Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/239170-23
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1954 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mrs. G. Spong en E.K.B. Bijl naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in/op of omstreeks de periode van 27 januari 1992 tot en met 28 januari 1992 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen zes, althans één of meer kogel(s) (kaliber .38) (van korte afstand) afgevuurd op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
(zijn, verdachtes, minderjarige zoon) [naam 1] (geboren [geboortedatum 2] 1976), in/op of omstreeks de periode van 27 januari 1992 tot en met 28 januari 1992 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft/hebben beroofd, door, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen zes, althans één of meer kogel(s) in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welk door [naam 1] begaan strafbaar feit, hij, verdachte, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van
27 januari 1992 tot en met 28 januari 1992, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk
- het plan op te vatten en/of te bespreken om een persoon, genaamd [slachtoffer] , om het leven te (laten) brengen, en/of
- die [naam 1] mede te (laten) delen dat [slachtoffer] om het leven gebracht moest worden en/of aan die [naam 1] te (laten) vragen die [slachtoffer] te doden en/of
- die [naam 1] een afspraak met [slachtoffer] te laten maken in diens garage en/of
- de (concrete) uitvoering van dat plan om [slachtoffer] om het leven te (laten) brengen te (laten) bedenken en/of te (laten) bespreken met die [naam 1] , en/of
- een vuurwapen en/of munitie voor dat vuurwapen te (laten) verstrekken aan die [naam 1] en/of
- die [naam 1] een paar Nike sportschoenen cadeau te doen.
3. Vrijspraak
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair impliciet primair tenlastegelegde en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 28 januari 1992 omstreeks 17:03 uur ontving de politie een melding dat er in het perceel aan de [adres 2] te Den Haag (hierna: de garage) een dode man was aangetroffen. Ter plaatse zag de politie in het kantoor van de garage een levenloze man op de grond liggen die onder het bloed zat. Het slachtoffer bleek de 64-jarige [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) te zijn. Bij de sectie die verricht werd op het lichaam van het slachtoffer werden zes schotwonden waargenomen. Uit onderzoek van de patholoog-anatoom blijkt dat deze schotwonden hebben gezorgd voor orgaan- en weefselbeschadiging en dat dit heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. De locaties van de inschotopeningen (vier in de rug, één in het achterhoofd en één in het rechteroor) wijzen erop dat het slachtoffer vanaf de achter- en zijkant is beschoten en uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) lijkt te volgen dat het slachtoffer en de schutter tijdens de schoten weinig tot niet in beweging waren ten opzichte van elkaar. Voorts blijkt uit onderzoek van de technische recherche dat de schoten van zeer korte afstand zijn afgevuurd, dat geen sprake is geweest van een worsteling en dat de garage niet is doorzocht.
Naar aanleiding van de dood van het slachtoffer is in 1992 een opsporingsonderzoek gestart waarbij de verdachte en zijn toen vijftienjarige zoon [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als verdachten werden aangemerkt. De strafzaken tegen zowel de verdachte als tegen [naam 1] werden medio 1992 geseponeerd wegens ‘onvoldoende aanwijzing van schuld’. De zaak werd in 2019 op de cold case kalender geplaatst en naar aanleiding van een anonieme getuigenverklaring in 2022 werd in 2023 een nieuw strafrechtelijk onderzoek gestart naar de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van het slachtoffer (onderzoek Russell’s). Die anonieme getuigenverklaring houdt – kort gezegd – in dat [naam 1] in overleg met zijn vader het slachtoffer heeft doodgeschoten omdat het slachtoffer een relatie had met de vrouw van de verdachte. Tegen [naam 1] is geen nieuw strafrechtelijk onderzoek gestart, omdat het recht tot strafvordering – gelet op zijn leeftijd ten tijde van het feit – was vervallen door verjaring.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat de verdachte strafrechtelijk betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer op een wijze zoals is tenlastegelegd.
