uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41057
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 15 juli 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Amazigh-bevolkingsgroep en in Algerije discriminatie heeft ondervonden door onder meer klasgenoten en buurtgenoten vanwege zijn etniciteit. Daarnaast heeft eiser in 2019 twee of drie keer deelgenomen aan Hirak-demonstraties tegen de toenmalige president, waarbij hij een Amazigh-vlag droeg. Tijdens een demonstratie in mei 2019 is hij aangehouden, kort vastgehouden en gewaarschuwd dat hij niet opnieuw met de Amazigh-vlag mocht demonstreren. Eiser vreest bij terugkeer naar Algerije problemen vanwege zijn etniciteit en zijn deelname aan de Hirak-demonstraties. Daarnaast meent eiser bij terugkeer naar Algerije geen onderdak te hebben, over onvoldoende financiële middelen te beschikken en geen werk te kunnen vinden.
2. Bij besluit van 29 augustus 2023 is eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Op 27 december 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 augustus 2025 heeft de Afdeling het door verweerder ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Vooraf aan de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder een nieuw besluit genomen op 15 juli 2025 en eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij bericht van 1 december 2025 heeft verweerder het besluit van 15 juli 2025 ingetrokken. Naar aanleiding van de intrekking van het besluit van 15 juli 2025 heeft eiser het beroep ingetrokken.
3. Op 22 augustus 2025 heeft verweerder het bestreden besluit genomen en de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde discriminatie vanwege eisers etniciteit, evenals zijn deelname aan Hirak-demonstraties en de gestelde inverzekeringstelling, zijn met toepassing van paragraaf C1/4.1 van de Vc in het midden gelaten, omdat deze motieven, ook indien geloofwaardig, niet leiden tot vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft wel aangenomen dat sprake is van een politieke overtuiging. Echter, niet is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de Algerijnse autoriteiten staat. Ook is niet gebleken dat eiser zich bij terugkeer openlijk en actief politiek zal uiten of dat zijn politieke overtuiging zodanig sterk is dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verder acht verweerder de gestelde discriminatie vanwege eisers etniciteit onvoldoende zwaarwegend om te kwalificeren als vervolging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat hij zijn gestelde relatie niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens eiser blijkt uit landeninformatie over de Hirak-beweging dat personen die daarbij betrokken zijn geweest blijvend in de negatieve belangstelling van de Algerijnse autoriteiten staan. Eiser stelt dat hij na zijn arrestatie niet meer politiek actief is geweest, omdat hij wist dat deelnemers aan de Hirak worden gemonitord en hem was meegedeeld dat hij niet opnieuw mocht demonstreren. Dat hij nadien geen zichtbare problemen heeft ondervonden, betekent niet dat hij niet in de negatieve belangstelling staat. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn etniciteit in samenhang met zijn deelname aan de demonstraties. Deze combinatie verhoogt het risico die verweerder in zijn risicoprofiel behoort te betrekken. Verder heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat zijn politieke overtuiging gering is en dat hij zich bij terugkeer niet politiek zal uiten. Volgens eiser heeft hij zich na zijn arrestatie juist om veiligheidsredenen gedeisd gehouden. Hij stelt bij terugkeer zijn politieke overtuiging niet vrij te kunnen uiten uit vrees voor vervolging. Tot slot stelt eiser dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat hij nog onder de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en zijn terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Politieke overtuiging en discriminatie
5. De voorwaarden in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn zijn overgenomen in artikel 31, van de Vw. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling zijn asielrelaas aannemelijk moet maken. In voorkomende gevallen dient verweerder in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het asielrelaas vast te stellen. Daarbij wordt meegewogen dat verklaringen vaak niet volledig met documenten kunnen worden onderbouwd. Ook telt de aansluiting bij andere bronnen, zoals landeninformatie, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de Werkinstructie 2024/6.
6. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling onder artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw, is uitgegaan van de verklaringen van eiser. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het tweede en derde asielmotief in het midden gelaten en vervolgens beoordeeld of deze motieven, ook indien geloofwaardig, tot vergunningverlening kunnen leiden. Die werkwijze is op zichzelf niet in strijd met het Unierechtelijke beoordelingskader. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022. Voor zover eiser stelt dat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is bevonden, wordt dit niet gevolgd, nu de geloofwaardigheid van zijn relaas in het midden is gelaten.
