ECLI:NL:RBDHA:2026:6233

ECLI:NL:RBDHA:2026:6233

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer NL25.56671
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asielaanvraag Albanees met Griekse nationaliteit. Terecht niet-ontvankelijk (NO) verklaard op grond van Protocol nr. 24 bij VWEU. Ten onrechte geen schorsende werking aan beroep toegekend. Beroep gegrond, maar rechtsgevolgen van afwijzing NO blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56671

V-nummer: [nummer 1] ,

mede namens zijn minderjarige kind:

[naam 2] ,

V-nummer: [nummer 2]

(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

(gemachtigde: mr. I van Es).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft de Albanese en Griekse nationaliteit. De minister heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie. Eiser is het niet eens met de afwijzing en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.

De rechtbank oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring stand houdt, maar dat het bestreden besluit ten onrechte vermeldt dat het beroep geen schorsende werking heeft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 april 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 13 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en besluitvorming

3. Eiser is geboren op [datum 1] en heeft de Albanese en Griekse nationaliteit. Zijn zoon is geboren op [datum 2] en heeft de Albanese nationaliteit. De minister heeft nog niet vastgesteld of eiser rechtmatig verblijf ontleend aan het Unierecht. Een ambtshalve beoordeling daarover volgt.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met een criminele groepering in Albanië. Eiser heeft onder meer verklaard dat zijn partner en kind door hen vastgehouden en mishandeld zijn en dat hij door hen wordt bedreigd. Eiser is met zijn zoon eerst naar Italië en Frankrijk gevlucht, totdat hij daar is gevonden door de criminele groep. Vervolgens is hij naar Nederland gevlucht. Hij heeft asiel aangevraagd op advies van de gemeente en politie. Eiser heeft verder verklaard dat hij en zijn zoon door de problemen psychische klachten hebben en hiervoor worden behandeld. Met betrekking tot Griekenland heeft eiser verklaard dat hij daar eerder tien jaar heeft gewoond en dat zijn zoon de Griekse nationaliteit kan krijgen. Volgens eiser kan hij echter niet terug naar Griekenland als alleenstaande ouder, omdat hij daar de militaire dienstplicht moet vervullen en een boete opgelegd heeft gekregen voor het niet vervullen van de dienstplicht. Ook verwacht eiser daar geen hulp of bescherming.

De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol, omdat eiser een Europees onderdaan is. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en zijn zoon heeft op grond van de Griekse nationaliteitswet automatisch de Griekse nationaliteit verkregen. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indien nodig kan eiser om hulp en bescherming vragen bij de Griekse autoriteiten voor zijn gestelde problemen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij dit heeft gedaan. Volgens de minister is ook niet gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om hulp te vragen. Ook is niet gebleken dat de Griekse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. De minister laat de door eiser gestelde problemen in Albanië om deze redenen buiten beschouwing. Met betrekking tot de situatie van eisers zoon heeft de minister gesteld dat eiser medische en psychische hulp voor zijn zoon kan vragen in Griekenland. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij deze medische hulp niet zou kunnen krijgen.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat hij in beroep heeft aangevoerd, voor zover dit van belang is.

Verwijzing naar de zienswijzen

4. Eiser heeft in beroep allereerst verzocht zijn zienswijzen van 8 en 30 september 2025 als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in zijn zienswijzen heeft aangevoerd. Het enkele verwijzen naar de zienswijzen in beroep, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.

Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag

5. Eiser heeft aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser beschikt niet over Griekse identiteitsdocumenten en kan daarom niet zelfstandig terugkeren. Op zitting is gesteld dat eiser documenten alleen in Griekenland kan aanvragen en dat hem door de Griekse autoriteiten zou zijn aangezegd dat hij maximaal één maand in Griekenland mag verblijven. Eiser heeft verder betoogd dat zijn zoon in Griekenland niet de benodigde zorg en medische behandeling kan ontvangen. Een stabiele omgeving is in het belang van het kind en dit moet de eerste overweging zijn. De minister heeft echter geen overwegingen gewijd aan de bijzondere medische behoeften van eisers zoon. Ter onderbouwing zijn medische stukken overgelegd en is gewezen op punt 29 en 33 van de considerans van de Procedurerichtlijn. Op zitting heeft eiser het beroep op de Procedurerichtlijn laten vallen, maar is ter nadere onderbouwing gewezen op artikel 24 van het Handvest.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser de Griekse nationaliteit heeft. Ook heeft eiser niet betwist dat aan zijn zoon daarom de Griekse nationaliteit toekomt. Op grond hiervan mag ervan worden uitgegaan dat zij toegang hebben tot Griekenland en als onderdanen daar mogen verblijven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen over het aanvragen van documenten of de gestelde maximale verblijfsduur in Griekenland, omdat hij deze niet heeft onderbouwd. Eisers stelling dat zelfstandige terugkeer onmogelijk is kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Daarbij stelt de rechtbank vast dat aan eiser geen terugkeerbesluit is opgelegd, maar in het bestreden besluit staat vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve beoordeling over een verblijfsrecht op grond van het Unierecht.

De rechtbank overweegt dat de lidstaten van de Europese Unie elkaar beschouwen als veilige landen van herkomst in asielzaken. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ligt daaraan ten grondslag. Een asielaanvraag van een Unieburger wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie genoemd in het enig artikel, sub a tot en met d, van het Protocol. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat de hierin genoemde omstandigheden zich niet voordoen met betrekking tot Griekenland. Gesteld, noch gebleken is dat in Griekenland ten aanzien van onderdanen wordt afgeweken van het EVRM, of dat een artikel 7-procedure aanhangig is tegen Griekenland. Dit betekent dat alleen de vraag voorligt of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval niet ten aanzien van Griekenland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij als onderdaan door terugkeer naar Griekenland, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser de Griekse autoriteiten om bescherming kan vragen, als dat nodig is. Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser en zijn zoon in Griekenland medische zorg kunnen krijgen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk is, of dat de Griekse autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de besluitvorming voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind. De minister heeft kunnen volstaan met de motivering dat in Griekenland psychische zorg mogelijk is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers zoon gebaat is bij een stabiele omgeving, is onvoldoende onderbouwd dat een eventuele terugkeer naar Griekenland een onomkeerbare achteruitgang zal inhouden en daarom in strijd is met artikel 24 van het Handvest. Anders dan eiser heeft gesteld, blijkt de rechtbank uit de medische stukken van Franse behandelaars en brieven van Accare niet dat een wisseling van omgeving en behandelaars de medische klachten verergerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op zitting heeft aangegeven dat zijn zoon op dat moment niet onder medische behandeling stond in Nederland. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Schorsende werking van het beroep

6. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat de minister niet het juiste rechtsgevolg heeft verbonden aan de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de asielaanvraag. De minister heeft in het besluit ten onrechte gesteld dat eiser de beroepsprocedure niet in Nederland mag afwachten, terwijl anderzijds is vermeld dat hij rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve toets aan het Unierecht.

De rechtbank stelt vast dat de minister eisers asielaanvraag op grond van het Protocol niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aanvraag is niet afgewezen op grond van artikel 30a van de Vw. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit schorsende werking heeft op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw. De uitzonderingen op deze hoofdregel zijn niet van toepassing op de situatie van eiser. Dat betekent dat het beroep in Nederland mocht worden afgewacht. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte het tegenovergestelde vermeld. De beroepsgrond slaagt daarom.

Conclusie

7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond, De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit vermeldt dat het beroep hiertegen geen schorsende werking heeft, omdat dit in strijd is met artikel 82 van de Vw. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige in stand te laten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De minister heeft de asielaanvraag van eiser namelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren. Dat in het bestreden besluit aan het beroep geen schorsende werking is toegekend, maakt het voorgaande niet anders. Niet is gesteld of gebleken dat eiser als gevolg van het ontbreken van schorsende werking in materiële zin is benadeeld, nu het besluit ook vermeldt dat eiser rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de ambtshalve beslissing over een verblijfsrecht op grond van het Unierecht.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?