RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50368
(gemachtigde: mr. C. Huy),
en
(gemachtigde: Mr. L.J.M. Rog).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te hebben, en omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan het asielrelaas van eiser en het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 5 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1998. Ook stelt hij te behoren tot de Tigrinja-bevolkingsgroep. Eisers vader is omgekomen tijdens zijn militaire dienst. Eisers broer wilde daarom de dienstplicht ontlopen en wilde ook niet dat eiser later in militaire dienst zou moeten. Toen eiser vier jaar oud was, zijn hij en zijn broer daarom gevlucht naar Ethiopië. In Ethiopië moesten eiser en zijn broer uit het zicht van de autoriteiten blijven, omdat zij illegaal in het land verbleven. Nadat eisers broer al naar Zuid-Afrika was vertrokken om daar een asielaanvraag in te dienen, zijn de Ethiopische veiligheidsdiensten eisers huis binnengevallen. Na deze inval is eiser Ethiopië ontvlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Eritrea in de gevangenis te belanden, omdat hij Eritrea illegaal heeft verlaten. Ook vreest hij daar te worden gediscrimineerd vanwege zijn langdurig verblijf in Ethiopië. Verder vreest hij levenslang in militaire dienst te moeten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen bij terugkeer naar Eritrea.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Omdat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, heeft de minister eisers vrees voor problemen bij terugkeer naar Eritrea niet beoordeeld. De minister vindt daarom dat eisers asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig gevonden?
5. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd, waarvoor hij geen goede verklaring heeft. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
Heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd, zonder goede verklaring?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte vindt dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd, zonder goede verklaring. Eiser heeft namelijk wel degelijk een aannemelijke verklaring voor het ontbreken van documenten. Hij heeft verklaard dat zijn documenten zijn meegenomen bij een inval in zijn huis door de Ethiopische veiligheidsdiensten toen hij niet thuis was. Zijn verhaal komt overeen met het algemeen ambtsbericht, waaruit blijkt dat de bewijspositie van Eritreeërs in Ethiopië niet rooskleurig is, en dat er actief wordt gezocht naar Eritreeërs. Hij heeft ook uitgelegd dat zijn buurjongen hem heeft kunnen vertellen welke documenten tijdens die inval zouden zijn meegenomen, en tijdens het nader gehoor is daar ook niet nader naar gevraagd zodat hij niet de gelegenheid heeft gekregen om daar aanvullend over te verklaren. Overigens is het ook aannemelijk dat hij geen documenten heeft, omdat eiser op vierjarige leeftijd is vertrokken uit Eritrea en altijd afhankelijk is geweest van zijn broer.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft overgelegd. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat hij documenten van zijn verblijf in Ethiopië over zou moeten kunnen leggen, omdat er tot 2021 een regeling gold waarbij Eritreeërs automatisch een vluchtelingenstatus kregen in Ethiopië. Eiser heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven waarom hij ondanks het bestaan van die regeling in de illegaliteit is gebleven en zich niet heeft laten registreren in Ethiopië. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat eiser zich niet heeft laten registreren, omdat hij bang was om eruit gepikt te worden en te worden teruggestuurd naar Eritrea, en dat uitkomen voor zijn Eritrese nationaliteit niet strookt met het beleid en gedachtegoed in Ethiopië. Maar het feit dat Eritreeërs automatisch een vluchtelingenstatus kregen in Ethiopië is een aanwijzing van het tegenovergestelde. In het licht daarvan heeft eiser onvoldoende toegelicht op welke concrete manier het nadelig voor hem was geweest om zich te laten registreren. Bovendien is eiser wél enkele jaren naar school geweest, zodat het niet aannemelijk is dat hij zich niet heeft laten registreren omdat hij uit beeld wilde blijven van de autoriteiten. Dat zijn buurman directeur van die school zou zijn geweest, laat onverlet dat het naar school gaan zich niet verhoudt met buiten beeld willen blijven. Dat eiser op vierjarige leeftijd is vertrokken uit Eritrea en altijd afhankelijk is geweest van zijn broer, doet er daarnaast niet aan af dat voor eiser jarenlang de mogelijkheid bestond om deze vluchtelingenstatus te verkrijgen. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat al zijn identificerende documenten tijdens de inval in zijn huis door de veiligheidsdiensten zijn meegenomen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij weet dat zijn doopakte, de identiteitskaarten van zijn vader en moeder en de schoolpapieren van zijn broer tijdens de inval zijn meegenomen. Op de vraag hoe hij weet dat zijn doopakte is meegenomen, heeft eiser geantwoord dat zijn buurjongen hem dat heeft verteld. De minister heeft echter niet ten onrechte overwogen dat eiser geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over hoe de buurjongen precies zou weten welke documenten tijdens de inval zouden zijn meegenomen. Ook tijdens de zitting heeft eiser dit niet kunnen ophelderen. De rechtbank volgt eiser er niet in dat de minister hier meer vragen over had moeten stellen tijdens het nader gehoor. Het is namelijk in de eerste plaats aan eiser om zijn relaas naar voren te brengen, en hem is specifiek gevraagd hoe hij weet dat de doopakte was meegenomen tijdens de inval.
Vormen eisers verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel?