Bij beantwoording van die vraag, merkt de rechtbank op voorhand het volgende op. Het omvangrijke dossier in deze zaak kenmerkt zich door weinig forensische informatie en zeer veel verklaringen van getuigen en getapte telefoongesprekken tussen getuigen onderling en getuigen en de verdachte. Veel van de getuigen in het dossier zijn familieleden van de verdachte die om hen moverende redenen geen volledige openheid van zaken lijken te hebben willen geven. Ook zijn er veel verklaringen van horen zeggen. Daarbij bevinden zich in het dossier meerdere getuigenverklaringen die als belastend voor de verdachte kunnen worden uitgelegd, maar waarop de betreffende getuigen op enig moment zijn teruggekomen. Opvallend is dat door getuigen zelfs wordt teruggekomen op onderdelen van hun verklaring die door de verdachte zélf zijn erkend. Dat maakt dat de rechtbank behoedzaam omgaat met de verklaringen die zich in het dossier bevinden en zich zal baseren op (delen van) verklaringen die door andere stukken in het dossier worden ondersteund dan wel op stukken die niet worden betwist.
Moment van overlijden
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer op 27 januari 1992 omstreeks 17:00 uur een afspraak had met [naam 1] in de garage. Die afspraak heeft ook plaatsgevonden, zo volgt uit de verklaring van [naam 1] en uit vingerafdrukken van hem die in de garage zijn aangetroffen. Ook blijkt uit het dossier dat het slachtoffer in de nacht van 27 op 28 januari 1992 niet is thuisgekomen en dat dit niet eerder is voorgekomen. Wel had het slachtoffer tegen zijn dochter [naam 2] gezegd dat hij later thuis zou zijn, omdat hij nog een afspraak in Rotterdam had. Met wie het slachtoffer die afspraak had, wordt uit het dossier niet duidelijk. [naam 2] heeft ook verklaard dat zij op 28 januari 1992 omstreeks 09:30 uur de auto van haar vader heeft zien staan voor de garage. Op 28 januari 1992 omstreeks 10:00 uur is getuige [getuige 1] het winkelgedeelte van de garage binnengelopen om de meterstand op te nemen. Niet alleen kwam op zijn roepen geen reactie, ook niet toen hij ongeveer twintig minuten later terugkwam, ook heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de tussendeur tussen de gang en het winkelgedeelte van de garage openstond, iets dat als opmerkelijk kan worden gezien gelet op de rest van het dossier. Voorts blijkt uit het dossier dat het lichaam van het slachtoffer koud en lijkstijf was toen het op 28 januari 1992 omstreeks 17:03 uur werd aangetroffen. Daarbij viel bovendien op dat het slachtoffer een jas droeg en sleutels in zijn hand had. De rechtbank leidt uit die bevindingen af dat het slachtoffer voordat hij werd gedood op het punt stond om de garage te verlaten.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, wanneer voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, sterke aanwijzingen die erop duiden dat het slachtoffer op 27 januari 1992 omstreeks 17:00 uur om het leven is gebracht vlak voordat hij uit de garage wilde vertrekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat door de politie en andere personen die zijn gehoord, lijkt te worden uitgegaan van voornoemd tijdstip van overlijden.
De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat het slachtoffer op een later moment die namiddag of in de avond om het leven is gebracht. Over hoe de avond van het slachtoffer er precies uit heeft gezien op 27 januari 1992, is immers vrijwel geen (verifieerbare) informatie beschikbaar. Wel ziet de rechtbank voldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat het slachtoffer niet meer in leven was in de ochtend van 28 januari 1992.
Motief
De rechtbank overweegt dat uit het dossier onmiskenbaar naar voren komt dat de verdachte woest was op het slachtoffer en zich gekrenkt voelde vanwege de contacten die het slachtoffer had met de vrouw van de verdachte, [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Ook blijkt uit het dossier dat [naam 3] mishandeld werd door de verdachte en dat zij (met hulp van het slachtoffer) heeft geprobeerd afstand van de verdachte te nemen. Het voorgaande is in de maanden voor de dood van het slachtoffer meermaals de aanleiding geweest voor (hoogopgelopen) conflicten tussen de verdachte en het slachtoffer.
