ECLI:NL:RBDHA:2026:6376

ECLI:NL:RBDHA:2026:6376

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer NL26.3798 en AWB 26/1281
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL, ongegrond.

Uitspraak

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 25 december 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser met ingang van die datum in een Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Het COa en de minister hebben op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser was te laat en kwam aan het eind van de zitting. Hij heeft zich tijdens de zitting dus grotendeels laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Een tolk was aanwezig. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Ook krijgt eiser geen schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Oordeel ten aanzien van het plaatsingsbesluit

3. Eiser verblijft sinds 23 september 2025 onafgebroken in de HTL. Aan hem is tweemaal eerder een HTL-maatregel opgelegd, namelijk bij besluit van 9 mei 2025 en bij besluit van 23 september 2025.

Incident of incidenten

De rechtbank stelt vast dat het plaatsingsbesluit niet expliciet aangeeft of sprake is van één incident met zeer grote impact of meerdere incidenten met grote impact. In het plaatsingsbesluit zijn verschillende incidenten omschreven, waarbij het incident van 12 november 2025 is uitgelicht.

Uit de verslaglegging van het COa blijkt dat eiser op 12 november 2025 omstreeks 15:40 uur betrokken was bij een incident. Het incident voltrok zich in één van de ROV-kamers. Twee medewerkers van het COa hebben via camerabeelden waargenomen dat eiser een discussie had met een medebewoner. Daarbij was sprake van fysiek contact. Eiser en de medebewoner pakten elkaar op een gegeven moment stevig vast en de medebewoner probeerde eiser van zich af te duwen, maar eiser bleef dichtbij de medebewoner staan. Eiser duwde vervolgens de medebewoner tegen de muur en drukte hem daarna naar beneden. Eiser heeft vervolgens de medebewoner in het gezicht geslagen met beide handen. De eerste klap werd uitgedeeld met eisers linkerhand en daarna volgde een tweede klap met eisers rechterhand die de medebewoner vol het gezicht raakte. De medebewoner reageerde daarna heviger en verzette zich hevig, dat leidde tot een worsteling, waarna eiser opnieuw uithaalde met een gebalde vuist richting de medebewoner. Op dat moment arriveerden de BOA’s en hebben ze de situatie onder controle gebracht. De medebewoner is gevraagd of hij aangifte wilde doen bij de politie en is daarbij geholpen om dat te doen.

In het plaatsingsbesluit is zijn daarnaast andere incidenten omschreven, namelijk de incidenten die sinds 23 september 2025, de datum van de tweede HTL-maatregel, hebben plaatsgevonden. Het gaat om incidenten op 31 oktober 2025, 6 november 2025, 9 november 2025, 23 november 2025, 24 november 2025 en 27 november 2025. Met uitzondering van bij het laatste incident was bij al deze incidenten sprake van agressie en gewelddadig gedrag.

4. Eiser ontkent geweld te hebben gebruikt op 12 november 2025. De rechtbank overweegt dat het COa het incident en ook de andere incidenten gedetailleerd heeft beschreven. Uit de verslaglegging volgt duidelijk hoe het incident op 12 november 2025 heeft plaatsgevonden en dat (een deel van) de feiten door meerdere getuigen, BOA’s en COa-medewerkers, zijn waargenomen. De feiten zijn vastgelegd op camera en de beelden hiervan zijn later teruggekeken door COa-medewerkers. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van eiser dat de feitelijke beschrijving van het incident niet klopt en dat hij geen geweld gebruikt heeft, is onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Hoewel het plaatsingsbesluit hier wellicht niet expliciet over is, is de rechtbank van oordeel, anders dan eiser stelt, dat het COa in het plaatsingsbesluit voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van meerdere incidenten met (zeer) grote impact. In het plaatsingsbesluit is toegelicht dat het incident van 12 november 2025 grote impact heeft gehad. Uit het besluit blijkt verder dat de incidenten op 31 oktober 2025, 6 november 2025 en 9 november 2025 een zeer grote impact hebben gehad. De incidenten van 23 en 24 november 2025 zijn allebei gekwalificeerd als incident met grote impact. Het incident van 27 november 2025 betrof niet naleving van de huisregels. Tijdens de zitting is toegelicht dat dit incident moet worden gekwalificeerd als incident met middelgrote impact. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het COa terecht en op goede gronden het plaatsingsbesluit aan eiser heeft opgelegd en dat sprake is geweest van meerdere incidenten met (zeer) grote impact. De rechtbank acht het enkele tijdsverloop tussen de incidenten en het plaatsingsbesluit onvoldoende om de incidenten in deze zaak niet meer aan eiser te kunnen tegenwerpen, nu eiser, zoals het COa terecht stelt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gedrag nadien is veranderd. De beroepsgrond slaagt niet.

