RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55769, NL25.55770, NL25.55771 en NL25.55772
[eiseres] , eiseres
en hun kinderen
[eiser 2] , eiser 2
en
[eiseres 2] , eiseres 2
tezamen: eisers
V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4]
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eisers hun vrees voor vervolging, vanwege het feit dat zij betrokken zijn bij de Gülenbeweging, onvoldoende hebben geïndividualiseerd. Verweerder heeft in dat kader niet ongemotiveerd voorbij kunnen gaan aan de door hen overgelegde stukken uit strafdossiers. Daarnaast heeft verweerder de verklaringen van eisers onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de sterkte van hun politieke overtuiging, zodat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers vanwege hun politieke overtuiging geen risico lopen bij terugkeer. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 28 september 2025 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij hebben de Turkse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1975, [datum 2] 1982, [datum 3] 2002 en [datum 3] 2007. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 8 november 2025 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft in de zaak van eiser en eiser 2 verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Feiten en omstandigheden
De asielrelazen
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen, samengevat, het volgende ten grondslag.
[eiser] (eiser) raakte dertig jaar geleden betrokken bij de Gülenbeweging. Hij heeft les gegeven op een Gülenschool. Hij is in 2016 is ontslagen als docent bij de Gülenschool. Dit had te maken met de coup in 2016. Er is een strafrechtelijk proces tegen hem aangespannen vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiser is ook enige tijd in verzekering gesteld. Daarna kreeg hij een meldplicht opgelegd tot eind 2017 en heeft hij een uitreisverbod gekregen. Eiser is in februari 2025 vrijgesproken. Hij heeft in de tussentijd moeite gehad werk te vinden en heeft psychische klachten ontwikkeld. Hij kreeg paniekaanvallen en zelfmoordneigingen. Eiser is ondanks de strafvervolging altijd betrokken gebleven bij de Gülenbeweging. Hij heeft zich vanaf 2023 ingezet voor activiteiten van [organisatie] , de organisatie waarvoor zijn echtgenote (eiseres) ook actief was. Toen leden van die organisatie gearresteerd werden in juni 2025, heeft eiser met zijn gezin besloten het land te verlaten.
[eiseres] (eiseres) is sinds eind 2023 tot juni 2025 actief geweest als vrijwilliger bij de organisatie [organisatie] , een organisatie die is gelieerd aan de Gülenbeweging. Eiseres was betrokken bij de planning van activiteiten en gezinsbezoeken van Gülenisten die gevangen zaten. Zij gebruikte binnen de organisatie [organisatie] een schuilnaam. Zij was ook actief als abla van geheime bijeenkomsten (sohbets). Een abla is een ideologische vormer binnen de Gülenbeweging. In juni 2025 vond er een inval plaats bij de organisatie [organisatie] . Er zijn bij die inval en daarna een aantal collega’s opgepakt die nog steeds vast zitten of huisarrest hebben. De organisatie is sindsdien gesloten en de website offline. Naar aanleiding van deze inval en uit vrees om zelf opgepakt te worden, heeft eiseres met haar gezin besloten om Turkije te verlaten.3.3. [eiser 2] (eiser 2) is aanhanger van de Gülenbeweging en nam deel aan activiteiten van [organisatie] en het [naam boekencafé] , een boekencafé. Hij heeft een maand bij het [naam boekencafé] gewerkt en kent de eigenaar die een oud leraar van hem was en die is veroordeeld in verband met Gülenisme. Eiser nam deel aan geheime ontmoetingen (sohbets) onder een schuilnaam. Beide organisaties zijn door de Turkse autoriteiten gesloten en vrijwilligers zijn opgepakt. Er zijn ook vrienden van eiser aangehouden. [eiser 2] vreest hierdoor zelf ook te worden vervolgd.
[eiseres 2] (eiseres 2) is een jaar naar een Gülenschool gegaan. Zij heeft tot aan begin 2025 activiteiten verricht voor [organisatie] en zij kreeg bijles in het [naam boekencafé] . In het [naam boekencafé] is zij voor het laatst geweest in mei 2025. Naar aanleiding van de politie-invallen in juni 2025 bij het café en bij [organisatie] loopt een politieonderzoek en [eiseres 2] vreest dat haar naam naar voren zal komen uit het onderzoek vanwege de telefoongegevens en het verhaal dat zij heeft geschreven en dat gepubliceerd is in het boek [naam boek] .