Zo volgt uit het dossier dat [naam 3] op 9 oktober 1991 samen met het slachtoffer naar het politiebureau is gegaan en daar heeft verteld dat zij diverse malen is mishandeld door de verdachte en dat zij nooit aangifte heeft durven doen vanwege de angst voor represailles. Ook blijkt uit het dossier dat [naam 3] vanaf 10 oktober 1991 enkele nachten bij het slachtoffer is blijven slapen en dat de verdachte hier heel boos over was. Zo is hij op 11 oktober 1991 midden in de nacht naar het huis van het slachtoffer gegaan, heeft hij hard op de deur geslagen, geschreeuwd en kenbaar gemaakt dat hij zijn vrouw kwam halen en dat zij snel naar huis moest komen. [naam 3] is halverwege oktober 1991 teruggekeerd naar huis nadat zij een aantal dagen bij het slachtoffer had verbleven. De verdachte is vervolgens eind oktober 1991 samen met [naam 3] naar het politiebureau gegaan en heeft daar tegen de politieagent gezegd dat zijn naam en eer behoorlijk waren aangetast, maar dat hij toch besloten had [naam 3] terug te nemen. Wel heeft de verdachte – zo blijkt zowel uit de verklaring van [naam 3] als uit zijn eigen verklaring in 1992 – [naam 3] verboden contact te hebben met het slachtoffer. Uit het dossier blijkt dat [naam 3] en het slachtoffer in de periode die daarop volgde desondanks contact zijn blijven houden.
Voorts kan op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer verschillende malen heeft bedreigd. Opvallend daarbij is dat de verdachte het slachtoffer niet alleen meermaals en in verschillende bewoordingen met de dood heeft bedreigd, maar ook specifiek met het (laten) doden van het slachtoffer met een vuurwapen, terwijl het slachtoffer uiteindelijk ook is overleden aan de gevolgen van zes schotwonden. In dat kader slaat de rechtbank acht op de verklaringen die zijn afgelegd door de kinderen van het slachtoffer en ook die van getuige
[getuige 2] die heeft verklaard dat hij van het slachtoffer heeft gehoord dat hij regelmatig door de Hindoestaanse man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) werd bedreigd met een pistool. Ook het woord ‘liquideren’, het woord dat [naam 1] heeft gehoord uit de mond van zijn vader in relatie tot de problemen met het slachtoffer, wekt associaties op met het gebruik van een vuurwapen en de verdachte heeft ter zitting ook erkend dat hij tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij hem zou liquideren.
Ook kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat het slachtoffer vanwege de bedreigingen zeer angstig was voor de verdachte. Uit voorzorg deed hij de tussendeur in de garage sinds de bedreigingen altijd op slot en heeft hij in oktober 1991 op het politiebureau verteld dat hij werd bedreigd door de verdachte en dat hij voor hem is gewaarschuwd door zowel [naam 3] als [naam 1] .
Uit het dossier leidt de rechtbank voorts af dat een verdere escalatie van het conflict heeft plaatsgevonden kort voordat het slachtoffer op 27 januari 1992 om het leven is gebracht. Uit het dossier blijkt namelijk dat [naam 3] op 16 januari 1992 door de verdachte uit huis is gezet, dat de ruzie die daaraan voorafging over het slachtoffer ging en dat [naam 3] vervolgens bij het slachtoffer heeft verbleven tot en met 18 januari 1992. [naam 3] is daarna wederom teruggekeerd naar huis. Op 23 januari 1992 heeft politieagent [naam 4] gerapporteerd dat het slachtoffer in overspannen toestand naar het bureau is gekomen, dat hij heeft gezegd ‘de situatie niet meer aan te kunnen’ en dat hij trilde en huilde. Uit de rest van het gesprek leidt de rechtbank af dat het slachtoffer doelde op het conflict met de verdachte.