Contra-indicatie

De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van contra-indicaties. Het COa heeft, vanwege de psychische problematiek, zorgvuldig gehandeld door de GZA te raadplegen voorafgaand aan het plaatsingsbesluit. De GZA heeft niet aangegeven dat er een contra-indicatie bestaat voor de plaatsing in de HTL. Eiser heeft verder zijn stelling dat hij vanwege zijn psychische situatie niet geschikt is voor plaatsing in de HTL niet met recente medische stukken onderbouwd. De rechtbank wijst erop dat er in de HTL, zo blijkt ook afdoende uit het plaatsingsbesluit, adequate medische voorzieningen beschikbaar zijn voor eiser. Anders dan door eiser op dit punt is aangevoerd, is niet gebleken dat de medische voorzieningen of behandelingen in de HTL niet aanwezig zijn en/of dat eiser daarvan geen gebruik heeft kunnen maken.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat bij eiser sprake is van psychische problematiek en dat hierover reeds contact bestaat en behandeling met medische zorginstanties waaronder GZA en Veldzicht. In het plaatsingsbesluit is onder meer vermeld dat Veldzicht in het verleden contact heeft opgenomen met de crisisdienst en dat is vastgesteld dat geen sprake is van een acuut psychotisch beeld maar wel het dringend advies is gegeven om bij strafbare feiten aangifte te doen. Ter zitting verklaarde eiser dat hij zich vrijwillig wil laten opnemen bij Veldzicht omdat het verblijf in de HTL voor hem niet helpend is. De gemachtigde van het COa en de minister heeft ter zitting toegelicht dat een dergelijk traject niet zal worden tegengehouden. De rechtbank geeft eiser daarom mee om, indien hij nog steeds bereid is om aan zijn psychische problematiek te werken, hierover contact op te nemen met GZA en/of Veldzicht, zoals ook door de gemachtigde van het COa en de minister ter zitting is aangegeven. Een dergelijk traject kan mogelijk bijdragen aan een voor eiser passende behandeling en ondersteuning, wat voor eiser zelf ook van belang kan zijn, temeer nu hij herhaaldelijk benadrukt dat het verblijf op de HTL-locatie voor hem, vanwege zijn psychische problematiek, belastend is en gelet op de inmiddels lange duur van de HTL-plaatsing.

Openbare orde

6. Ten aanzien van de stelling van eiser dat geen sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, overweegt de rechtbank geen aanknopingspunten te zien in de jurisprudentie of de Opvangrichtlijn die maken dat in deze procedure moet worden aangesloten bij de Unierechtelijke uitleg van het openbare orde-criterium. Voor zover eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft gewezen op een uitspraak van deze zittingsplaats van 31 oktober 2025 kan die verwijzing hem niet baten. Die uitspraak ziet op een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw en heeft daarmee betrekking op een ander juridisch kader dan de onderhavige HTL-maatregel.

7. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Oordeel ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel

8. Eiser heeft tegen de vrijheidsbeperkende maatregel geen andere gronden naar voren gebracht dan dat deze maatregel onrechtmatig is, omdat het plaatsingsbesluit onrechtmatig is. Nu het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond wordt verklaard, slaagt het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel evenmin.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. De besluiten blijven in stand. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. F. Aissa

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?