Eisers zijn op 27 september 2025 Turkije legaal uitgereisd.
De bestreden besluiten
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. hun identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. ten aanzien van eiser, dat hij is aangeklaagd en vrijgesproken vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging; ten aanzien van eiseres, haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging; ten aanzien van eiser 2, dat hij een aanhanger is van de Gülenbeweging; ten aanzien van eiseres 2, dat zij betrokken is bij de Gülenbeweging.
Verweerder gelooft de asielmotieven van eisers. Hij acht echter de vrees van eisers om (opnieuw) problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eisers als Gülenaanhangers vallen onder het risicoprofiel genoemd in paragrafen C2/2.4 en C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Volgens verweerder hebben eisers echter niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Verweerder heeft daarbij de aard van de activiteiten betrokken en het feit dat eisers, na de inval bij [organisatie] en het [naam boekencafé] in juni 2025, geen problemen hebben gehad tot aan hun vertrek. Ook heeft verweerder daarbij betrokken dat eisers probleemloos paspoorten hebben aangevraagd en Turkije legaal zijn uitgereisd. Hun politieke overtuiging is niet dusdanig sterk dat zij daardoor bij terugkeer problemen zullen krijgen. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvragen ongegrond zijn. Aan eisers zijn terugkeerbesluiten uitgevaardigd.
De beroepsgronden
5. Eisers voeren in beroep, samengevat, aan dat verweerder de beleidswijziging van Turkije per 1 december 2023 (WBV 2023/24) onvoldoende heeft onderbouwd. Eisers verwijzen in dit kader naar de uitspraak van 14 januari 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, waarin de rechtbank volgens eiser heeft geoordeeld dat de door verweerder gehanteerde beleidswijziging per 1 december 2023 onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daarnaast hebben eisers gesteld dat zij, ook als rekening wordt gehouden met de beleidswijziging, op grond van hun persoonlijke situatie en individuele omstandigheden te vrezen hebben voor vervolging. Eisers hebben daartoe in beroep meerdere documenten overgelegd om het strafproces in Turkije, gericht tegen personen van [organisatie] en [naam boekencafé] , te onderbouwen. Eisers hebben ook stukken overgelegd waaruit blijkt dat eisers naam in strafdossiers van Gülenisten voorkomt die vervolgd worden of gevangen zijn. Volgens eisers blijkt uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 en de door eiser overgelegde landeninformatie dat ook niet-prominente personen die betrokken zijn bij de Gülenbeweging een risico kunnen lopen. Eisers voeren ook aan dat van hen niet kan worden verlangd dat zij zich bij terugkeer terughoudend opstellen ten aanzien van hun Gülenistische overtuiging, om vervolging te voorkomen.
Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissingen.
Beoordeling door de rechtbank
Is de beleidswijziging voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?
6. Eisers voeren aan dat verweerder de beleidswijziging van 1 december 2023, waarmee voor Gülenisten een zwaardere bewijslast is opgelegd, onvoldoende heeft gemotiveerd. Eisers stellen dat uit landeninformatie blijkt dat de situatie voor Gülen-aanhangers nog steeds slecht is en dat de afname van vervolging van Gülen-aanhangers niet noodzakelijk het gevolg is van verminderde negatieve aandacht.
De rechtbank overweegt als volgt. In het beleid van vóór 1 december 2023, werd de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdeling en het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe een passage opgenomen, die leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen. Dit beleid is per 1 december 2023 vervallen. Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülenbeweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.
De rechtbank verwijst voor de beoordeling van deze beroepsgrond naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 november 2025. Daarin heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming dient te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is niet zo hoog dat, zonder individueel onderzoek, kan worden geconcludeerd dat de vrees voor vervolging gegrond is of dat zij een reëel risico op ernstige schade lopen vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De beleidswijziging is volgens de meervoudige kamer niet onredelijk. De rechtbank volgt eisers ook niet in de stelling dat verweerder hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van 25 november 2025 geen besluit op de asielaanvragen van eisers kon nemen. Er is geen rechtsregel die verweerder daartoe verplicht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Hebben eisers op grond van hun individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?