Uit het telefoongesprek tussen de verdachte en het slachtoffer op 25 januari 1992 – twee dagen voordat het slachtoffer om het leven is gebracht – blijkt (wederom) dat de verdachte woedend was op het slachtoffer en zich gekrenkt voelde vanwege het contact dat het slachtoffer met [naam 3] had. Te horen is dat de verdachte op agressieve toon tegen het slachtoffer heeft gesproken en hem heeft uitgescholden, beschimpt, beledigd en bedreigd door hem onder meer een vuile, vieze hufter te noemen die zich er niet mee heeft te bemoeien als hij zijn vrouw de deur uitdondert en verder harstikke dood kan vallen.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de verdachte in meerdere verklaringen en afgeluisterde gesprekken naar voren komt als een dominante, controlerende man die zijn vrouw als zijn bezit ziet, die naar zijn pijpen moet dansen en die hem tevreden moet stellen. Ook uit de WhatsApp-chats van recente datum blijkt van diezelfde controlerende, dominante en bezitterige houding ten opzichte van vrouwen. Dat de verdachte zich als gevolg van de contacten die het slachtoffer had met [naam 3] in het bijzonder gekrenkt en boos heeft gevoeld, en nog steeds voelt, past hier dan ook goed bij.
Tussenconclusie
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte boos en agressief was naar het slachtoffer en zich in zijn eer als man gekrenkt voelde vanwege de contacten die het slachtoffer had met [naam 3] . Het conflict dat hierover tussen de verdachte en het slachtoffer is ontstaan, is in de maanden voordat het slachtoffer werd gedood op meerdere momenten hoog opgelopen, voor het laatst twee dagen voordat het slachtoffer werd gedood. Daarbij komt dat de verdachte het slachtoffer verschillende keren heeft bedreigd, waaronder met het (laten) doden van het slachtoffer met een vuurwapen.
Alibi
De rechtbank overweegt dat door meerdere personen wisselend is verklaard over waar de verdachte zich bevond op 27 januari 1992 rond 17:00 uur. Nu de rechtbank niet kan uitsluiten dat het slachtoffer op een later moment in de namiddag of in de avond om het leven is gebracht, zal de rechtbank tevens ingaan op hetgeen is verklaard over waar de verdachte zich in het laatstgenoemde tijdsbestek op 27 januari 1992 bevond.
Verklaringen verdachte
Volgens de eerste verklaring van de verdachte – toen nog als getuige – zijn er op 27 januari 1992 omstreeks 15:00 uur meubels bij hem bezorgd. Daarna is hij rond 15:30 uur boodschappen gaan doen, was hij omstreeks 16:30 uur terug in zijn woning en heeft hij vervolgens met zijn schoonzus en zoon tot ongeveer 19:00 uur de geleverde meubels gemonteerd. Zijn schoonzus is vervolgens om 20:00 uur vertrokken, waarna de verdachte zich heeft gewassen en omstreeks 22:00 uur met [naam 3] naar een café is gegaan. De verdachte en [naam 3] waren om 00:50 uur thuis.
Volgens de tweede verklaring van de verdachte – de eerste als verdachte – was hij op 27 januari 1992 rond 15:30 uur koffie aan het drinken in de shoarmazaak, in het dossier door anderen ook wel ‘het koffiehuis’ of ‘het café’ genoemd. Om ongeveer 16:00 uur zijn er meubels geleverd en heeft hij geholpen met het uitpakken van die meubels. Om ongeveer 16:15 uur is de verdachte boodschappen gaan doen. Omstreeks 17:15 uur was hij weer in de woning aanwezig en heeft hij (wederom) meubels uitgepakt met zijn schoonzus. Zijn schoonzus heeft de woning omstreeks 21:00 uur verlaten, waarna de verdachte rond 22:00 uur met [naam 3] koffie is gaan drinken in de shoarmazaak. De verdachte en [naam 3] zijn omstreeks 01:00 uur naar huis gegaan.
