Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/181147-24
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 september 2024, 3 december 2024, 3 februari 2025, 23 april 2025, 17 juli 2025, 7 oktober 2025, 16 december 2025 (alle pro forma) en 10 en 11 maart 2026 (beide inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, mr. H. Sytema en mr. N.B. Genemans, naar voren is gebracht. De rechtbank zal deze standpunten, daar waar dit aangewezen is, bespreken.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Voorschoten [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door (meerdere malen) met een mes in de borst althans het lichaam, van die [het slachtoffer] te steken.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
Het gaat in deze zaak om het overlijden van [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ). [het slachtoffer] werd in de vroege ochtend van 1 juni 2024 zwaargewond aangetroffen in de hal van de woning aan de [adres 1] . [het slachtoffer] is door de hulpdiensten in de woning gereanimeerd. Na enige tijd werd de reanimatie gestaakt en is [het slachtoffer] om 05.00 uur die ochtend overleden. [het slachtoffer] is door het toebrengen van steekletsels overleden.
De verdachte en [het slachtoffer] hebben die nacht samen met anderen tijd doorgebracht in de tuin van een woning aan de [adres 2] . [het slachtoffer] is overleden in de woning van de partner van de verdachte. De verdachte heeft bekend dat hij met een mes het (steek)letsel bij [het slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast hebben de raadslieden geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024172368 in het onderzoek Zeus, van de politie eenheid Den Haag, district Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 893) en het FO-dossier (pagina 1 t/m 672).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026;
2. Het deskundigenverslag, op 1 juni 2024 opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , forensisch arts KNMG (p. 205-207 van het FO-dossier);
3. Het deskundigenverslag, op 10 juni 2024 opgemaakt en ondertekend door drs. [naam 2] , deskundige op het gebied van Forensische pathologie (p. 236-242 van het FO-dossier);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 juni 2024 (p. 119-123);
5. Het deskundigenverslag, op 15 augustus 2024 opgemaakt en ondertekend door dr. ir. [naam 3] , deskundige op het gebied van DNA-analyse en -interpretatie (p. 534-548 van het FO-dossier);
6. Het deskundigenverslag, op 25 oktober 2024 opgemaakt en ondertekend door ing. [naam 4] , deskundige op het gebied van Kras,- Indruk en Vormsporenonderzoek (p. 696-604).
Overweging ten aanzien van het opzet
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat sprake is geweest van vol opzet van de verdachte op de dood van [het slachtoffer] . De verdachte heeft [het slachtoffer] meermalen met een mes met een lemmet van ongeveer 12,4 centimeter gestoken in de borststreek, waardoor onder meer beide borstholtes, het hart, de lichaamsslagader, een grote luchtwegtak en de linkerlong geperforeerd waren. Het steekletsel bij het hart was 12 centimeter diep. De lengte van het mes komt nagenoeg overeen met de diepte van dit steekletsel. Daarnaast waren er ook andere steekletsels van onder meer 7 en 9 centimeter diep. De steekletsels bevonden zich in de borstregio, zoals zichtbaar is op de afbeelding op p. 250 FO dossier. De verdachte heeft dusdanig krachtig gestoken dat het lemmet van het mes is afgebroken. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte gericht en met kracht meermalen in de borstregio van [het slachtoffer] heeft gestoken. Dit handelen dient naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat de rechtbank op grond hiervan vaststelt dat verdachtes opzet hierop ten volle was gericht. Van contra-indicaties is niet gebleken. Integendeel, de verdachte heeft [het slachtoffer] – na het steken – zwaargewond achtergelaten in de woning, zonder zelf iets te doen of hulp in te schakelen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen en verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 1 juni 2024 te Voorschoten [het slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen met een mes in de borst van die [het slachtoffer] te steken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hij heeft gehandeld vanuit de gerechtvaardigde overtuiging dat hij werd aangevallen. Hij moest zich tegen die aanval verdedigen, waarbij de verdachte al dan niet de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden ((putatief) noodweer(exces)).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer, in welke variant dan ook, niet kan slagen vanwege het ontbreken van een feitelijke grondslag, omdat een (vermeende) noodweersituatie niet aannemelijk is geworden.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader (putatief) noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de gedragingen van de verdachte werden geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarvan kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, maar de enkele (subjectieve) vrees voor een dergelijke aanranding is niet voldoende. In deze zaak is door de verdediging aangevoerd dat sprake was van putatief noodweer(exces). De verdachte zou hebben gehandeld omdat hij, gerechtvaardigd, meende dat hij werd aangevallen en daarom op dat moment dacht dat hij zich moest verdedigen.
