van Bureau Documenten van 26 januari 2026. Referente heeft vervolgens op
6 februari 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij nog een nadere zitting wensen. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Belang van het kind
3. De rechtbank stelt voorop dat zij in deze uitspraak telkens rekening heeft gehouden met het belang van het kind, zoals dat is neergelegd in artikel 3 van het IVRK. Dit artikel heeft rechtstreekse werking en hieruit volgt dat bij alle maatregelen die betrekking hebben op een kind, de belangen van een kind voorop moeten staan. Vaststaat dat de huidige procedure al lang voortduurt en dat eiseres al lange tijd in onzekerheid verkeert. Het is in het belang van eiseres dat er voortgang wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt in deze procedure.
Toetsingskader
In artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) staat: ‘De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.’
Uit paragrafen B7/3.7.2.1 en 3.7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt dat verweerder aanneemt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd als het kind:
in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort; en
minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen.
Verweerder neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De pleegouders hoeven geen bloed- of aanverwant te zijn van het kind.
In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent verweerder uitsluitend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
de pleegouders die het kind minimaal een jaar hebben verzorgd en opgevoed in het land van herkomst hebben in die periode de voogdij over het kind gekregen;
de voogdij van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst; en
de autoriteiten van het land van herkomst stemmen in met het vertrek naar en het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders in Nederland.
Familierechtelijke relatie
Eiseres voert aan dat de familierechtelijke relatie tussen haar en referenten wel voldoende is aangetoond. In de beroepsgronden en op de zitting heeft referente uitgelegd hoe de pleegprocedure in Egypte is verlopen. Na haar geboorte is eiseres te vondeling gelegd en terechtgekomen in een weeshuis in Egypte in de plaats [geboorteplaats] . Met een overeenkomst van 20 februari 2022 (de voogdijbeschikking) hebben referenten eiseres officieel aangenomen als hun pleegkind. Zij hebben toestemming gekregen van de Egyptische overheid om eiseres de achternaam van de pleegvader te geven. Op de geboorteakte van eiseres staan fictieve namen van referenten vermeld. Referente heeft daartoe een verklaring van het Egyptische ministerie van Sociale Zaken overgelegd (‘To who it may concern’-verklaring van 18 juli 2022), waarin staat aangegeven dat de namen van referenten fictief zijn, om zo een geboorteakte van eiseres te verkrijgen. Op die verklaring staat ook dat het Egyptische ministerie van Sociale Zaken er geen bezwaar tegen heeft als eiseres bij referenten in Nederland zou verblijven, nu zij haar enige verzorgende familie zijn en verantwoordelijk zijn voor alle aspecten van de verzorging van eiseres. Sinds 20 februari 2022 zorgen referenten voor eiseres, in hun huis in [plaats] in Egypte. Het Egyptische ministerie van Sociale Zaken is bij referenten op bezoek gekomen in [plaats] om te kijken hoe het met eiseres gaat in haar nieuwe omgeving. Referente benadrukt dat de procedure is verlopen via het hoogste bevoegde orgaan in Egypte, namelijk het Egyptische ministerie van Sociale Zaken. Zij heeft alle relevante en beschikbare documenten overgelegd.
De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat het in deze zaak gaat om de familierechtelijke relatie tussen ouders en hun pleegkind. In het bestreden besluit heeft verweerder hierover gezegd dat met een buitenlands pleegkind wordt bedoeld een kind dat in zijn of haar belang naar Nederland wordt gehaald. Niet bedoeld wordt een kind dat voor adoptie naar Nederland komt. Het kind moet worden opgenomen in een pleeggezin. Ook moeten de pleegouders de plaats van de biologische of juridische ouders innemen.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank de originele stukken door Bureau Documenten laten onderzoeken. Bureau Documenten heeft de volgende documenten onderzocht:
Uittreksel geboorteregister, afgegeven op 2 april 2024 te [geboorteplaats] ;
Uittreksel geboorteregister, afgegeven op 7 juni 2018 te [geboorteplaats] ;
Uittreksel huwelijksregister, afgegeven op 4 april 2016;
Uittreksel geboorteregister, afgegeven op 11 juni 2024;
Voogdijbeschikking;
Verklaring autoriteiten (‘To who it may-concern’), afgegeven op 18 juli 2022;
Voogdijbeschikking, afgegeven op 20 februari 2022 te [plaats] .