Volgens de derde verklaring van de verdachte was hij op 27 januari 1992 om 15:30 uur in de shoarmazaak. Om 16:00 uur is hij naar huis gelopen, omdat hij zag dat de meubels werden bezorgd. Vervolgens heeft hij om 16:25 uur de woning verlaten om boodschappen te gaan doen. Hij was om 17:10 uur weer thuis, waarna hij heeft gegeten en om 19:45 uur de tafel en stoelen met zijn schoonzus heeft uitgepakt. Zijn schoonzus is om 20:45 uur vertrokken, waarna de verdachte en [naam 3] van 22:00 uur tot omstreeks 01:00 uur koffie zijn gaan drinken in de shoarmazaak.
Verklaringen getuigen
In de drie getuigenverhoren van [naam 1] heeft hij telkens verklaard dat de verdachte niet thuis was toen hij op 27 januari 1992 tussen omstreeks 16:45 uur en 17:00 uur uit school kwam. In de verhoren daarna heeft [naam 1] geen verklaring meer afgelegd over waar de verdachte was op 27 januari 1992 rond 17:00 uur. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij tussen 17:30 uur en 18:00 uur naar een vriend is gegaan en dat hij om 19:30 uur de verdachte aan de telefoon kreeg toen hij naar huis belde. Omstreeks 20:15 en 20:30 uur was hij weer thuis. De verdachte was toen ook thuis. Rond 21:30 uur is de verdachte met [naam 3] weggegaan.
Getuige [naam 3] heeft op 29 januari 1992 verklaard dat de verdachte op 27 januari 1992 omstreeks 15:30 uur naar het koffiehuis is gegaan en dat hij omstreeks 18:00 uur thuiskwam. Volgens [naam 3] heeft de verdachte het huis daarna niet meer verlaten. Wanneer [naam 3] twee dagen later wederom wordt gehoord door de politie blijft zij bij haar verklaring dat de verdachte tussen 18:00 uur en 18:15 uur thuiskwam. Ook in haar verhoor op 12 maart 1992 blijft [naam 3] bij haar eerdere verklaringen. Wel heeft zij desgevraagd verklaard dat het klopt dat zij heeft gezegd dat de verdachte thuis was op het moment van de moord, maar dat de verdachte tussen 16:00 en 17:00 uur wel boodschappen heeft gedaan. Op de vraag van de politie hoe zij het tijdstip van de moord kan weten, heeft zij geantwoord dit niet te weten.
Getuige [getuige 3] , destijds de schoonzus van de verdachte, heeft op 1 februari 1992 verklaard dat zij op 27 januari 1992 vanaf 16:45 uur bij de familie [achternaam] was en dat de verdachte om ongeveer 17:05 uur thuiskwam. Zij heeft verklaard dat er een nieuwe eetkamertafel en stoelen waren gebracht en dat zij de verdachte heeft geholpen met het afplakken van de poten. Ook heeft zij verklaard dat [naam 1] iets voor 17:00 uur thuiskwam. [naam 1] heeft toen aan zijn moeder – [naam 3] – gevraagd of hij nieuwe schoenen mocht kopen. [naam 3] heeft tegen hem gezegd dat hij dat aan de verdachte moest vragen die in het café zat. Omstreeks 17:25 uur heeft [naam 1] thuis aan de verdachte gevraagd of hij schoenen mocht kopen, waarna hij van de verdachte 270,00 gulden kreeg. [getuige 3] heeft verklaard dat zij tot 20:00 uur in de woning is gebleven en de verdachte is volgens haar al die tijd thuis geweest. Getuige [getuige 3] heeft in 2025 verklaard dat er geen eetkamerstoelen en een tafel zijn bezorgd, dat de verdachte de hele tijd thuis was en dat [naam 1] helemaal niet thuis is geweest.
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte op 27 januari 1992 vanaf omstreeks 15:30/15:40 uur in de shoarmazaak zat en dat hij omstreeks 16:50 uur en 17:15 uur voor enige tijd de shoarmazaak heeft verlaten. Wel is de verdachte weer teruggekeerd naar de shoarmazaak en is hij daar gebleven tot omstreeks 17:30/17:40 uur. [getuige 4] heeft wisselend verklaard over of de verdachte om 22:00 uur in de shoarmazaak was.
