RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11182
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser bij besluit van 17 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 17 augustus 2023 ingetrokken.
Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Bij besluit van 22 juli 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Daarbij is aangegeven dat eiser nog onder de bevriezingsmaatregel valt en dat die maatregel op 4 september 2025 eindigt.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft de Indiase nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/38 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser ook beroep ingesteld.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 4 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Bij besluit van 22 juli 2025 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 7 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 22 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 22 juli 2025
Kwalificatie van het beroep
5. De rechtbank begrijpt het besluit van 22 juli 2025 zo dat de minister hiermee het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft willen intrekken en vervangen door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. Zoals hierboven ook uiteengezet heeft de Afdeling in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op4 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de ingediende gronden zijn gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 en uitsluitend zien op deze beëindiging per 4 maart 2024. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat zich richt tot het vervangingsbesluit daarom ongegrond.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk en, voor zover gericht tegen het besluit van 22 juli 2025, ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- bestaande uit een punt voor de aanvullende gronden gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.