Als een beroep op (putatief)noodweer(exces) is gedaan, moet de rechtbank allereerst de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken.
Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het erom dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
Gestelde feitelijke toedracht
Door de verdediging is de volgende gang van zaken geschetst.
De verdachte heeft op 31 mei 2024 gedurende de dag alcohol gedronken en cocaïne gebruikt. Rond middernacht is de verdachte bij zijn buren woonachtig aan de [adres 2] beland. Hij had toen onder andere een mes bij zich voor het openen van zijn telefoon, dat hij in de keuken heeft neergelegd. Bij de buren heeft de verdachte ook nog alcohol gedronken en cocaïne gebruikt. Rond drie uur ’s nachts kwam ook [partner] , de partner van de verdachte, aan bij de buren. Niet veel later sloot ook [het slachtoffer] aan. De verdachte en [het slachtoffer] kenden elkaar tot dan nog niet. Het samenzijn bij de buren verliep zonder bijzonderheden. Op enig moment is de verdachte samen met [partner] weggegaan bij de buren. [het slachtoffer] liep niet met hen mee. [partner] liep een stukje voor de verdachte uit, omdat hij eerst zijn spullen, waaronder het mes, nog uit de keuken moest pakken. Toen hij naar buiten ging bij de buren, zag hij [partner] net hun woning aan de [adres 1] ingaan. Met zijn spullen in zijn handen is de verdachte ook naar de woning gelopen. De voordeur stond nog open. Hij is naar binnen gegaan en is de woonkamer in gelopen. Op dat moment was het licht in de gang uit en het licht in de woonkamer aan. Ook de straatverlichting was aan. De verdachte is door de woonkamer gelopen en heeft [partner] een kus gegeven. Hij heeft zich toen omgedraaid en is weer richting de gang gelopen om naar de wc te gaan dan wel om de voordeur dicht te doen. Hij had op dat moment nog steeds al zijn spullen in zijn handen. De verdachte deed de deur van de woonkamer naar de gang open en voelde op dat moment een klap tegen zijn hoofd. Hij kreeg een black-out en zag blauw voor zijn ogen. Het werd wazig. Hij dacht dat hij werd aangevallen door een inbreker. De verdachte was hierdoor compleet verrast en had de “inbreker” niet zien aankomen. Het was pikkedonker. Op dat moment heeft de verdachte van zich afgeduwd, terwijl hij al zijn spullen – waaronder het mes – nog altijd in zijn handen had. Er ontstond een worsteling. De “inbreker”, naar later bleek [het slachtoffer] , viel vervolgens achterover, waarna de verdachte zijn tas van het tv-dressoir naast de gangdeur heeft gepakt en in paniek is weggegaan in zijn auto. Later is de verdachte, mogelijk in een psychose of opwindingsdelier, aangehouden door de politie.