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij de verdachte op 27 januari 1992 in de shoarmazaak heeft gesproken tussen ongeveer 14:00 uur en 15:30 uur, dat hij zelf weg is geweest tussen 15:30 uur en 17:00 uur, maar dat de verdachte er niet meer was toen hij omstreeks 17:00 uur terugkwam in de shoarmazaak. De verdachte en zijn vrouw zijn wel omstreeks 22:00 uur samen naar de shoarmazaak gekomen en hebben omstreeks 02:00 uur de shoarmazaak verlaten.
Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat de verdachte op 27 januari 1992 in de shoarmazaak zat van omstreeks 16:00 uur tot omstreeks 17:30 uur, maar dat het goed mogelijk is dat de verdachte even weg is geweest zonder dat dat is opgevallen.
Tussenconclusie
Uit het voorgaande volgt dat door zowel de verdachte als de getuigen zeer wisselend is verklaard over waar de verdachte zich op 27 januari 1992, met name omstreeks 17:00 uur, bevond. Daaruit concludeert de rechtbank dat de verdachte in ieder geval geen sluitend alibi heeft, in het bijzonder niet in de periode waarvan de rechtbank het aannemelijk acht dat het slachtoffer is gedood. Waar de verdachte wel is geweest kan de rechtbank op grond van deze verklaringen of overige stukken in het dossier niet vaststellen.
[naam 1]
Ten aanzien van [naam 1] staat vast dat hij op 27 januari 1992 rond 17:00 uur een afspraak had met het slachtoffer en in de garage was. [naam 1] is vervolgens tussen omstreeks 17:30 uur en 18:00 uur naar een vriend gegaan, waar hij een paar uur is geweest. Rond 20:30 uur is [naam 1] weer thuisgekomen.
De afspraak tussen [naam 1] en het slachtoffer om elkaar op 27 januari 1992 om 17:00 uur in de garage te ontmoeten, is door [naam 1] gemaakt direct na het eerdergenoemde verhitte telefoongesprek tussen de verdachte en het slachtoffer op 25 januari 1992. Dit is opmerkelijk, omdat [naam 1] wel vaker bij het slachtoffer langskwam in de garage en een afspraak helemaal niet nodig was. Daarbij stond in de agenda van het slachtoffer een vraagteken achter de afspraak met [naam 1] . Gelet op de timing van het maken van de afspraak gaat de rechtbank ervan uit dat de ontmoeting te maken had met de hoogoplopende emoties van de verdachte jegens het slachtoffer.
Uit het dossier blijkt niet of het slachtoffer na deze afspraak nog door iemand anders levend is gezien.
Verder bevat het dossier aanwijzingen dat [naam 1] gebukt ging onder de conflicten tussen zijn ouders – [naam 3] en de verdachte – vanwege de contacten tussen [naam 3] en het slachtoffer.
De rechtbank slaat ook acht op de inhoud van een getapt gesprek op 3 februari 1992 tussen de verdachte en [naam 3] , een gesprek dat is gehoord omdat de hoorn niet op de haak lag waardoor het gesprek tussen de personen in de kamer door de politie kon worden afgeluisterd. De verdachte en [naam 3] praten over wie verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. Daarover is onder meer het volgende te horen:
“R: Dan ben ik voor een X aantal jaren in de bak. Kinderen worden groot. Waar is papa-
Papa zit in de bak. Waarom......Mama had zoiets gedaan. En er is zoiets gebeurd. En de politie heeft mij ten onrechte opgepakt.”
“R: Het is zeker. Hij heeft het gewoon gedaan. A. Weet je waarom, omdat “HIJ” voor het laatst met “HEM” gesproken heeft. Toen “HIJ” wegging, vlak daarna gebeurd. …… Hem vermoord en weggegaan. R: Hij heeft het gedaan!”