Bureau Documenten heeft de echtheid van zes van de zeven documenten als positief beoordeeld. Alleen van de laatste voogdijbeschikking (document 7) heeft Bureau Documenten geen uitspraak gedaan over de echtheid, gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal.
Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referenten nog niet is vast komen te staan. Uit het openbare rapport van [bedrijf 1] genaamd [bedrijf 2] komt naar voren dat bij een kind dat te vondeling is gelegd een ‘special file’ moet zijn opgemaakt, waarop onder meer de datum van de vondst van het kind moet zijn vermeld, de locatie van de vondst, de geschatte leeftijd, het geslacht, de naam en het adres van de persoon die het kind heeft gevonden en de naam die aan het kind is gegeven door de politie. Het uittreksel van het geboorteregister dat referente nu heeft overgelegd bevat deze informatie niet. Volgens verweerder valt niet in te zien waarom referente vanaf het begin van de procedure heeft verklaard dat eiseres te vondeling is gelegd, terwijl op het uittreksel haar biologische ouders zijn vermeld. Verweerder vindt het vreemd dat uit de ‘To who it may concern’-verklaring valt af te leiden dat eiseres wees is na het overlijden van haar ouders, terwijl referente heeft verklaard dat eiseres te vondeling is gelegd. Verweerder wijst er verder op dat Bureau Documenten niets kan zeggen over de inhoud en de afgifte van de afgegeven documenten. Verweerder hecht daarom niet de waarde aan de stukken die referente eraan gewenst ziet.
De rechtbank stelt vast dat zes van de stukken die door referente zijn overgelegd door verweerder positief zijn beoordeeld op echtheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan referente niet worden tegengeworpen dat de laatste voogdijbeschikking niet kon worden beoordeeld op echtheid, omdat voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal ontbreekt. Nu de overgelegde stukken echt zijn bevonden en deze stukken afkomstig zijn van de Egyptische autoriteiten, is de rechtbank van oordeel dat er vanuit moet worden gegaan dat de Egyptische autoriteiten de pleegprocedure hebben gesteund en dat de pleegprocedure zorgvuldig is verlopen.
De rechtbank overweegt verder dat eiseres heeft gedaan wat zij kon in deze situatie. Zij heeft alle relevante stukken overgelegd die zij tot haar beschikking heeft. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dat alle relevante documenten zijn. Van deze documenten moet worden uitgegaan in deze procedure. De enkele verwijzing naar een openbaar rapport dat melding maakt van een ‘special file’ door verweerder is, gelet op de wel overlegde en echt bevonden stukken, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
De rechtbank volgt verweerder verder niet in zijn standpunt dat niet de gewenste waarde kan worden gehecht aan de documenten, omdat Bureau Documenten niets kan zeggen over de inhoud en de afgifte daarvan. Bureau Documenten gaat namelijk ook niet over de inhoud van deze documenten. Bureau Documenten beoordeelt slechts de echtheid van documenten die als bewijs dienen bij een aanvraag om verblijf. De rechtbank is van oordeel dat als verweerder blijft twijfelen aan de inhoud van de documenten, het dan op de weg van verweerder had gelegen om deze twijfel op te helderen. Verweerder had om de twijfel op te helderen naar de Egyptische autoriteiten kunnen gaan en had daar de pleegprocedure kunnen verifiëren. Nu verweerder dat niet heeft gegaan, moet naar het oordeel van de rechtbank er worden uitgegaan van de echt bevonden documenten en dat de pleegprocedure zorgvuldig en (volgens de Egyptische autoriteiten) rechtmatig is verlopen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat referente vanaf het begin van de procedure heeft verklaard dat eiseres te vondeling is gelegd, terwijl op het uittreksel haar biologische ouders zijn vermeld. Het overlijden van de ouders en het te vondeling leggen hoeft elkaar namelijk niet uit te sluiten. Daarbij heeft referente erop gewezen dat op grond van de Egyptische wetgeving het niet is toegestaan om pleegouder te worden indien de biologische ouders bekend zijn. De rechtbank volgt referente in dit standpunt, nu de rechtbank al heeft vastgesteld dat er, gelet op de echt bevonden documenten, vanuit moet worden gegaan dat de Egyptische autoriteiten de pleegprocedure hebben gesteund en dat de pleegprocedure zorgvuldig is gelopen.
Alles in overweging nemende is de rechtbank van oordeel dat voldoende is aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen eiseres en referenten.