Beoordeling feitelijke toedracht
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de door de verdediging geschetste feitelijke toedracht van de confrontatie tussen de verdachte en [het slachtoffer] kan de rechtbank zich uitsluitend baseren op de verklaringen van de verdachte, in het licht van de feitelijke omstandigheden van de situatie ter plaatse en de overige bevindingen in het dossier. Uit het dossier is niet gebleken dat anderen getuige zijn geweest van deze confrontatie en ook anderszins ontbreekt objectieve informatie.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid en aannemelijkheid van de verklaringen van de verdachte ten aanzien van deze confrontatie overweegt de rechtbank allereerst dat uit het dossier blijkt dat de verdachte op het moment van de confrontatie zwaar onder invloed van alcohol en cocaïne was. Hij heeft daar zelf over verklaard dat hij ongeveer anderhalve fles whiskey, gevolgd door bier had gedronken en een flinke hoeveelheid cocaïne had gebruikt. Deze hoeveelheden middelen kunnen van invloed zijn op het algeheel functioneren en de rechtbank houdt er rekening mee dat dit ook betekent dat de verdachte op dat moment verminderd in staat was om gebeurtenissen goed waar te nemen en vervolgens goed en volledig te onthouden. De verdachte heeft bij de politie én ter terechtzitting bij herhaling verklaard dat hij zich bepaalde details niet kan herinneren. Hij beroept zich daarbij op “zijn beleving”, hoe hij dingen heeft beleefd. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte. Met betrekking tot wat de verdachte zich nog wél zegt te kunnen herinneren valt op dat hij hier wisselend over heeft verklaard. Niet alleen ten aanzien van wat hij zelf heeft gedaan, maar ook met betrekking tot wat [het slachtoffer] zou hebben gedaan en hoe hij daar zelf op heeft gereageerd. Die inconsistenties bestaan zowel binnen één en dezelfde verklaring als tussen de verschillende verklaringen. Zo heeft de verdachte bij de rechter-commissaris op 4 juni 2024 verklaard dat hij één klap tegen zijn mond heeft gevoeld, terwijl hij op 14 juli 2024 verklaarde dat het een klap tegen zijn lip was en hij het hele gewicht van het lichaam van de aanvaller tegen hem aanvoelde. Nog later heeft hij weer verklaard over een klap tegen zijn hoofd. Op de terechtzitting van 10 maart 2026 heeft hij in eerste instantie ook over “een klap” verklaard, maar heeft hij desgevraagd later verklaard dat hij klappen tegen zijn hoofd, nek, kaak en mond heeft gevoeld.
Ook over wat er tussen [het slachtoffer] en hem tijdens de daaropvolgende confrontatie is voorgevallen, heeft de verdachte sterk uiteenlopend verklaard. Het gaat daarbij van duwen, naar stoten, naar een worsteling tot – op de terechtzitting voor het eerst – het vechten voor zijn leven. Ook ten aanzien van zijn eigen handelingen ná het afweren van [het slachtoffer] is de verdachte inconsistent. Zo heeft hij bij de politie meerdere malen verklaard [het slachtoffer] op het toilet te hebben geholpen toen [het slachtoffer] naar achter begon te vallen, maar heeft hij op andere momenten weer verklaard dat [het slachtoffer] hem alleen in zijn val naar achter bij de arm of hand heeft vastgepakt en dat de verdachte vervolgens meteen is weggevlucht. Ter terechtzitting heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat [het slachtoffer] tegen het kastje, dat in de gang recht tegenover de gangdeur staat, is gevallen.
De stelling dat de verdachte letsel had als gevolg van een vermeende aanval door [het slachtoffer] vindt geen steun in het dossier. Na zijn aanhouding is bij de verdachte weliswaar letsel geconstateerd, onder andere aan zijn neus, wang en onderlip, maar deze aangezichtsletsels zijn volgens de forensisch arts het gevolg geweest van schavend, schurend of slepend contact met een ruw oppervlak of voorwerp. Deze letsels passen naar het oordeel van de rechtbank gelet daarop veel beter bij het verloop van de aanhouding van de verdachte en veel minder goed bij de door de verdachte beschreven confrontatie met [het slachtoffer] . Overigens is ook in de auto van de verdachte geen bloed aangetroffen. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij geen bloed bij zichzelf heeft opgemerkt op het moment dat hij in de auto stapte. Het bij de verdachte geconstateerde letsel biedt zodoende ook geen steun voor het door hem geschetste scenario.
