RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.11662
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets)
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Verweerder heeft eiseres op 12 februari 2026 om 10:55 uur opgehouden. Op 13 februari 2026 omstreeks 14:02 uur is de vrijheidsbeneming van eiseres beëindigd omdat zij is heengezonden nadat tegen haar een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn was uitgevaardigd.
Eiseres heeft tegen beroep ingesteld tegen de ophouding.
Eiseres heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 10 maart 2026 zijn beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 13 maart 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 17 maart 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Chinese nationaliteit te hebben.
Beëindiging van de bedenktijd en het rechtmatig verblijf
2. Eiseres voert aan dat zij niet onomwonden heeft geweigerd mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek. Op het moment dat zij aangaf geen aangifte te willen doen, bevond zij zich nog binnen de bedenktijd, die nog geen vier weken was verstreken, zodat haar verblijfsrecht of de opschorting van de vertrekplicht niet kon eindigen.
3. Op grond van paragraaf B8/3.1 van de Vc wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien. Gedurende de bedenktijd schort verweerder het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op. De bedenktijd eindigt onder andere op het moment dat het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
4. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 12 februari 2026, alsmede uit het proces-verbaal van verhoor van diezelfde datum, voldoende blijkt dat eiseres uitdrukkelijk heeft aangegeven af te zien van het doen van aangifte. Gelet hierop heeft eiseres kenbaar afgezien van medewerking, als bedoeld in paragraaf B8/3.1 van de Vc, wat meebrengt dat haar bedenktijd is geëindigd. Daarmee is tevens haar rechtmatig verblijf geëindigd. Dat nog slechts vier weken van de maximale bedenktijd waren verstreken, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding
5. Verder betwist eiseres de rechtmatigheid van de staandehouding en de daaropvolgende vordering tot identificatie. De gestelde ‘niet-vreemdelingrechtelijke politietaak’ is onvoldoende concreet onderbouwd.
6. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 13 februari 2026 volgt dat de staandehouding is gebaseerd op artikel 50, eerste lid, van de Vw. Uit het eerdergenoemde proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht volgt dat op grond van een niet-vreemdelingrechtelijke politietaak inzage in het identiteitsdocument van eiseres is gevorderd. Uit het verweerschrift volgt dat verweerder deze bevoegdheid heeft gebaseerd op artikel 8 van de Politiewet. Ten tijde van de staandehouding bestond reeds een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat de staandehouding op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de gestelde niet-vreemdelingrechtelijke politietaak onvoldoende concreet is onderbouwd. Uit de stukken blijkt voldoende dat de vordering tot inzage van het identiteitsdocument heeft plaatsgevonden in het kader van de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet. Daarbij sluit het bestaan van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf de uitvoering van deze politietaak niet uit. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de vordering tot identificatie een vreemdelingrechtelijke aanleiding heeft gehad, zodat geen sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding.
Verlenging van de ophouding
8. Tot slot voert eiseres aan dat de verlening van de ophouding onrechtmatig was, nu daarvoor geen grond bestond. Uit systemen zoals Eurodac en EU-VIS bleek immers dat er geen hits waren.
9. Op grond van paragraaf A2/6 van de Vc is de verlenging van de ophouding mogelijk, als het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond. Op het moment van de verlenging van de termijn van ophouding moet duidelijk zijn, welk onderzoek naar het rechtmatig verblijf nog moet plaatsvinden en waarom dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw heeft kunnen verlengen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het eerdergenoemde proces-verbaal van verhoor blijkt dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij met een door Spanje afgegeven visum naar Europa is gereisd. Deze verklaring vormt een concrete aanleiding voor nader onderzoek naar haar verblijfsrechtelijke positie. Dat in Eurodac en EU-VIS geen hits zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.