Beroepsgrond van eisers
7. Eisers voeren aan dat zij, uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader, gegronde vrees voor vervolging hebben en een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. Zij wijzen op hun persoonlijke relazen, het feit dat zij onder een risicoprofiel vallen en de landeninformatie over Turkije. Ook heeft verweerder onvoldoende betrokken dat eiser eerder strafrechtelijk is vervolgd, onder verwijzing naar artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Het feit dat hij is vrijgesproken, betekent niet dat hij niet opnieuw in de negatieve belangstelling kan (komen te) staan.
In beroep hebben eisers stukken overgelegd afkomstig uit verschillende strafdossiers en verklaringen van personen die zelf onderwerp zijn geweest van strafrechtelijke operaties door de overheid en die zien op lopende of recent voortgezette strafrechtelijke onderzoeken door de Turkse autoriteiten. Zo hebben eisers delen van de dagvaarding uit het strafdossier van [organisatie] overgelegd en de vertaling daarvan. Daarin komt de schuilnaam van eiseres voor. Ook blijkt daaruit dat [organisatie] en [naam boekencafé] worden aangemerkt als samenwerkingsverbanden van de terroristische organisatie FETÖ en dat het onderzoek naar digitale bronnen nog loopt. Eisers vrezen dat hun identiteit en betrokkenheid bij [organisatie] , voorzover die al niet bekend zijn bij de autoriteiten, via dit onderzoek alsnog naar voren zal komen. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat de opgepakte collega’s van eiseres nog steeds vastzitten. Verder wordt in de van het strafrechtelijk onderzoek naar [naam] (een vriend en oud-collega eiser), die ook wordt verdacht van FETÖ, eisers naam genoemd. Eiser heeft toegelicht dat zijn naam wordt genoemd omdat hij contact had met [naam] en omdat hij geld aan hem heeft overgemaakt. Daarnaast zijn verklaringen en stukken (deels vertaald) overgelegd afkomstig uit andere lopende strafrechtelijke onderzoeken, waarin de naam van eiser ook voorkomt. Daarnaast hebben eisers verwezen naar het rapport van de VN-communicatie van de Special Procedures en de Working Group on Arbitrary Detention en het rapport “Gevaar voor burgerlijke genocide in Turkije – Herstructureringsoperaties en rapport over slachtoffers (2023–2024)” van de Stichting IPN Juridische Commissie. Deze landeninformatie bevestigt dat de repressie tegen (vermeende) aanhangers van de Gülenbeweging ook in 2023–2025 structureel voortduurt. Vrijspraak, tijdsverloop of legaal gedrag bieden geen bescherming tegen hernieuwde vervolging, terwijl juist familieleden, jongvolwassenen, vrijwilligers en sociale netwerken expliciet doelwit zijn van herstructureringsoperaties. Ter zitting hebben eisers gesteld dat in het UYAP-systeem niet is terug te zien of er een onderzoek naar hen loopt, nu daarin alleen wordt geregistreerd als men is opgepakt of als men is gedagvaard of veroordeeld. Eisers stellen dat zij dit juist met hun vlucht hebben willen voorkomen. Eisers voeren aan dat zij allen vanwege hun eigen activiteiten individueel te vrezen hebben voor vervolging, maar dat de omstandigheid dat zij tot hetzelfde gezin behoren maakt dat zij een verhoogd risico lopen op vervolging. Verweerder heeft ten onrechte niet alle omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld.
Standpunt van verweerder
8. Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt eisers hun vrees dat zij bij terugkeer problemen zullen krijgen met Turkse autoriteiten, niet aannemelijk hebben gemaakt. De situatie van Gülenisten in Turkije is zorgelijk en bij terugkeer is er een kans op vervolging of enig risico op ernstige schade. Die kans of dat risico is echter niet zo hoog dat aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Turkije zullen worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zullen worden, alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülenist, mede gezien de Turkse rechtsbescherming.