In het dossier bevinden zich daarvoor echter wél contra-indicaties. Ten eerste passen de forensische bevindingen over het letsel van [het slachtoffer] niet bij de verklaringen van de verdachte over zijn manier van (duwend) afweren terwijl hij daarbij een mes in de hand had. Daarbij gaat het om het aantal letsels, de diepte en de steekrichting van de steekletsels én de kracht waarmee moet zijn gestoken nu daarbij tevens schade aan het borstbeen en de borstwervel van [het slachtoffer] is ontstaan. Bij de beweging is voorts het lemmet van het heft van het mes gebroken. Ook dat past niet bij het scenario van de verdachte. Ook bij de stelling van de verdachte, dat het in de gang pikkedonker was en dat hij daardoor compleet verrast werd, plaatst de rechtbank grote vraagtekens. Immers, volgens de verdachte was op het moment dat hij van de woonkamer richting de gangdeur liep, zowel het licht in de woonkamer als de straatverlichting aan. De rechtbank heeft op basis van de panoramascans van de woning geconstateerd dat de gangdeur voor een groot deel bestaat uit helder glas en dat ook de voordeur een groot raam heeft. Het is op grond hiervan aannemelijk dat het licht in de woonkamer en de straatverlichting de gang tenminste enigszins verlicht hebben. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat het in de gang zodanig donker was dat de verdachte op zijn weg naar en bij de gangdeur helemaal niets heeft kunnen waarnemen. Daar komt nog bij dat de verdachte, naar eigen zeggen, op dat moment zijn handen vol spullen had en nog een moment heeft moeten stilstaan om de gangdeur, die naar binnen opengaat, open te kunnen maken.
Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke toedracht zoals die door de verdediging is geschetst niet aannemelijk geworden. Daarmee is de gestelde (dreiging van een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding niet aannemelijk geworden. Ook zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de verdachte redelijkerwijze (maar achteraf: ten onrechte) kon én mocht menen dat sprake was van zo’n ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich moest verdedigen. Om die reden komt aan de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweerexces toe.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
6. De oplegging van straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem een niet-gemaximeerde maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om – in het geval van een veroordeling – de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en daar in strafmatigende zin rekening mee te houden. Door de verdediging is voorts verzocht om af te zien van oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging, omdat niet is voldaan aan het gevaarscriterium. Ook heeft de verdediging verzocht om in plaats van de gevorderde tbs-maatregel een gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [het slachtoffer] , die door toedoen van de verdachte slechts de leeftijd van 22 jaar heeft mogen bereiken. De verdachte heeft [het slachtoffer] zonder aanwijsbare aanleiding van het leven beroofd door hem meerdere malen met een mes in de borst te steken als gevolg waarvan onder meer sprake was van een perforatie van het hart. De verdachte heeft bij het steken dusdanig veel geweld gebruikt dat het lemmet van het mes is afgebroken en het borstbeen en de borstwervel van [het slachtoffer] waren beschadigd.
[het slachtoffer] is door de verdachte beroofd van zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven. De verdachte heeft met zijn handelen ook de nabestaanden en de vele vrienden en kennissen van [het slachtoffer] een enorm en onherstelbaar leed aangedaan. Het overlijden van [het slachtoffer] is voor hen onverteerbaar en heeft een onpeilbaar verdriet bij hen veroorzaakt. Dit is zeer invoelbaar en onomwonden onder woorden gebracht in de spreekrechtverklaringen die door de moeder, vader, broer en zus van [het slachtoffer] ter terechtzitting zijn voorgedragen en in de namens de vriendengroep van [het slachtoffer] opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring. De aanwezigheid van de nabestaanden en de vele vrienden en kennissen van [het slachtoffer] bij alle zittingen brengt tot uitdrukking hoe verdrietig zij zijn, hoezeer hij wordt gemist en wat zijn dood in hun leven teweeg heeft gebracht. De plotselinge en tragische dood van [het slachtoffer] heeft bij hen allen diepe sporen achtergelaten. De impact van zijn overlijden is des te groter nu hij een jonge man was, in de bloei van zijn leven. Hij had nog een hele toekomst voor zich. Bovendien hebben misdrijven als het onderhavige niet alleen een grote impact op de directe omgeving van het slachtoffer, maar schokken zij ook de gehele samenleving zeer en dragen zij in hoge mate bij aan gevoelens van onveiligheid en angst in het algemeen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 augustus 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte in de periode van 2000 tot en met 2011 meerdere malen is veroordeeld voor (ernstige) geweldsdelicten, waaronder tweemaal voor een poging tot doodslag. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin bij het bepalen van de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het triple pro Justitia rapport over de verdachte van 2 april 2025, opgemaakt door drs. [naam 5] , psychiater (hierna: [naam 5] ), drs. [naam 6] , klinisch psycholoog (hierna: [naam 6] ) en [naam 7] , forensisch milieuonderzoeker, de beantwoording van aanvullende vragen van 8 juli 2025 door [naam 5] en [naam 6] en de processen-verbaal van verhoor van [naam 5] en [naam 6] bij de rechter-commissaris van 19 augustus 2025.