Pleegkindbeleid
Eiseres voert aan dat is voldaan aan de voorwaarde dat het pleegkind minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen. Vanaf het moment dat referenten eiseres hebben aangenomen als pleegdochter, verrichten ze voor haar de feitelijke zorg- en opvoedtaken. Voor zover verweerder heeft tegengeworpen dat referente niet het hele jaar hoofdverblijf heeft gehad in Egypte, voert eiseres aan dat uit de wet geen harde voorwaarde blijkt dat referenten beiden het hoofdverblijf in Egypte moeten hebben gehad. Het is niet ongebruikelijk dat één van de ouders kostwinnaar is, zoals hier ook het geval is; referente is kostwinnaar en werkt als docente in Nederland. Tijdens alle schoolvakanties is zij naar Egypte gegaan en ook buiten de schoolvakanties om heeft zij zo veel mogelijk tijd met eiseres doorgebracht. In de tijd dat zij in Nederland was, heeft zij via videobellen contact gehad met eiseres en op die manier zorgtaken verricht. De pleegvader is in ieder geval het hele jaar in Egypte verbleven en heeft daar de zorgtaken verricht. Hij was fulltime aanwezig om voor eiseres te zorgen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de inhoudelijke voorwaarden van het pleegkindbeleid, nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat referenten eiseres minimaal één jaar in het land van herkomst hebben verzorgd en opgevoed.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals in rechtsoverweging 4.2 reeds is overwogen, volgt uit het pleegkindbeleid dat verweerder aanneemt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd als het kind in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort en minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen. De rechtbank stelt vast dat hieruit niet als zodanig volgt dat allebei de pleegouders onafgebroken één jaar lang in het land van herkomst aanwezig moeten zijn geweest om te zorgen voor het pleegkind.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gegeven omstandigheden in deze zaak voldoende om te stellen dat eiseres minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders. Gebleken is dat de pleegvader zijn hoofdverblijf had in Egypte en daar – in ieder geval één jaar – in Egypte voor eiseres heeft gezorgd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van de Egyptische huisarts, waaruit volgt dat eiseres iedere drie maanden op controle kwam bij de huisarts en dat de pleegvader altijd aanwezig was bij deze controles. Referente kon in verband met haar werk niet de gehele periode in Egypte zijn. Gebleken is echter dat zij bij elke gelegenheid dat zij kon naar Egypte is gegaan om voor eiseres te zorgen. Van haar werkgever heeft zij langere periodes vrij gekregen, om langer bij eiseres in Egypte te kunnen zijn. In de periodes dat zij niet bij eiseres kon zijn, heeft zij telkens met haar contact gehad via videobellen. Op de zitting heeft zij toegelicht dat zij via videobellen ook zorgtaken verricht. Zo heeft referente eiseres binnen anderhalf jaar de Nederlandse taal geleerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat referenten eiseres minimaal één jaar in het land van herkomst hebben verzorgd en opgevoed. Naar het oordeel van de rechtbank hebben referenten voldoende aangetoond dat zij wel voldoen aan deze voorwaarde.
Geen geldige mvv
7. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres voldoet aan de voorwaarden van het pleegkindbeleid, moet zij worden aangemerkt als het pleegkind van referenten. Zij komt daarom in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier, met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’, op grond van artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb en in samenhang met paragrafen B7/3.7.2.1 en 3.7.2.2 van de Vc. Gebleken is dat eiseres zich inmiddels buiten Nederland bevindt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres daarom niet meer kan tegenwerpen dat zij niet beschikt over een geldige mvv. De rechtbank draagt verweerder daarom op om eiseres in het bezit te stellen van een mvv.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank maakt gebruik van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en verweerder opdragen om aan eiseres een mvv te verlenen binnen één week vanaf de datum van verzending van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
De rechtbank realiseert zich dat zij terughoudend moet omgaan met de mogelijkheid om zelf te voorzien in zaken als deze, onder meer gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2021. De rechtbank wijst er echter op dat in deze zaak geen sprake is van een belangenafweging die door verweerder moet worden gemaakt, maar dat sprake is van feitelijke voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak voldoende duidelijk dat aan deze voorwaarden is voldaan. Daarbij is het, zoals in overweging 3 al is overwogen, in het belang van eiseres dat er voortgang wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt in deze procedure. De rechtbank heeft daarom ruimte gezien om in deze zaak zelf te voorzien en verweerder op te dragen de verzochte verblijfsvergunning te verlenen.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, omdat eiseres in de beroepsprocedure niet is bijgestaan door een professionele gemachtigde. Er is ook geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht, omdat eiseres is vrijgesteld van betaling daarvan.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.