Ten aanzien van eiser weegt verweerder mee dat hij heeft verklaard dat hij in februari 2025 is vrijgesproken van het lidmaatschap van een gewapende terroristische groepering. De vrijspraak, het opheffen van het uitreisverbod, de legale uitreis en beperkte activiteiten van eiser wijzen erop dat eiser niet langer in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. De genoemde rapporten beschrijven de algemene situatie, maar tonen niet aan dat eiser persoonlijk een reëel risico loopt op vervolging.
Ten aanzien van eiseres stelt verweerder zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van de betrokkenheid van eiseres bij [organisatie] . Dat blijkt niet uit de verklaringen, noch uit documenten of uit foto's. Eiseres heeft probleemloos het land kunnen verlaten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege deze uiting van haar politieke overtuiging de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal wekken. Het gebruik van een schuilnaam ondersteunt de conclusie dat zij daarmee voor de autoriteiten minder herkenbaar was en draagt niet bij aan de aannemelijkheid van persoonlijke negatieve aandacht.
Ten aanzien van eiser 2 stelt verweerder dat uit zijn deelname aan sohbet-bijeenkomsten niet blijkt van enige indicatie, laat staan van ‘meer dan geringe indicaties’, voor vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Uit zijn verklaringen, noch uit de overgelegde (landen) informatie blijkt dat er een onderzoek loopt naar eiser 2 of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten en persoonlijk risico loopt. Dit wordt ook bevestigd door de legale uitreis.
Verweerder stelt zich ten aanzien van eiseres 2 op het standpunt dat ook zij de gestelde vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Niet gebleken is dat de autoriteiten naar haar op zoek waren of dat er indicaties zijn die erop wijzen dat zij in verband wordt gebracht met [organisatie] of [naam boekencafé] .
In het verweerschrift heeft verweerder zich, ten aanzien van de overgelegde strafrechtelijke stukken, op het standpunt gesteld dat deze bevestigen dat de positie van Gülenisten in Turkije zorgelijk is en dat eiser als Gülenist bekend staat bij de Turkse autoriteiten. Dat eiser in strafrechtelijke stukken wordt genoemd, betekent volgens verweerder echter niet dat hij op dit moment in de negatieve belangstelling staat. Het is een logisch gevolg van een jarenlange strafvervolging. De stukken zijn daarnaast niet uit objectief verifieerbare bron afkomstig en enkel in kopie overgelegd, uit de context van een groter geheel gehaald en zeer selectief vertaald. Daarbij komt dat de stukken niet aantonen dat eiser zelf wordt vervolgd. De landeninformatie waar eisers naar verwijzen wijkt niet af van wat in het Algemeen ambtsbericht Turkije is opgenomen. Uit dit ambtsbericht blijkt dat met name Gülenisten die in het veiligheids- of justitieel apparaat hebben gediend en hun familieleden in de negatieve aandacht staan. Dat in het ambtsbericht wordt vermeld dat vrijgelaten Gülenisten in de gaten kunnen worden gehouden, is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Oordeel rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de betrokkenheid van eisers bij de Gülenbeweging, eisers strafrechtelijke vervolging, zijn meldplicht en uitreisverbod en alle activiteiten van eisers geloofwaardig heeft geacht. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiseres werkzaam was bij [organisatie] , dat zij activiteiten organiseerde voor families van gevangengezette Gülenaanhangers, dat zij abla is en dat zij in die hoedanigheid ook sohbets organiseerde. Verweerder heeft ook niet bestreden dat er in juni 2025 een inval is geweest bij [organisatie] en [naam boekencafé] en dat het strafrechtelijk onderzoek daarnaar nog loopt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de geloofwaardig geachte strafvervolging van eiser, de activiteiten van eisers en het feit dat in beroep bewijsstukken van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar [organisatie] en [naam boekencafé] zijn overgelegd en andere strafrechtelijke stukken waarin eiser bij naam wordt genoemd, onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers hun vrees voor vervolging of risico op ernstige schade niet geïndividualiseerd aannemelijk hebben gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met de overgelegde stukken uit het strafdossier van [organisatie] en [naam boekencafé] en de andere strafrechtelijke stukken, een begin van bewijs geleverd dat zij een risico lopen bij terugkeer. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de schuilnaam van eiseres voorkomt in de stukken en dat eiser ook wordt genoemd in het strafdossier van een oud-collega. Voor zover verweerder stelt dat eiseres geen risico loopt omdat zij niet met haar eigen naam, maar met haar schuilnaam in het strafdossier voorkomt, volgt de rechtbank dit niet. Gelet op de rol van eiseres binnen [organisatie] en het feit dat het onderzoek naar digitale bestanden van [organisatie] nog loopt, is niet uitgesloten dat de Turkse autoriteiten achter de identiteit van eiseres kunnen komen. Ook volgt uit het strafdossier dat [organisatie] en [naam boekencafé] worden aangemerkt als samenwerkingsverbanden van FETÖ. Gelet op die informatie kan verweerder zich zonder nadere motivering niet langer op het standpunt stellen dat dit legale organisaties zijn. De rechtbank volgt verweerder daarnaast niet in zijn standpunt dat aan de overgelegde stukken uit de strafdossiers geen waarde gehecht kan worden omdat de strafdossiers niet volledig zijn overgelegd en vertaald. Zoals de gemachtigde van eisers ter zitting heeft toegelicht, is het volledige strafdossier in de zaak van [organisatie] erg omvangrijk en krijgt zij slechts een beperkte toevoeging voor de vertaling van de stukken. Zij heeft zich daarom beperkt tot de relevante passages waarin eisers zelf of de organisaties worden genoemd. De rechtbank acht dit voldoende. Daarbij komt dat eisers niet hoeven te bewijzen dat zij zelf strafrechtelijk worden vervolgd. Het individualiseringsvereiste behelst immers niet dat eisers hun vrees voor vervolging moeten aantonen, maar aannemelijk moeten maken. Verweerder hanteert naar het oordeel van de rechtbank een te hoge bewijsmaatstaf.
De rechtbank acht bij de beoordeling ook van belang dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 volgt dat in de verslagperiode niet alle opgepakte Gülenverdachten behoorden tot de politie, het leger en het ambtenarenapparaat. Eisers wijzen erop dat blijkens het ambtsbericht ook sprake is van een restcategorie, die wordt aangeduid als güncel yapilanma (‘actual structure’). Daartoe behoren onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden helpen met bijvoorbeeld geld of voedsel. De Turkse autoriteiten verdenken personen die gevangengezette Gülenisten en/of hun families ondersteunen van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom eisers niet onder deze restcategorie kunnen worden geschaard. Niet in geschil is dat eisers, met name eiseres, zich hebben ingezet voor [organisatie] die gezinnen van gevangengezette Gülenisten helpt, onder meer door middel van voedsel en geld. Daarbij komt dat eiseres als abla fungeerde. Verweerders standpunt ter zitting, dat deze passage in het ambtsbericht specifiek ziet op operaties tussen januari en oktober 2024 en daarmee niet van toepassing is op de problemen van eisers, volgt de rechtbank niet. Weliswaar wordt de restcategorie aangehaald in het licht van die operaties, maar de rechtbank leest het ambtsbericht zo dat dit als voorbeeld wordt genoemd van de aandacht die van de Turkse autoriteiten ook uitgaat naar mensen die verdacht worden van het herstructureren van de Gülenbeweging. In dezelfde paragraaf in het ambtsbericht wordt daarnaast omschreven dat mensen relatief gemakkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Deze dynamiek bleef aanwezig in de verslagperiode, zo meldt het ambtsbericht.