Uit het rapport volgt dat de verdachte een man is met chronisch slechte aanpassing, zelfoverschatting, een geringe binding met en empathie voor anderen en een problematisch interpersoonlijk functioneren met anderen. Er is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, waardoor hij het risico loopt te worden onderschat. De verdachte is zwak gestructureerd en neigt tot chaotiseren. Ook heeft hij een gevoeligheid voor psychotische overschrijding en schiet zijn agressieregulatie tekort. Probleem- en ziektebesef ontbreken in het geheel. Bij de verdachte is een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld met antisociale en narcistische kenmerken en trekken van psychopathie. Ook heeft hij een stoornis in het gebruik van alcohol en vermoedelijk ook in het gebruik van cocaïne. Dit alles tezamen valt volgens de psycholoog en de psychiater te kenmerken als ernstige psychopathologie, hetgeen inhoudt dat sprake is van een combinatie van meerdere (complexe) psychische stoornissen tegelijkertijd.
Uit het rapport volgt voorts dat de deskundigen bij gebrek aan een betrouwbaar delictscenario geen uitspraken kunnen doen over de doorwerking van deze stoornissen in het bewezenverklaarde. Wel hebben zij vastgesteld dat deze ernstige psychopathologie ook aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde. Om dezelfde reden kan ook geen inschatting gemaakt worden van het risico op herhaling van een vergelijkbaar feit als het bewezenverklaarde. Wel kunnen de deskundigen op basis van het onderzoek een algemene risicoprognose geven. Daaruit blijkt dat zonder behandeling het risico op herhaling van geweld hoog is. De bij de verdachte vastgestelde psychopathologie en de stoornis in het middelengebruik zijn in hun samenhang bepalend voor het herhalingsgevaar. Het ontbreekt de verdachte aan ziekte- en probleembesef en er is geen intrinsieke behandelmotivatie. Daarbij is er een voorgeschiedenis van herhaaldelijk (ernstig) geweld tegen personen, zowel tegen bekenden als tegen onbekenden. De verdachte neemt tevens op geen enkele manier de verantwoordelijkheid voor de negatieve aspecten van zijn eigen gedrag. Tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris hebben zowel de psycholoog als de psychiater nogmaals benadrukt dat de basis van het risico op herhaling ligt in de bij de verdachte vastgestelde psychopathologie. Het middelengebruik hangt daar wel mee samen en kan het risico ook verergeren. In geval van abstinentie is bovendien de kans op terugval in middelengebruik aanzienlijk, juist vanwege de aanwezige psychopathologie.
De deskundigen overwegen dat voor het terugdringen van het recidiverisico een intensieve, langdurige en zeer specialistische klinische behandeling nodig is die moet zijn gericht op de complexe gecombineerde problematiek van de verdachte. Daarbij is een dwingend kader met extern risicomanagement noodzakelijk, omdat de verdachte zelf geen ziekte- of probleembesef heeft en zelf ook geen enkele noodzaak tot behandeling ziet. De verdachte zal lange tijd nodig hebben om tot probleeminzicht te komen en zal ook langdurige en gecontroleerde resocialisatie behoeven. Een dergelijke behandelinterventie kan alleen plaatsvinden in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Een tbs-maatregel met voorwaarden is volgens de deskundigen niet geïndiceerd, omdat in dit geval geen sprake is van overeenstemming over de risicofactoren en behandeldoelen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 22 april 2025, waaruit volgt dat de reclassering zich volledig aansluit bij de conclusies en adviezen van de pro Justitia rapporteurs. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de pro Justitia rapporteurs over en maakt deze tot de hare. Daartoe overweegt zij dat, anders dan door de verdediging is gesteld, de conclusies van de deskundigen over het herhalingsgevaar en het daaruit volgende advies niet alleen zijn gestoeld op referenteninformatie en het justitieel verleden van de verdachte, maar dat het gevaar op herhaling van geweld volgens de deskundigen vooral is gelegen in de (psychische) stoornissen, zoals die bij de verdachte zijn vastgesteld.