Eiser betoogt dat de minister eisers verklaringen ten onrechte onsamenhangend en onaannemelijk heeft gevonden. Dat eiser het Tigrinja maar beperkt spreekt, is volledig te verklaren door zijn vertrek uit Eritrea op vierjarige leeftijd en zijn langdurige verblijf in Ethiopië. De minister had een taalanalyse door een deskundige moeten laten verrichten, als hij eisers beperkte beheersing van het Tigrinja zo doorslaggevend achtte voor de ongeloofwaardigheid van zijn Eritrese nationaliteit. Overigens heeft de minister eisers Eritrese herkomst niet ongeloofwaardig mogen vinden enkel omdat hij Amhaars spreekt en weinig kennis heeft van het Tigrinja. De minister had ook niet enkel om die reden de door eiser overgelegde kopie van de identiteitskaart van zijn vader en de doopakte van zijn broer terzijde mogen schuiven. Daarnaast is de minister onzorgvuldig geweest door de verklaringen van eiser niet integraal te beoordelen in het licht van beschikbare landeninformatie over Eritrea en Ethiopië, terwijl hij hiertoe wel verplicht is. Verder sluiten de verklaringen van eiser logisch op elkaar aan en heeft de minister niet gemotiveerd dat eisers verklaringen in strijd zouden zijn met objectieve bronnen. Ook heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan de objectieve aanwijzingen voor eisers Eritrese afkomst.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen onsamenhangend en onaannemelijk zijn. De minister heeft allereerst niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers gestelde achtergrond niet strookt met zijn – naar eigen zeggen – beperkte beheersing van het Tigrinja. Eiser heeft namelijk verklaard in zijn jeugd met het Tigrinja te zijn opgevoed, door een Eritrese broer te zijn grootgebracht, geregeld in contact te hebben gestaan met Eritrese landgenoten en te hebben verklaard trots te zijn op zijn Eritrese afkomst. Gezien deze gestelde achtergrond, mocht de minister van eiser een betere beheersing van het Tigrinja verwachten. De minister heeft ook geen taalanalyse hoeven verrichten omdat er geen onduidelijkheid is over eisers beperkte beheersing van het Tigrinja, nu hij dat zelf heeft verklaard. De minister is ook niet onzorgvuldig geweest door de verklaringen van eiser over zijn gestelde achtergrond en beheersing van het Tigrinja niet te relateren aan landeninformatie. In de zaak waar eiser naar verwijst had de betrokken vreemdeling een strokende verklaring gegeven voor het feit dat ze alleen Amhaars sprak, namelijk dat haar moeder haar in het Amhaars had opgevoed vanwege de heersende discriminatie jegens Eritreeërs in Ethiopië. De minister had deze verklaring zonder nadere motivering onaannemelijk geacht. Zoals hierboven is overwogen, heeft de minister in deze zaak gemotiveerd waarom eisers eigen verklaringen over zijn gestelde achtergrond op zichzelf al niet stroken met zijn beperkte beheersing van het Tigrinja.
Verder heeft de minister niet ten onrechte in eisers nadeel betrokken dat hij zijn illegale verblijf in Ethiopië nooit heeft gelegaliseerd en hiervan dus geen documenten kan overleggen, ondanks de regeling die Eritreeërs in Ethiopië automatisch een vluchtelingenstatus gaf. Zoals onder 6.1 al is overwogen, heeft eiser hier geen aannemelijke verklaring voor kunnen geven. Ook heeft de minister het niet ten onrechte onaannemelijk gevonden dat eiser 21 jaar bewust uit het zicht van de autoriteiten zou hebben willen blijven, omdat eiser in die tijd enkele jaren naar school is gegaan en andere Eritrese vluchtelingen zou hebben opgevangen in zijn huis. Eiser kan daardoor immers niet onzichtbaar zijn geweest voor de autoriteiten. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de door eiser overgelegde doopakte en identiteitskaart van zijn vader niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde Eritrese nationaliteit. Omdat het kopieën zijn, kan de authenticiteit en herkomst van de documenten namelijk niet worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de kopie van het asielvisum van eisers gestelde broer in Zuid-Afrika. De minister heeft ook niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen originele documenten heeft overgelegd van een familieband met zijn gestelde broer, de gestelde Eritrese nationaliteit van die broer of de asielprocedure en gezinsherenigingsprocedure die die broer daar volgens eiser in gang zou hebben gezet. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister er bovendien terecht op gewezen dat als eisers gestelde broer inderdaad de Eritrese nationaliteit zou bezitten, dat ook niet zonder meer betekent dat eiser die ook heeft. Eiser zou namelijk een andere moeder kunnen hebben dan de gestelde broer, nu uit de kopie van het asielvisum blijkt dat er een groot leeftijdsverschil zit tussen eiser en zijn gestelde broer. Verder mocht de minister weinig betekenis toekennen aan het feit dat eiser een typisch Eritrese naam heeft en hij enkele herkomstvragen juist heeft beantwoord.
Uit het voorgaande blijkt tot slot dat de minister eisers Eritrese herkomst niet alleen ongeloofwaardig heeft gevonden omdat eiser Amhaars spreekt en weinig kennis heeft van het Tigrinja, zodat niet kan worden gevolgd dat de minister ten onrechte enkel eisers gebrekkige beheersing van het Tigrinja zou hebben tegengeworpen.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.