De rechtbank volgt daarnaast eisers in hun stelling dat de vrijspraak van eiser in februari 2025 niet automatisch betekent dat hij geen risico meer loopt. De inval bij [organisatie] en de overgelegde stukken uit het strafdossier naar [organisatie] dateren van daarna. Dit kan betekenen dat hij weer opnieuw in de negatieve belangstelling is komen te staan. Ook volgt uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 dat de vervolging van Gülenisten extreem willekeurig en onvoorspelbaar is. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de ingebrachte strafrechtelijke stukken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daar niet ongemotiveerd aan voorbij kon gaan, gelet op de samenwerkingsplicht in het kader van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Met betrekking tot de tegenwerping dat eisers legaal zijn uitgereisd en daarom aangenomen moet worden dat zij niet in de negatieve belangstelling staan, stelt de rechtbank vast dat uit het ambtsbericht volgt dat het mogelijk is dat een persoon, waartegen een strafrechtelijk onderzoek of een strafzaak loopt en waarover in UYAP stukken zijn opgeslagen, op legale wijze Turkije kan verlaten. In het licht van die informatie heeft verweerder aan de legale uitreis te veel waarde gehecht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de besluiten van eiser en eiseres zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken kleven.
Met betrekking tot eiser 2 en eiseres 2 is de rechtbank van oordeel dat in het licht van het voorgaande, het strafrechtelijk onderzoek naar [organisatie] en [naam boekencafé] en het feit dat zij ook betrokken waren bij [organisatie] en het [naam boekencafé] en dat eiseres 2 ook geregistreerd staat in het systeem van [organisatie] , terwijl het strafrechtelijk onderzoek naar digitale systemen nog loopt, ook op dit punt zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken aan die besluiten kleven. Uit het rapport van UK Home Office waar eisers naar hebben verwezen, volgt ook dat het hebben van familieleden die Gülenaanhangers zijn een risicofactor kan zijn. Het standpunt van verweerder, dat eiser is vrijgesproken en er daarom eisers kinderen ook geen risico lopen, is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende. Verweerder heeft het familierisico onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld en betrokken.
Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en onvoldoende gemotiveerd dat eisers hun vrees voor vervolging onvoldoende hebben geïndividualiseerd. De beroepsgrond slaagt.
Politieke overtuiging
Beroepsgrond eisers
10. Eisers stellen, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2026, dat van hen niet kan worden verlangd dat zij zich blijvend op de achtergrond houden ten aanzien van hun Gülenistische overtuiging om vervolging te vermijden. Dat is in strijd met jurisprudentie van het Hof van Justitie. Zij stellen dat zij hun activiteiten zoveel mogelijk niet openlijk hebben verricht om problemen te voorkomen. Verweerder heeft volgens eisers onvoldoende onderzocht of zij zich bij terugkeer opnieuw zullen uiten als aanhangers van de Gülenbeweging.
Standpunt verweerder
11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser door zijn deelname aan bepaalde activiteiten voor [organisatie] niet persoonlijk in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Uit de verklaringen van eiser blijkt bovendien dat het politieke aspect van de overtuiging niet zo groot is. Eiser heeft immers verklaard dat hetgeen hij met name geleerd heeft van de Gülenbeweging was om respectvol en humaan met anderen om te gaan, ongeacht het geloof en dat correctheid en geweten heel belangrijk waren. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij vanuit deze overtuiging een visie heeft om jongeren te coachen en dat u deze visie niet verloren hebt. Het politieke aspect is niet duidelijk op de voorgrond aanwezig. Niet wordt ingezien dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen activiteiten kan verrichten vanuit deze overtuiging. Ook wordt niet ingezien dat hij in de negatieve belangstelling komt te staan wanneer hij jongeren coacht, deelneemt aan picknicks of met anderen samen een boek van Gülen leest.
Ten aanzien van eiseres stelt verweerder zich op het standpunt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege het uiten van haar politieke overtuiging de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal wekken. Eiseres heeft verklaard dat de voornaamste reden dat zij actief is geworden voor de [organisatie] organisatie was dat zij in een sociaal isolement zat en zij meer een sociaal leven wilde hebben. Eiseres kan bij terugkeer ook op andere wijze activiteiten verrichten waardoor zij niet in een sociaal isolement zit. De uitlatingen van eiseres zijn niet strikt verbonden met de Gülenbeweging wat betreft haar politieke overtuiging. Het is niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Turkije activiteiten zal verrichten die door de Turkse autoriteiten gezien worden als activiteiten voor de Gülenbeweging.
