RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/19009 (beroep)
AWB 24/18479 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1997, met de Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: F. Belfor ),
en
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar. Daarnaast geeft de voorzieningenrechter in deze uitspraak een oordeel over eisers verzoek om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat hiermee uitspraak wordt gedaan op het beroep, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: is het bestreden besluit onnodig formalistisch? Kan eiser een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel doen? Is het bestreden besluit onevenredig bezwarend? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘familie- en gezinsleven’ om bij zijn zoon in Nederland te kunnen verblijven. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 afgewezen. Mr. F. Belfor heeft op 3 oktober 2024 namens eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 september 2024.
Op 15 oktober 2024 heeft de minister verzocht om een machtiging te overleggen, waaruit blijkt dat eiser mr. F. Belfor gemachtigd heeft om namens hem bezwaar in te dienen. Op 28 oktober 2024 is een machtiging overgelegd waarin mr. D. Kumankumah wordt gemachtigd om namens eiser in rechte op te treden. Omdat geen machtiging is overgelegd voor de in het bezwaarschrift genoemde gemachtigde van eiser, mr. F. Belfor , heeft de minister met het besluit van 4 november 2024 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. In beroep heeft eiser alsnog een machtiging voor mr. F. Belfor overgelegd.
De minister heeft op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
Eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
De rechtbank heeft het verzoek op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F. Belfor , mr. D. Kumankumah en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is het bestreden besluit onnodig formalistisch?
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onnodig formalistisch is en verder gaat dan de wettelijke eisen die aan een bezwaarschrift worden gesteld. Het doel van het machtigingsvereiste in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is om te waarborgen dat de belangen van een belanghebbende op zorgvuldige wijze worden behartigd door een bevoegde vertegenwoordiger. Mr. F. Belfor is stagiair bij het kantoor van mr. D. Kumankumah , die haar stagebegeleider is. Laatstgenoemde heeft de machtiging ondertekend. Eiser wordt dus uiteindelijk bijgestaan door een gemachtigde – mr. D. Kumankumah – met de nodige ervaring en bevoegdheid. Een eis tot ondertekening door de stagiair draagt op geen enkele wijze bij aan de materiële bescherming van cliënt. Een dergelijke interpretatie is onnodig formalistisch gaat voorbij aan het doel van het machtigingsvereiste. De Awb bevat bovendien ook geen specifieke bepaling die voorschrijft dat een machtiging op naam van een stagiair moet staan, zolang deze handelt onder begeleiding van een bevoegde gemachtigde.
De rechtbank overweegt dat in de eerste plaats het doel van een schriftelijke machtiging is om na te gaan of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde belanghebbende aandient, daartoe werkelijk bevoegd is. Dit is van belang, omdat bij een dergelijke vorm van vertegenwoordiging handelingen van de vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde worden toegerekend. Een machtiging wordt daarmee altijd verleend aan een individu, niet aan een geheel kantoor of ander overkoepelend samenwerkingsverband. Dat mr. F. Belfor bij hetzelfde kantoor werkt als mr. D. Kumankumah maakt daarom niet dat een machtiging voor de een ook ingezet kan worden voor de ander. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen blijk geeft van onnodig formalisme en dat het ook geen onnodige eisen stelt die voorbijgaan aan het doel van het machtigingsvereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel doen?
4. Volgens eiser heeft de minister in vergelijkbare procedures vaker machtigingen voor mr. D. Kumankumah geaccepteerd voor handelingen van stagiairs zoals mr. F. Belfor . Deze werkwijze heeft eerder niet geleid tot ontvankelijkheidsproblemen. Dat de minister hier nu wel een probleem van maakt is afwijkend en leidt tot onduidelijkheid.
De rechtbank begrijpt deze grond als een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat inhoudt dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden.
Tijdens de zitting heeft eiser een aantal V-nummers genoemd van procedures waarin een machtiging voor mr. D. Kumankumah zou zijn geaccepteerd voor de indiening van een bezwaarschrift door mr. F. Belfor . De gemachtigde van de minister heeft deze V-nummers meteen op de zitting in het systeem van de IND gecontroleerd. Uit het systeem bleek dat in alle genoemde procedures het bezwaarschrift was ingediend door mr. F. Belfor en dat er ook een machtiging was overgelegd voor mr. F. Belfor . Eiser heeft deze verklaring van de gemachtigde van de minister tijdens de zitting niet bestreden.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft namelijk niet met onderbouwing aannemelijk gemaakt dat de minister eerder wel machtigingen voor mr. D. Kumankumah heeft geaccepteerd voor handelingen van stagiairs. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het verweerschrift pas kort voor de zitting is ingediend en dat zijn gemachtigde daarom weinig tijd heeft gehad om naar V-nummers te zoeken om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Eiser heeft namelijk al een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in het beroepschrift, dat hij ruim een maand voor de zitting heeft ingediend. Vanaf dat moment bestond er ruim de tijd om voorbeelden te verzamelen en in te brengen.
De beroepsgrond slaagt niet
Is het bestreden besluit onevenredig bezwarend?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onevenredig bezwarend is, aangezien het zijn toegang tot rechtsmiddelen in gevaar brengt. Zijn bezwaar is nu niet-ontvankelijk verklaard vanwege een ‘onjuiste’ vermelding van een naam, zonder dat deze ‘onjuiste’ vermelding enige inhoudelijke gevolgen heeft voor zijn belangenbehartiging.
Eisers recht om een inhoudelijk oordeel te krijgen over zijn aanvraag wordt hierdoor geschonden, wat ook negatieve gevolgen heeft voor zijn verblijfssituatie en gezinsleven. Het belang van eiser bij een inhoudelijk oordeel weegt zwaarder dan het vermeende belang van een exacte naamvermelding.
Het evenredigheidsbeginsel is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, en houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is dus niet het tegengaan van alle nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. Een besluit met ‘harde’ gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. De evenredigheid van een besluit wordt getoetst aan de hand van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. De bestuursrechter moet van geval tot geval, in het verlengde van de tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden, bepalen of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid (uitdrukkelijk) bij de toetsing moeten worden betrokken.
Eisers beroepsgrond komt erop neer dat hij het besluit onevenwichtig vindt. De rechtbank zal daarom de geschiktheid en noodzaak van het bestreden besluit onbesproken laten.
De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft toegelicht of onderbouwd waarom hij zodanig hard wordt getroffen door het bestreden besluit, dat het niet langer evenwichtig genoemd kan worden. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is dat eiser nu geen inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag heeft gekregen. Dit is echter een inherent gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, die – zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld – de toets van het recht doorstaat. Het staat eiser daarnaast vrij een nieuwe aanvraag in te dienen. Er is niet gesteld of gebleken dat dit niet haalbaar zou zijn voor eiser of dat het tijdverloop dat hiermee gepaard gaat voor eiser onevenredige gevolgen zou hebben, ook nu niet is gebleken dat de minister concrete uitzettingshandelingen of voorbereidingen daartoe tegen eiser heeft getroffen. Mocht de minister dit op enig moment wel doen, dan kan eiser hiertegen bezwaar dan wel beroep instellen en hangende dit beroep om een voorlopige voorziening vragen om de uitzetting op te schorten. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat het bestreden besluit onevenredig bezwarend is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar in stand blijft.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak AWB 24/19009:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 24/18479:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.