ECLI:NL:RBDHA:2026:6360

ECLI:NL:RBDHA:2026:6360

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer NL25.56026
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin Slovenië. Gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening, op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Verzoeken om aanhouding

4. Allereerst verzocht de gemachtigde van eiser op zitting om aanhouding van de zaak, omdat eiser niet aanwezig was, maar de gemachtigde aannam dat eiser graag op zitting aanwezig had willen zijn. Dit verzoek wijst de rechtbank af. Zoals de gemachtigde van eiser zelf heeft aangegeven, heeft hij eiser niet kunnen bereiken, en is de reden van diens afwezigheid onbekend. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling ter zitting aan te houden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers gemachtigde wel aanwezig is en namens hem zijn standpunten op zitting kenbaar heeft kunnen maken.

5. Daarnaast verzocht de gemachtigde om aanhouding van de zaak totdat de Afdeling heeft geoordeeld over het door de minister ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2025, zittingsplaats Amsterdam. Ook dit verzoek wijst de rechtbank af. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het oordeel van de Afdeling.

Totstandkoming van het besluit

6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek op 21 oktober 2025, op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, aanvaard.

Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?

7. Eiser voert aan dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het een standaardvoornemen betreft waarbij onvoldoende is ingegaan op de door eiser tijdens het Dublin-gehoor naar voren gebrachte bezwaren tegen een overdracht aan Slovenië. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024.

De rechtbank constateert dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Slovenië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat de verklaringen van eiser over wat hij in Slovenië heeft meegemaakt, niet leiden tot de conclusie dat Slovenië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft ook niet toegelicht welke door hem aangedragen omstandigheden niet of onvoldoende in de beoordeling zijn meegenomen en waarom. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van Afdeling van 11 april 2025.

Mag de minister ten aanzien van Slovenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Standpunt van eiser

8. Eiser betoogt dat ten aanzien van Slovenië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiertoe voert eiser aan dat uit de AIDA-rapporten van 2023 (update 2024) en 2024 (update 2025) blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen, zowel in de opvangvoorzieningen als in de asielprocedure. Daarnaast verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister nader onderzoek moet verrichten naar de situatie in Slovenië ten aanzien van de opvangvoorzieningen en de rechtsbijstand. Volgens eiser blijkt niet dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Anders dan de minister betoogt, stelt eiser zich op het standpunt dat de uitspraak ook op zijn situatie van toepassing is, omdat daarin wordt ingegaan op de algemene situatie in Slovenië en niet uitsluitend op de individuele omstandigheden van de asielzoeker in die zaak.

Toetsingskader

9. De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel ten aanzien van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat Europese lidstaten erop mogen vertrouwen dat andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asielstelsel en de opvangvoorzieningen van Slovenië overleggen en hij kan feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in Slovenië die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Slovenië systeemfouten bevatten. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

Oordeel van de rechtbank

10. Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van 2024 (update 2025) op pagina 53 volgt dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer als asielzoekers worden beschouwd. Op diezelfde pagina staat dat zij, net als andere asielzoekers, vanwege een achterstand in de behandeling van aanvragen drie tot 20 dagen moeten wachten voordat zij hun asielaanvraag formeel kunnen indienen. Uit pagina 80 van hetzelfde rapport volgt dat zij gedurende die periode geen toegang hebben tot alle opvangvoorzieningen. Nadat de aanvraag formeel is ingediend, hebben zij dezelfde rechten als andere asielzoekers en worden zij gehuisvest in de opvang. Hieruit leidt de rechtbank af dat Dublinclaimanten in de periode voordat hun aanvraag formeel wordt ingediend – wat enkele dagen tot enkele weken kan duren – geen toegang hebben tot de opvangfaciliteiten.

Nu eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor ernstige vrees dat de opvangvoorzieningen voor hem in Slovenië systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in schending van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM, is het aan de minister om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hierin niet voldoende geslaagd. Dat dit rapport een vervolg is op eerdere rapporten en die eerdere rapporten al in uitspraken van de afdeling zijn betrokken doet hier niet aan af. Er blijkt juist een verschil te bestaan tussen de eerdere rapporten en het onderhavige rapport. Zo wordt in het rapport van 2023 (update 2024 vermeld dat in de periode voordat de formele aanvraag is ingediend, en personen hierdoor nog niet worden aangemerkt als asielzoeker, zij wel zijn gehuisvest, maar geen toegang hebben tot alle opvangvoorzieningen, terwijl die huisvesting in het meest recente rapport niet wordt genoemd. Voor zover de minister stelt dat als er sprake is van een tekortkoming deze niet structureel is overweegt de rechtbank deze stelling verder niet is onderbouwd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen in Slovenië nog steeds zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond.

Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de rechtsbijstand in Slovenië volgt de rechtbank het betoog van de minister. De minister stelt terecht dat het door eiser aangevoerde punt uit het meest recente AIDA-rapport van 2025, waaronder de vermelde ontslaggronden van de vluchtelingenadviseurs, al is vermeld in de AIDA-rapporten van 2021 (update 2022), van 2022 (update 2023) en van 2023 (update 2024). Het rapport van 2021 (update 2022) was al bekend ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2022. De rechtbank ziet in het rapport van 2024 (update 2025) geen wezenlijk ander beeld van de situatie ten aanzien van de rechtsbijstand dan eerder is betrokken. Zoals de minister in het bestreden besluit terecht stelt, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de bestuurlijke besluitvormingsfase en de (hoger) beroepsfase. Op grond van de Procedurerichtlijn zijn lidstaten gehouden om rechtsbijstand te voorzien voor die laatste fase. Daaraan voldoet Slovenië. Daarbij komt dat ook uit het meest recente AIDA-rapport niet blijkt dat vreemdelingen in zijn geheel geen mogelijkheid hebben om rechtsbijstand te verkrijgen in de bestuurlijke besluitvormingsfase in Slovenië. Zelfs als dit het geval zou zijn, merkt de rechtbank op dat eiser in zijn concrete situatie nog geen asielaanvraag in Slovenië heeft lopen en er dus ook nog geen besluit is genomen. Concrete aanwijzingen dat hij bij een eventuele afwijzing van zijn asielaanvraag geen gebruik zou kunnen maken van rechtsbijstand zijn niet gegeven. Mocht eiser desondanks in de toekomst problemen ondervinden, dient hij zich te wenden tot de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en dat de minister opnieuw op de aanvraag van eiser moet beslissen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-) € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?