[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
V-nummer: [nummer 1]
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
V-nummer: [nummer 2]
Mede namens hun minderjarige kinderen:
[minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2]
V-nummers: [nummer 3] en [nummer 4]
Hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. E. Yilmaz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen. Verweerder heeft de aanvragen met het bestreden besluit van 20 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eisers hebben ook verzocht om het treffen van voorlopige voorzieningen.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorzieningen gezamenlijk op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
Waarover gaat deze uitspraak?
2. Eisers zijn een gezin met twee jonge kinderen van drie en één jaar oud. Ze komen uit Moldavië. Ze hebben asiel gevraagd in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen, omdat België daarvoor op grond van de Dublinverordering verantwoordelijk is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is hiervoor een uitgangspunt. Dat houdt in dat lidstaten er in beginsel van uitgaan dat andere lidstaten de grondrechten, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag respecteren. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van gezinnen met jonge kinderen die een herhaalde asielaanvraag doen nog steeds voor België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgaan en of zij een reëel risico lopen dat zij bij terugkeer naar België terechtkomen in een situatie die in strijd is met fundamentele rechten. Eisers vrezen dat zij bij terugkeer naar België geen toegang zullen hebben tot opvang.
De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat in onderhavige zaken ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet op de in het AIDA-rapport geschetste omstandigheden is er een reële kans dat eisers enige tijd geen toegang tot opvang zullen krijgen. Verweerder is onvoldoende ingegaan op deze situatie en heeft hierbij de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende betrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen hiervan zijn.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 29 juni 2021, 25 april 2023 en op 15 oktober 2025 in België een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft op 15 december 2022 in Duitsland en op 25 april 2023 en 15 oktober 2025 in België een asielaanvraag ingediend. Eisers hebben op 22 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Nederland heeft daarom bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard op 25 november 2025.
Kan verweerder ten aanzien van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eisers voeren aan dat er in België sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat volgens hen niet langer meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De actuele situatie in België voldoet niet aan de minimumnormen uit de Opvangrichtlijn. Eisers doen dan ook een beroep op het Jawo-arrest. Eisers hebben verklaard dat zij in België tijdens de asielprocedure geen opvang hebben gekregen en daardoor feitelijk dakloos zijn geraakt. Verweerder miskent dat ook binnen de kwetsbare categorieën, zoals gezinnen, nog steeds situaties voorkomen waarin geen adequate opvang wordt geboden. De enkele stelling dat eisers tot een voorkeurscategorie behoren, biedt geen garantie dat zij daadwerkelijk opvang zullen krijgen die voldoet aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn. Diverse bronnen wijzen erop dat ook gezinnen en kwetsbare personen in België op straat hebben moeten verblijven. Uit het AIDA-rapport volgt dat het gemiddeld zes maanden duurt voordat asielzoekers die op de wachtlijst staan, zoals Dublinterugkeerders, opvang krijgen. Verweerder dient dan te motiveren waarom het niet door de ondergrens van het Jawo-arrest gaat als eisers zes maanden moeten bivakkeren in de daklozenopvang. De vraag is ook of de dak- en thuislozenopvang voldoet aan de minimumnorm als bedoeld in de Opvangrichtlijn. Bovendien stellen eisers dat ook in de daklozenopvang, naast de reguliere en noodopvang, nog onvoldoende plaatsen zijn. Eisers stellen dat de kinderen ernstig hebben geleden onder de slechte opvangomstandigheden. Verweerder miskent dat opvangloosheid voor jonge kinderen direct raakt aan hun fysieke en mentale ontwikkeling en kan leiden tot een situatie in strijd met artikel 4 van het Handvest. Het enkel verwijzen naar de mogelijkheid om in België te klagen, is ontoereikend.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van 13 maart 2024 van de Afdeling, de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 2 april 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 juni 2025.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bij uitspraak van 13 maart 2024 heeft geoordeeld dat ten aanzien van België uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat de opvangsituatie in België - voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft - in zoverre wezenlijk anders is dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, nu er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Verder volgt uit de uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en uit de weigering van de Belgische autoriteiten om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daartoe is het volgende redengevend.