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Algerijnse autoriteiten staat of bij terugkeer zal komen te staan. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser slechts twee of drie keer heeft deelgenomen aan demonstraties, geen lid was van een politieke organisatie en na zijn aanhouding niet is vervolgd of bestraft. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard na zijn aanhouding geen politieke activiteiten meer te hebben verricht en nadien geen problemen met de autoriteiten te hebben ondervonden. Verweerder heeft er ook terecht op gewezen dat eiser sinds 2019 geen politieke activiteiten meer heeft verricht. Daarnaast heeft eiser verklaard Algerije legaal te hebben verlaten met zijn eigen paspoort en enkel op gevoel te baseren dat hij in de gaten wordt gehouden door de autoriteiten. Dit heeft verweerder onvoldoende mogen vinden, nu eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer op zodanige wijze zichzelf politiek zal uiten dat hij daardoor in de negatieve belangstelling zal komen te staan.
8. Voor zover eiser in zijn beroepsgronden verwijst naar de overgelegde landeninformatie in de zienswijze over het optreden van de Algerijnse autoriteiten van personen die betrokken zijn bij de Hirak-beweging, heeft verweerder deze informatie kenbaar bij zijn beoordeling betrokken en zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling staat. Uit de door eiser aangehaalde algemene landeninformatie over het optreden tegen activisten betekent niet dat iedere persoon die incidenteel heeft deelgenomen aan demonstraties daardoor in de negatieve belangstelling staat. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat.
9. Voor zover eiser aanvoert dat zijn Amzigh-etniciteit in samenhang met zijn deelname aan demonstraties een verhoogd risico oplevert, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser heeft verklaard geen problemen met de autoriteiten te hebben ondervonden vanwege zijn etniciteit en dat zijn aanhouding verband hield met zijn deelname aan een demonstratie. De door eiser gestelde discriminatie door klasgenoten en buurjongens, heeft verweerder ook niet ten onrechte onvoldoende zwaarwegend geacht om te kwalificeren als vervolging, nu niet is gebleken dat deze discriminatie heeft geleid tot een zodanige beperking van eisers bestaansmogelijkheden dat hij niet op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Terugkeerbesluit
11. In het arrest van het Hof van 19 december 2024 in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken van de Afdeling is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder een zogenoemde bevriezingsmaatregel getroffen, op grond waarvan de feitelijke gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming tijdelijk worden opgeschort.
12. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de voormelde uitspraken van 23 april 2025 en de uitspraak van 17 januari 2024, moet deze bevriezingsmaatregel worden aangemerkt als een feitelijke opschorting van de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming en niet als rechtmatig verblijf in de zin van de Vw. Dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog onder de bevriezingsmaatregel viel, stond daarom niet in de weg aan het nemen van een terugkeerbesluit.
13. Daarbij komt dat verweerder het terugkeerbesluit gelijktijdig met de afwijzing van de asielaanvraag heeft genomen. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat een terugkeerbesluit met een afwijzing van een verzoek om internationale bescherming kan worden genomen, indien tegen die afwijzing nog een rechtsmiddel openstaat, mits de uitvoering van het terugkeerbesluit wordt opgeschort zolang de betrokkene rechtmatig in de lidstaat mag verblijven in afwachting van de uitkomst van die procedure. Dat eiser beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag maakt daarom niet dat verweerder geen terugkeerbesluit mocht nemen.
14. Dat in het bestreden besluit niet expliciet is vermeld dat de feitelijke uitvoering van het terugkeerbesluit eerst na afloop van de bevriezingsmaatregel kan plaatsvinden, maakt dit niet anders. De rechtmatigheid van het terugkeerbesluit wordt beoordeeld naar het moment van het nemen daarvan en de bevriezingsmaatregel stond niet aan het nemen van het besluit in de weg, maar betrof slechts een tijdelijke opschorting van de feitelijke gevolgen daarvan. Gelet op het voorgaande is het terugkeerbesluit niet prematuur genomen en is het besluit niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn.
Conclusie
15. Gelet op het voorgaande is de asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026, door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eensbent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.