RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29402
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
Procesverloop
1. De minister heeft met het besluit van 11 juli 2024 de door eiser ingediende asielaanvraag buiten behandeling gesteld en hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Procedure tot nu toe
2. Op 19 augustus 2022 heeft eiser zich ingeschreven bij de gemeente Amsterdam. Op 17 oktober 2022 heeft eiser kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming). Op 17 oktober 2022 is beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor deze tijdelijke bescherming. Dit omdat niet kan worden vastgesteld dat eiser tot een van de doelgroepen behoort waarvoor tijdelijke bescherming is bedoeld.
3. Op 27 maart 2023 heeft eiser opnieuw kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming. Ook heeft hij aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. Op dezelfde dag is besloten dat eiser niet onder de Richtlijn Tijdelijke bescherming valt. Hierbij is verwezen naar de afwijzing van 17 oktober 2022. Verder is eiser medegedeeld dat eiser zich ten behoeve van zijn asielaanvraag binnen twee weken moest melden in het aanmeldcentrum in Ter Apel. Omdat eiser zich niet binnen die termijn heeft gemeld, is zijn asielaanvraag op 11 juli 2024 buiten behandeling gesteld. Daarbij is aan eiser tevens een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft, zijnde Turkije.
Algemene achtergrondinformatie
4. Vreemdelingen die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen verkregen facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met de uitspraak van17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden.
Standpunt van de minister
5. De minister heeft aan eiser op 11 juli 2024 een terugkeerbesluit opgelegd met een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS), omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Zijn asielaanvraag is buiten behandeling gesteld en hij voldoet niet aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Hierbij verwijst de minister naar de besluiten van 7 november 2022 en 30 maart 2023.
Kon de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitvaardigen?
6. Eiser voert aan dat de minister geen terugkeerbesluit kan opleggen met een SIS-signalering. Eiser had namelijk een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning lopen. Daarnaast heeft de minister aan eiser op 1 mei 2024 medegedeeld dat hij onder de bevriezingsmaatregel valt.
7. Het betoog slaagt niet. Voor zover eiser stelt dat hij viel onder de bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, wordt geoordeeld dat de minister bij besluiten van 7 november 2022 en 30 maart 2023 heeft gesteld dat eiser niet onder deze richtlijn valt. Niet is gebleken dat eiser tegen deze besluiten beroep heeft ingesteld, waardoor die besluiten onherroepelijk zijn. Eiser heeft dus nooit rechten ontleend aan de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de bevriezingsmaatregel is dan ook niet op hem van toepassing. Uit het dossier volgt echter, niet dat eiser op 1 mei 2024 daadwerkelijk een brief heeft gekregen van de minister dat hij onder de bevriezingsmaatregel valt. Dat dit wel als zodanig is vermeld in de brief aan eiser van 2 juli 2004 berust kennelijk op een misslag. De rechtbank heeft bij de minister navraag gedaan naar de brief van 1 mei 2024. De minister heeft daarop medegedeeld dat deze brief niet kunnen vinden. Ook eiser heeft geen afschrift overgelegd van een aan hem gerichte brief van 1 mei 2024, waarin staat dat hij onder de bevriezingsmaatregel valt. De enkele stelling dat eiser deze brief heeft gekregen is onvoldoende.
8. Wat betreft de lopende reguliere procedure, overweegt de rechtbank dat die procedure op zichzelf niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Beslissend is of eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dat was niet het geval. Eiser had ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit geen geldige verblijfsvergunning en was in afwachting van het besluit op bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. Deze procedure heeft echter geen schorsende werking. Uit het dossier blijkt niet dat aan eiser hangende deze procedure rechtmatig verblijf is toegekend. De minister was daardoor met het besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gehouden een terugkeerbesluit op te leggen. Overigens stelt de rechtbank vast dat deze rechtbank en zittingsplaats uitspraak heeft gedaan in eisers procedure op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. De rechtbank komt in die uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De Afdeling heeft het hoger beroep met zijn uitspraak van 13 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staat vast dat eiser geen rechtmatig verblijf ontleent aan de reguliere procedure.
9. Voor zover eiser betoogt dat de minister ten onrechte een SIS-melding heeft opgelegd, oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.
De rechtbank stelt vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Daarom was de minister verplicht om in het geval van eiser het terugkeerbesluit te registreren. In wat eiser hiertegen aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.