ECLI:NL:RBDHA:2026:6364

ECLI:NL:RBDHA:2026:6364

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 24/14279
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene geweigerd. Eiser heeft zowel in aanvraagfase, als in de bezwaarfase als in beroep nagelaten bewijsmiddelen, waaronder zijn inkomensgegevens, te overleggen. Hij heeft niet onderbouwd waarom hij vindt dat de stelling van de minister, dat hij onvoldoende inkomen heeft, onjuist is. Geen schending van de hoorplicht in bezwaar.

Uitspraak

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten van de minister van 14 augustus 2024 en 24 januari 2025.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk respectievelijk kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene met zijn besluit van 24 april 2024 afgewezen. In datzelfde besluit heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd toegekend.

3. Met zijn besluit van 14 augustus 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister eisers bezwaar tegen de afwijzing van de EU-verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser de gronden van zijn bezwaar niet aan de minister had toegestuurd.

4. De minister heeft in reactie op het door eiser ingestelde beroep zijn besluit van 14 augustus 2024 ingetrokken en eisers bezwaar met het besluit van 24 januari 2025 kennelijk ongegrond verklaard (bestreden besluit 2). Eiser heeft desgevraagd op 18 juli 2025 aan de rechtbank te kennen gegeven dat hij zijn beroep handhaaft en heeft daarbij zijn beroepsgronden aangevuld. Eisers beroep zal daarom op grond van artikel 6:19 van de Awb worden geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk want dit besluit is vervangen door bestreden besluit 2. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1.

Was het bezwaar kennelijk ongegrond?

6. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij zijn beroep handhaaft, omdat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase en niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaargronden aan te vullen. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de minister niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eisers inkomenspositie is verbeterd en de minister zou daarvan naar zijn mening ambtshalve op de hoogte zijn. Eiser vraagt de minister via zijn email aan de rechtbank van 18 juli 2025 om de meest recente inkomensgegevens uit SUWINET te overleggen.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling, dat hij voldoende inkomen heeft om in aanmerking te komen voor een EU-verblijfsvergunning, niet heeft geconcretiseerd en niet met documenten heeft onderbouwd. De enkele stelling dat de minister ambtshalve op de hoogte is van zijn inkomenspositie ontslaat eiser er niet van om zelf met bewijsmiddelen te onderbouwen waarom hij vindt dat de stelling van de minister, dat hij onvoldoende inkomen heeft, onjuist is. Eiser heeft zowel in de aanvraagfase, als in de bezwaarfase als nu in beroep de gelegenheid gehad om bewijsmiddelen, waaronder zijn inkomensgegevens, te overleggen. Dat heeft hij steeds nagelaten. Eiser heeft in een eerdere bezwaarprocedure tegen een afwijzing van een door hem aangevraagde EU-verblijfsvergunning, waarvan de documenten ook in het procesdossier zitten, wel uitkeringsspecificaties overgelegd. Eiser wordt mede daarom geacht zelf te beschikken over zijn inkomensgegevens en kan daarvoor niet afhankelijk zijn van een door de minister aan te leveren uitdraai uit SUWINET. Uit het dossier blijkt niet dat eiser andere inkomsten heeft (gehad) dan die waarvan de minister bij zijn besluit van 24 april 2024 is uitgegaan. Eisers niet onderbouwde stelling dat zijn inkomenspositie is verbeterd kan dus niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. De minister heeft verder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en op die grond van het horen in bezwaar mogen afzien. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser in bezwaar de gelegenheid is geboden zijn bezwaargronden aan te vullen, welke gelegenheid eiser onbenut aan zich voorbij heeft laten gaan en eiser ook uit zichzelf kennelijk geen aanleiding heeft gezien om andere gronden naar voren te brengen op grond waarvan geconcludeerd had moeten worden dat de minister aan eiser een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene had moeten worden verleend. De rechtbank wijst erop dat eiser tegen bestreden besluit 1 juist betoogde dat hij met zijn bezwaarschrift zijn gronden van bezwaar al naar voren had gebracht. Uit de gehele gang van zaken ontstaat de indruk dat eiser stelt dat hij wel voldoet aan het middelenvereiste maar dat hij dat eigenlijk zelf niet weet en hoopt daarvan de onderbouwing in verweerders dossier te vinden. Dit is niet de manier waarop een beroepsprocedure hoort te worden gevoerd. Het enkele stellen dat eiser gehoord had moeten worden is, zonder een onderbouwde inhoudelijke bestrijding van het bestreden besluit, daarmee niet voldoende voor een geslaagd beroep op schending van de hoorplicht. Het beroep is ongegrond.

7. Omdat de minister bestreden besluit 1 heeft vervangen door bestreden besluit 2, ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Omdat bestreden besluit 1 alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar, bepaalt de rechtbank dat de minister een bedrag van € 467,- aan eiser moet vergoeden (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M. Spapens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.M.L. Wijnen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?