Dit gesprek tussen de verdachte en [naam 3] – op het moment dat zij thuis vrijuit met elkaar spraken en niet wisten dat de politie meeluisterde met het gesprek – leest de rechtbank aldus dat de verdachte tegen [naam 3] heeft gezegd dat het [naam 1] is die het slachtoffer heeft gedood.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande had [naam 1] een motief en de gelegenheid om het slachtoffer te doden, terwijl – anders dan bij de verdachte – ten aanzien van [naam 1] ook vaststaat dat hij daadwerkelijk bij het slachtoffer in de garage is geweest om 17:00 uur in de middag en er geen later moment kan worden vastgesteld dat het slachtoffer nog levend is gezien. Daar komt bij dat hij door zijn vader als de schutter wordt aangewezen.
Wat levert het voorgaande op?
De rechtbank overweegt op grond van het voorgaande dat de verdachte ontzettend boos op en agressief was naar het slachtoffer, zich over de contacten van [naam 3] met het slachtoffer gekrenkt en in zijn eer aangetast heeft gevoeld en dat twee dagen voordat het slachtoffer werd gedood, de gemoederen tussen de verdachte en het slachtoffer (wederom) hoog zijn opgelopen. Na het verhitte telefoongesprek tussen de verdachte en het slachtoffer op 25 januari 1992 heeft [naam 1] – die ook te lijden had onder het conflict tussen zijn ouders – een afspraak gemaakt met het slachtoffer voor 27 januari 1992 om 17:00 uur, terwijl het maken van een dergelijke afspraak opmerkelijk was. Ook was [naam 1] daadwerkelijk in de garage op 27 januari 1992 omstreeks 17:00 uur.
Zoals eerder overwogen is aannemelijk dat het slachtoffer omstreeks 17:00 uur om het leven is gebracht, maar kan – bij gebreke aan meer verifieerbare informatie – niet worden uitgesloten dat het slachtoffer op een later moment die namiddag of in de avond is gedood. Ten aanzien van de verdachte geldt dat hij – in het bijzonder rondom 17:00 uur – geen sluitend alibi heeft, terwijl aan de andere kant vanwege de wisselende verklaringen ook niet kan worden vastgesteld waar hij wel was. Duidelijk is dat de verdachte meermaals heeft gedreigd met het (laten) doden van het slachtoffer met een vuurwapen, terwijl het slachtoffer ook daadwerkelijk door schoten van een vuurwapen is gedood. Voorts is vastgesteld dat de schoten van zeer korte afstand en vanaf de achter- en zijkant van het slachtoffer op hem zijn afgevuurd en dat geen sprake is geweest van een worsteling. Uit de locaties van de inschotopeningen en de omstandigheid dat het slachtoffer en de schutter niet tot nauwelijks in beweging waren ten opzichte van elkaar leidt de rechtbank af dat het slachtoffer de schoten waarschijnlijk niet heeft zien aankomen. Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het handelen van de schutter duidelijk gericht was op het doden van het slachtoffer, hetgeen goed zou kunnen passen bij de kwaadheid en de geuite voornemens van de verdachte. De rechtbank merkt daarbij op dat er geen aanknopingspunten zijn dat het slachtoffer andere conflicten had, anders dan het conflict dat hij met de verdachte had vanwege zijn contacten met [naam 3] . Het dossier bevat dan ook vrijwel uitsluitend sterke aanwijzingen voor strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte en/of [naam 1] .
Tegelijkertijd kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen wie het slachtoffer heeft gedood en kan evenmin worden vastgesteld dat zij, of één van hen, dat samen met nog een ander zouden hebben gedaan. Het dossier bevat immers niets over onderlinge afstemming of samenwerking die zou hebben plaatsgevonden. Een mogelijkheid die de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier niet zonder meer als onaannemelijk buiten beschouwing kan laten, blijft dat [naam 1] alleen, zonder enige betrokkenheid van de verdachte, het slachtoffer heeft gedood zoals de verdachte op 3 februari 1992 aan zijn vrouw heeft verteld. Dit staat in de weg aan een bewezenverklaring van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Gelet hierop moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft op 6 maart 2026 in raadkamer beslist dat de voorlopige hechtenis van verdachte per direct wordt opgeheven. Deze beslissing is separaat opgemaakt.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.C.S. Ramlal en mr. S.F. Schippers, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2026.