De deskundigen hebben zich, vanwege het ontbreken van een delictscenario, onthouden van een uitspraak over de doorwerking van bij de verdachte vastgestelde (psychische) stoornissen. Wel kunnen de deskundigen vaststellen dat de ernstige psychopathologie ookaanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde en hij in de aanloop naar bewezenverklaarde (zeer) veel alcohol en cocaïne had gebruikt. De rechtbank sluit niet uit dat de combinatie van de bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in het gebruik van middelen op enigerlei wijze van invloed kan zijn geweest op het bewezen verklaarde feit. Dat maakt evenwel niet dat de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol en drugs, zeker in combinatie, kunnen leiden tot ontremming en agressie. De verdachte is in 2008 eerder veroordeeld voor een ernstig geweldsdelict waarbij sprake was van gecombineerd middelengebruik, zoals hij destijds ook heeft verklaard bij de politie (Triple onderzoek pro Justitia, p. 18). Hij was dus bekend met de mogelijke effecten van gecombineerd middelengebruik en zijn eigen gevoeligheid hiervoor. Ten aanzien van onderhavig feit heeft de verdachte zelf verklaard dat hij in de loop van de dag van 31 mei 2024 en in de nacht van 1 juni 2024 een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en cocaïne heeft gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zichzelf zodoende in aanloop naar de gebeurtenis op 1 juni 2024 door zijn eigen toedoen in een toestand gebracht waarin hij gevoeliger was voor ontremming en agressie, terwijl hij van tevoren wist of in ieder geval had moeten weten dat hij in die toestand kon geraken (culpa in causa).
Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat het bewezenverklaarde feit in het geheel aan de verdachte kan worden toegerekend.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is, heeft zij bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op straffen die in recente vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hoewel er geen landelijke oriëntatiepunten zijn voor op te leggen straffen bij doodslag, werd – voor de verhoging van het strafmaximum – door rechtbanken veelal een bandbreedte van 8 tot 12 jaren gehanteerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het strafmaximum voor doodslag door de wetgever is verhoogd per 1 juli 2023 van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf. Deze verhoging is onder meer gelegen in de veranderde maatschappelijke opvattingen over de strafwaardigheid van levensdelicten. Dit aspect betrekt de rechtbank in haar overwegingen.
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee de aard en de omvang van het letsel waaraan [het slachtoffer] is overleden. Op basis van het letsel dat is vastgesteld, moet sprake zijn geweest van een explosie aan geweld. Daarnaast heeft de verdachte [het slachtoffer] zwaargewond en in hulpeloze toestand achtergelaten. Ook dat weegt de rechtbank mee in het nadeel van de verdachte. De verdachte probeert zichzelf bovendien te excuseren door vast te houden aan zijn eigen verhaal. Hij legt daarmee niet alleen de verantwoordelijkheid buiten zichzelf, maar hij heeft ook de nabestaanden het recht op de waarheid over de laatste momenten van hun geliefde ontnomen. Hij plaatst daarbij bovendien [het slachtoffer] in een kwaad daglicht door te stellen dat [het slachtoffer] hem zou hebben aangevallen. Daardoor is sprake van extra leedtoevoeging. De rechtbank rekent dat de verdachte ook zwaar aan. De verdachte liep rond met een mes terwijl hij heel veel alcohol had gedronken en cocaïne had gebruikt en heeft daarmee het risico genomen dat hij door de ontremming dat mes ook daadwerkelijk zou gebruiken. Hij had beter moeten weten nu hij eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten, waarbij de gedragingen van de verdachte ten aanzien van het geweldsdelict uit 2008 gelijkenissen vertonen met deze zaak. Deze eerdere geweldsdelicten hebben niet geleid tot een andere levenshouding bij de verdachte en ook dat weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Alles afwegende acht de rechtbank – evenals de officier van justitie – een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De maatregel
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel is voldaan. Het bewezen verklaarde feit is immers een misdrijf zoals genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Ook bestond tijdens het begaan van het feit bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts ligt er in deze strafzaak een met redenen omkleed advies van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages is gebleken dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, zowel de terbeschikkingstelling als de verpleging van overheidswege van de verdachte eist. Immers, uit deze rapportages, en de aanvullingen daarop, blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft geen inzicht in zijn problematiek waardoor een langdurige (klinische) behandeling in een strak kader de enige mogelijkheid is om dat risico te verminderen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is gelet op de duur van de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf ingevolge artikel artikel 38, derde lid, Sr niet mogelijk. Nog afgezien van de vraag of een tbs-maatregel met voorwaarden haalbaar zou zijn geweest gelet op de problematiek van de verdachte. Dat betekent dat de enige mogelijkheid om de verdachte te kunnen behandelen een tbs-maatregel met dwangverpleging is. De rechtbank zal deze dan ook aan de verdachte opleggen.
