RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52147
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. Van Ittersum).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 3 december 2024. De minister heeft met dit besluit de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingewilligd, maar heeft de gestelde geboortedatum, op basis waarvan eiser minderjarig was tijdens de aanvraag, ongeloofwaardig geacht. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat bestreden besluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij het bestreden besluit van 3 december 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, omdat de minister volgens hem een verkeerde geboortedatum heeft gehanteerd. Eiser is namelijk niet geboren op [geboortedag 1] 2004, maar op [geboortedag 2] 2005.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Relevante feiten
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Eiser is op 5 juli 2022 via Griekenland de Europese Unie ingereisd. Hij heeft in Griekenland asiel aangevraagd en heeft twee keer een negatieve asielbeschikking ontvangen. Daarna heeft eiser Griekenland op 25 oktober 2022 verlaten en is hij doorgereisd naar Nederland. Eiser heeft in Nederland op 14 november 2022 asiel aangevraagd.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag 2] 2005. Hij heeft Somalië verlaten omdat hij vreest voor Al-Shabaab. Eiser is in de moskee benaderd om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab. Nadien is eiser niet meer naar school gegaan en heeft hij zich ook niet gemeld bij Al-Shabaab. De moeder van eiser is bezocht en bedreigd door Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege de rekrutering door Al-Shabaab.
De minister heeft de asielaanvraag ingewilligd. Hij heeft zowel eisers verklaringen over zijn naam, nationaliteit en herkomst als zijn verklaringen over de problemen vanwege de rekrutering door Al-Shabaab geloofwaardig geacht. De door eiser opgegeven geboortedatum acht de minister echter niet geloofwaardig. De minister gaat uit van de geboortedatum die volgt uit de registratie in Griekenland. Aan eiser is een verblijfsvergunning asiel toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom hij uitgaat van de registratie in Griekenland?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn verklaringen over zijn geboortedatum ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van de registratie in Griekenland, zijnde de geboortedatum [geboortedag 1] 2004, op basis waarvan eiser meerderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. Hiertoe betoogt eiser dat het onjuist is dat hij twee verschillende geboortedata bij zijn gehoor heeft genoemd en daarmee verwarring heeft gezaaid. Volgens eiser klopt de geboortedatum [geboortedag 3] 2005 niet en hij heeft tijdens het gehoor door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het aanmeldgehoor en het nader gehoor steeds verklaard te zijn geboren op [geboortedag 2] 2005. Eiser verwijst naar de noot van de verbalisant bij het proces-verbaal verhoor van de AVIM waarin staat dat hij heeft opgegeven te zijn geboortedatum op [geboortedag 2] 2005. Bovendien heeft hij zelf niet verklaard op [geboortedag 3] 2005 te zijn geboren. Eiser betoogt verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de registratie in Griekenland. De minister heeft geen onderzoek gedaan naar de wijze van registratie van de leeftijd in Griekenland. Verder zijn de lichamelijk kenmerken bij het proces-verbaal verhoor van de AVIM van belang en is daarbij ook vermeld dat er verder onderzoek naar de leeftijd zal plaatsvinden. Dat is echter niet gebeurd. Gelet op het bovenstaande moet volgens eiser van de geboortedatum [geboortedag 2] 2005 worden uitgegaan.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In haar uitspraken van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uiteengezet hoe moet worden omgegaan met een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. De Afdeling heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op een dergelijke registratie. Dit betekent niet dat de minister daaraan geen gewicht mag toekennen. De leeftijd van een vreemdeling zal moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Dat betekent dat het in beginsel aan de vreemdeling is om zijn geboortedatum aannemelijk te maken. De minister moet, aldus de Afdeling, desondanks uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als een vreemdeling dat stelt en daarover twijfel bestaat. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. Een van de elementen die de minister hierbij kan betrekken is de leeftijdsregistratie in het buitenland. Daarbij zal de minister steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Hij zal daarbij steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen. Als aan de leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat die in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn andere verklaringen.
De rechtbank constateert dat het standpunt van de minister dat hij uitgaat van de geboortedatum [geboortedag 1] 2004, en dus van de meerderjarigheid van eiser, (primair) is gebaseerd op de leeftijdsregistratie in Griekenland. De minister moet dan deugdelijk motiveren dat en waarom hij uitgaat van de leeftijdsregistratie in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat de minister dat heeft gedaan. De registratie in Griekenland is gebaseerd op de verklaring van eiser zelf. Eiser heeft geen plausibele verklaring gegeven op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat die verklaring onjuist zou zijn. De stelling van eiser dat hij op 5 juli in Griekenland aankwam verklaart dit niet. De minister heeft van belang mogen achten dat eiser tweemaal in Griekenland een negatieve beschikking heeft ontvangen en daarmee voldoende gelegenheid heeft gehad om de door hem gestelde onjuiste registratie te corrigeren. Dit heeft eiser ondanks dat hij tijdens het aanmeldgehoor van 14 juni 2023 heeft verklaard dat hij een advocaat tot zijn beschikking had, niet gedaan. De minister heeft verder van belang mogen achten dat eiser – door het opgeven van twee geboortedata in Nederland – verwarring heeft gezaaid. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 14 november 2022 heeft eiser op de vraag “wat is jouw geboortedatum en geboorteplaats?” verklaard te zijn geboren op “[geboortedag 3]-2005 te Marka in Somalië”. Tijdens het aanmeldgehoor 14 juni 2023 en het nader gehoor van 29 november 2024 heeft eiser de geboortedatum [geboortedag 2] 2005 opgegeven. Daarmee heeft eiser twee verschillende geboortedata in Nederland opgegeven. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat er mogelijk sprake is geweest van een verkeerde notatie door de AVIM voor de geboortedatum [geboortedag 3] 2005. Het verschil in datum is daarvoor bovendien te groot. Tot slot heeft eiser weliswaar een Somalisch identiteitsbewijs en een geboorteakte met als geboortedatum [geboortedag 2] 2005 overgelegd, maar over de documenten heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ook dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaring dat hij geboren is op [geboortedag 2] 2005. Gelet op het voorgaande mocht de minister uitgaan van de registratie in Griekenland en derhalve van de geboortedatum [geboortedag 1] 2004. Voor de minister bestond geen aanleiding om nader onderzoek te doen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding krijgen van zijn proceskosten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.