Oordeel rechtbank
12. De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Y en Z uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Relevante elementen voor deze beoordeling zijn de sterkte van de overtuiging van de betrokkene en eventueel verrichte activiteiten om die overtuiging uit te dragen. Het is niet vereist dat de overtuiging van de betrokkene zo diepgeworteld is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten. Volgens het arrest moet een uitputtend en grondig onderzoek worden verricht naar de relevante omstandigheden, waarbij zowel de specifieke persoonlijke situatie van de betrokkene als de bredere context van het land van herkomst in aanmerking moeten worden genomen.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser al ongeveer dertig jaar betrokken is bij de Gülenbeweging en dat hij geruime tijd docent was binnen een instelling die behoorde tot de Gülenstructuur. Na de couppoging in 2016 is eiser ontslagen, aangehouden en formeel aangemerkt als verdachte van lidmaatschap van een terroristische organisatie. Zijn onderwijsbevoegdheid is ingetrokken, zijn woning en school zijn doorzocht en hij is onderworpen aan strafrechtelijke vervolging. Eiser heeft een meldplicht opgelegd gekregen van 2016 tot 2017 en heeft een uitreisverbod gehad die duurde tot zijn vrijspraak in 2025. Eiser heeft ook activiteiten verricht voor [organisatie] . Eiseres is vanaf 2023 (onder een schuilnaam) structureel betrokken geweest bij [organisatie] . Zij organiseerde onder meer activiteiten en bood hulp aan families van gevangengezette Gülenisten. Zij was daarnaast abla en heeft in die hoedanigheid sohbets geleid.
De rechtbank stelt vast dat dit relevante omstandigheden zijn voor de beoordeling of bij eiser en eiseres sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging, zoals bedoeld in het arrest X en Y. Deze omstandigheden geven inzicht in de sterkte van de overtuiging van eisers, omdat daaruit blijkt dat zij sinds lange tijd actief betrokken zijn bij de Gülenbeweging. Eiser is, ondanks de daaraan verbonden risico’s na de start van zijn strafrechtelijke vervolging in 2016, hulp blijven bieden aan families van Gülen-aanhangers die om politieke redenen in de gevangenis zaten. Verweerder heeft dit onvoldoende betrokken in het bestreden besluit van eiser, nu verweerder voornamelijk de meest recente activiteiten (sinds 2023) van eiser heeft beoordeeld. Uit het besluit blijkt niet dat is betrokken dat hij al dertig jaar actief is voor de Gülenbeweging en ondanks de jarenlange strafrechtelijke vervolging actief is gebleven. Zoals het arrest Y en Z vereist, moet verweerder een uitputtend en grondig onderzoek verrichten of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een (toegedichte) politieke overtuiging. Verweerder had daarom op basis van de verklaringen van eiser over zijn activiteiten voor en na de staatsgreep van 2016 moeten beoordelen of het reëel en geloofwaardig is dat hij zich bij terugkeer in Turkije zal blijven uiten als aanhanger van de Gülenbeweging of ondersteuning zal bieden aan gezinnen van hulpbehoevende (gedetineerde) Gülenisten. Ook heeft verweerder de verklaringen van eiseres onvoldoende betrokken bij de beoordeling van haar politieke overtuiging. Uit haar rol als abla (leider en ‘moeder’ binnen de Gülenbeweging) en haar activiteiten voor [organisatie] blijkt dat haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet van ondergeschikte aard was. Nu verweerder onvoldoende kenbaar alle verklaringen, feiten en omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld, zijn de besluiten onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd.
Ten aanzien van de beoordeling van de politieke overtuiging van eiser 2 en eiseres 2 is de rechtbank van oordeel dat, nu de politieke overtuiging van hun ouders onvoldoende is gemotiveerd, ook de besluiten van eiser 2 en eiseres 2 op dit punt geen stand kunnen houden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij als kinderen van Gülen-aanhangers geen risico lopen ook als Gülenist te worden beschouwd en daarmee een risico lopen bij terugkeer.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de aanvragen van eisers ten onrechte afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor tien weken, in verband met het doen van nader onderzoek.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft beroepschriften ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank beschouwt de zaken van eisers vanwege de inhoud als samenhangende zaken, wegingsfactor 1,5. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 8 november 2025;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.