De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten doodslag. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Hierbij heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van de vraag of in een combinatievonnis met een (dusdanig) langdurige gevangenisstraf en tbs-maatregel, de doelen die met een tbs-maatregel worden nagestreefd nog haalbaar zijn en of gelet hierop het opleggen van een dergelijke straf in combinatie met deze maatregel op zijn plaats is. In dit geval beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend, gezien de ernst van het bewezenverklaarde, het door de deskundigen gesignaleerde gevaar dat van de verdachte uitgaat en de ernstige en complexe psychopathologie waardoor naar het oordeel van de rechtbank een behandeling op korte(re) termijn niet de voorkeur heeft boven een behandeling die aanvangt na het uitzitten van het grootste deel van een bij dergelijke feiten passende gevangenisstraf. Van omstandigheden met betrekking tot de bij de verdachte vastgestelde psychische stoornissen die aanleiding bieden om een vervroegde aanvang van de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel te adviseren, is de rechtbank niet gebleken.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen
[moeder]
, de moeder van [het slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.867,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 21.867,08 aan materiële schade voor de uitvaartkosten en € 20.000,00 aan immateriële schade, te weten affectieschade.
[vader]
, de vader van [het slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 aan immateriële schade, te weten affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van beide vorderingen van de benadeelde partijen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het oordeel van de rechtbank
[moeder]
Kosten van lijkbezorging (materiële schade)
De gevorderde materiële schade, van in totaal € 21.867,08, is opgebouwd uit verschillende bedragen, te weten:
- € 6.139,08 voor ‘Uitvaartverzorging’;
- € 4.189,00 voor ‘Afkoop grafonderhoud’;
- € 4.054,00 voor ‘Condoleance/bijeenkomst’;
- € 7.485,00 voor ‘Gedenkteken’.
De gevorderde materiële schade is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar. De schadeposten zijn met stukken onderbouwd en houden rechtstreeks verband met de lijkbezorging. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.
Affectieschade (immateriële schade)
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als moeder van [het slachtoffer] , voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De hoogte van de schade is door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag aan affectieschade geheel toewijzen.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van € 41.867,08 in zijn geheel toewijzen, bestaande uit € 21.867,08 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 20.000,00 toewijzen met ingang van 1 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Over de materiële schade zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan (factuurdatum).
Proceskosten
Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 41.867,08, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.000,00 vanaf 1 juni 2024 en de wettelijke rente over een bedrag van € 21.867,08 vanaf 28 juni 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [moeder] .
[vader]
Affectieschade (immateriële schade)
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als vader van [het slachtoffer] , voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De hoogte van de schade is door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag aan affectieschade geheel toewijzen.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 20.000,00 aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [vader] .
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een computer van het merk HP.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder] toe tot een bedrag van € 41.867,08 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 20.000,00 vanaf 1 juni 2024 en over een bedrag van € 21.867,08 vanaf 28 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [moeder] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.867,08, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 20.000,00 vanaf 1 juni 2024 en over een bedrag van € 21.867,08 vanaf 28 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [moeder] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 197 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader] toe tot een bedrag van € 20.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [vader] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [vader] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 125 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoedingen deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte de toegewezen bedragen deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een computer van het merk HP.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rootring, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2026.