Eisers hebben eerder meerdere malen asiel aangevraagd in België. Eisers zullen bij overdracht naar België dan ook worden aangemerkt als Dublinterugkeerders met een herhaalde asielaanvraag. Ter zitting heeft verweerder gewezen op pagina 116 van het AIDA-rapport (juni 2025) waaruit blijkt dat gezinnen met kinderen die asiel aanvragen wel worden opgevangen, al dan niet in de noodopvang. Verweerder stelt dus dat eisers wel opvang zullen krijgen in België. Verweerder verwijst voorts in dit kader naar de Afdelingsuitspraak van 13 maart 2024. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat het systeem dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen voordat de aanvraag ontvankelijk is verklaard, voldoet aan de normen van de Opvangrichtlijn. De rechtbank vindt deze verwijzing onvoldoende. Dat de Opvangrichtlijn toestaat bij opvolgende aanvragen in het algemeen materiële opvangvoorzieningen in te trekken of te beperken, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, betekent niet dat dit in deze situatie is toegestaan. Uit het AIDA- rapport blijkt immers dat deze groep Dublinterugkeerders onder de algemene praktijk voor opvolgende aanvragers vallen, en dat die vrijwel systematisch uitgesloten zijn van opvang. Zij kunnen zich inschrijven op een wachtlijst, waarna ze na veelal enkele maanden worden toegelaten tot een opvanglocatie. Uit het rapport volgt dat dit ook geldt voor gezinnen met minderjarige kinderen. Gelet op de in het AIDA-rapport geschetste omstandigheden acht de rechtbank de kans reëel dat eisers enige tijd geen toegang tot opvang krijgen.
De verwijzing van verweerder ter zitting naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2025 maakt dit niet anders. In die zaak heeft de vreemdeling slechts verwezen naar het AIDA-rapport voor zover dat ziet op het gebrek aan opvangvoorzieningen voor alleenstaande mannen. De vreemdeling had daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen voor gezinnen met kinderen in België systeemfouten bestaan. In onderhavige zaak hebben eisers echter wel voldoende aanknopingspunten naar voren gebracht dat ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen die een opvolgende asielaanvraag doen sprake is van opvangproblematiek in België.
Verweerder heeft ook onvoldoende betrokken in hoeverre het geen toegang hebben tot opvang ingaat tegen de belangen van de minderjarige kinderen van eisers. Door verweerder is alleen opgemerkt dat de kinderen jong zijn en zich snel kunnen aanpassen. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende nu er aanwijzingen zijn dat het gezin in België geen opvang zal krijgen en de omstandigheid dat er belangen van relatief jonge minderjarige kinderen (één en drie jaar oud) mee zijn gemoeid.
Door verweerder is ook opgemerkt dat eisers recht zullen hebben op medische en juridische hulp totdat over de ontvankelijkheid van de asielaanvragen is beslist en men tegen een weigering om opvang te verlenen rechtsmiddelen kan aanwenden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hierbij wat de Afdeling daarover heeft geoordeeld in de eerder aangehaalde uitspraak van 23 juli 2025. Uit rechtsoverweging 5.4.2. van die uitspraak volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat alle asielzoekers in België, waaronder dus ook gezinnen met minderjarige kinderen zoals eisers, geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen. Er is dus sprake van het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Het recht op juridische hulp is niet voldoende. Zonder een goed systeem van rechtsbescherming kunnen individuen moeite hebben om hun rechten te doen gelden, waardoor hun fundamentele rechten niet adequaat worden beschermd. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot gezinnen met minderjarige kinderen die een herhaalde asielaanvraag indienen. De beroepsgrond slaagt.
Het overige wat is gesteld over dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 Dublinverordening en dat verweerder bij de Belgische autoriteiten om individuele garanties had moeten vragen behoeft daarom op dit moment geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het besluit bevat een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvragen van eisers en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Nu met deze uitspraak op de beroepen van eisers is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen daarom af.
Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskosten stelt de rechtbank gelet daarop vast op € 2.802 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 januari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvragen van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan eisers.
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de beroepen betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.