RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34191
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2007 en de Somalische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 7 november 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eisers vader had een winkel en moest een verhoogd bedrag aan belasting afdragen aan Al-Shabaab. Omdat hij dit niet kon betalen, is hij door Al-Shabaab vermoord. Na het overlijden van eisers vader is de winkel gesloten. De Somalische autoriteiten hebben eisers familie gevraagd de winkel weer te heropenen. Na de heropening van de winkel heeft Al-Shabaab een aanslag gepleegd bij de winkel. Bij deze aanslag is de broer van eiser, [broer 1] , vermoord. Eiser en zijn [broer 2] hebben hierna Somalië verlaten, omdat zij vrezen ook slachtoffer te worden van Al-Shabaab.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser heeft verweerder geloofwaardig geacht. De problemen met Al-Shabaab heeft verweerder niet geloofwaardig geacht.
4. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht. De door verweerder genoemde inconsistenties in de verklaringen van eiser zijn marginaal en betreffen bijzaken. Het door eiser geschetste dreigingspatroon door Al-Shabaab komt voorts overeen met informatie uit het algemeen ambtsbericht Somalië van 2025. De bewijslast om aan te tonen dat eiser persoonlijk slachtoffer is geworden is onredelijk verregaand. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte overwogen dat er geen medische diagnose is die bevestigd dat eiser lijdt aan PTSS of een andere stoornis die invloed heeft op zijn verklaringen. Eiser wijst op het advies van MediFirst waarin is vermeld dat eiser lijdt aan slaapproblemen, onrust, angst, spanning en herbelevingen. Dit zijn kenmerken van PTSS. Deze signalen heeft verweerder onvoldoende onderkend. Verder heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar adequate opvang in Somalië. Verweerder heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet binnen vijftien maanden kon worden afgerond. Eiser doet hierbij een beroep op twee uitspraken van deze rechtbank en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het advies van MediFirst van 10 december 2024 staat dat bij eiser rekening gehouden moet worden met vermoeidheidsklachten en dat eiser emotioneel kan worden bij het vertellen over beladen gebeurtenissen. Daarnaast is in het advies opgenomen dat eiser last heeft van bloedneuzen. De stelling van eiser dat dit er op duidt dat hij lijdt aan PTTS kan niet worden gevolgd. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser geen stukken heeft overgelegd die onderbouwen dat eiser een trauma gerelateerde stoornis heeft. Verweerder heeft daarom terecht niet gevolgd dat een trauma invloed heeft gehad op het vermogen van eiser om te verklaren. Daarnaast heeft eiser niet geconcretiseerd of onderbouwd op welke punten tijdens het horen of bij de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van eiser. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie.
6. Dat eiser stelt dat zijn verklaringen over de problemen met Al-Shabaab in het beeld passen dat in het algemeen ambtsbericht Somalië van 2025 wordt geschetst, maakt niet dat verweerder de problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat niet wordt ontkend dat Al-Shabaab zich doelbewust richt op winkeliers in Mogadishu om belasting te betalen. Dit laat echter onverlet dat het aan eiser is om met zijn verklaringen aannemelijk te maken dat hij persoonlijk hiermee te maken heeft gehad. Anders dan eiser meent, houdt dat geen onredelijk hoge bewijslast in.
7. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser summier, vaag en wisselend heeft verklaard over de problemen met Al-Shabaab. Anders dan eiser meent, zijn de verweerder genoemde inconsistenties niet marginaal en betreffen dit geen irrelevante zaken. De tegenwerpingen van verweerder zien immers op de kern van eisers asielrelaas, zoals de aanleiding voor de problemen, de periode tot heropening van de winkel, de belasting die aan Al-Shabaab betaald diende te worden en de bedreiging door Al-Shabaab. Verweerder heeft uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat eiser ten tijde van de gestelde problemen minderjarig was. Niettemin stelt verweerder niet ten onrechte dat het gelet op de aard en de impact van de gestelde gebeurtenissen niet wordt gevolgd dat eiser hier zo goed als niets over weet te verklaren.
8. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat de gestelde problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn.
9. Verweerder heeft voorts voldoende gemotiveerd waarom het onderzoek naar adequate opvang niet kon worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. Ten tijde van het indienen van de asielaanvraag was eiser zestien jaar en negen maanden oud. Eiser is op [datum] 2025 meerderjarig geworden. Verweerder heeft toegelicht dat eiser op 7 november 2023 is gehoord door de KMar en dat een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2024. Toen eiser eenmaal meerderjarig was heeft op 25 februari 2025 een nader gehoor plaatsgevonden en een aanvullend gehoor op 16 april 2025. Tijdens deze gehoren heeft verweerder aan eiser vragen gesteld over zijn situatie, zijn familie en of hij nog contact had met zijn familie in Somalië. Verweerder heeft toegelicht dat uit de verklaringen van eiser geen conclusie getrokken kon worden ten aanzien van het onderzoek naar adequate opvang. Verder heeft verweerder erop gewezen dat hij, conform informatiebericht 2025/13, een termijn van anderhalf jaar hanteert waarbinnen het onderzoek naar adequate opvang moet zijn afgerond, waarbij rekening wordt gehouden met de beslistermijn in de asielprocedure en een eventueel aanvullend onderzoek door DT&V. De rechtbank vindt dit niet onredelijk. Nu eiser voor het verstrijken van deze termijn meerderjarig is geworden, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het onderzoek naar adequate opvang niet afgerond kon worden voordat eiser meerderjarig werd.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.