[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Hongaarse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 20 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 januari 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(lichte gronden) 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Inspanningsverplichting
3. Eiser betoogt dat de minister in de periode van 5 december 2025 tot 20 december 2025, toen hij in strafrechtelijke detentie verbleef, geen overdrachtshandelingen heeft verricht en hierdoor niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De einddatum van eisers strafrechtelijke detentie was al bekend, en de minister beschikte op 5 december al over een geldig identiteitsbewijs van eiser. Bovendien heeft het zestien dagen geduurd om de overdracht te plannen, nu voor eiser op 6 januari 2025 een vlucht is gepland. Had de minister tijdens de strafrechtelijke detentie al handelingen verricht, dan had de overdracht mogelijk kunnen aansluiten op de einddatum van de strafrechtelijke detentie en had deze bewaring kunnen worden voorkomen.
4. De minister stelt zich primair op het standpunt dat, vanwege de korte duur van de strafrechtelijke detentie van eiser, er in zo'n korte tijd geen overdrachtshandelingen van de minister verwacht kunnen worden. Subsidiair stelt de minister dat, mocht de rechtbank oordelen dat de inspanningsverplichting is geschonden, er sprake is van een dergelijk gering gebrek, nu de strafrechtelijke detentie zo kort heeft geduurd, dat dit niet opweegt tegen de belangen van de minister en dat de belangenafweging dan ook in het voordeel van de minister dient uit te vallen.
5. De rechtbank overweegt dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser een inspanningsverplichting had om te voorkomen dat eiser na afloop van die detentie in bewaring moest worden gesteld. Het staat vast dat gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser geen overdrachtshandelingen zijn verricht, waardoor de minister zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de minister op 5 december 2025 al beschikte over een geldig identiteitsbewijs van eiser en dat het na de inbewaringsstelling slechts zestien dagen heeft geduurd om de overdracht te plannen, terwijl de strafrechtelijke detentie zelf vijftien dagen heeft geduurd. Dit benadrukt des te meer dat, bij tijdiger handelen van de minister, een eerdere overdracht mogelijk had kunnen plaatsvinden, en de aansluitende vreemdelingenbewaring mogelijk voorkomen had kunnen worden.
Door de schending van de inspanningsverplichting is er sprake van een gebrek. Dit gebrek leidt echter niet zonder meer tot een onrechtmatige inbewaringstelling, maar er dient een belangenafweging te worden gemaakt. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaruit het risico op onttrekking volgt, en het feit dat inmiddels op 6 januari 2025 een vlucht voor eiser is gepland, valt deze belangenafweging in het voordeel van de minister uit. De bewaring is dus niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Bij besluit van 16 september 2024 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3b, 3c, 4c, en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gronden feitelijk juist. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan het besluit van 16 september 2024, waarin is vastgesteld dat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft en Nederland binnen een maand diende te verlaten. Ook heeft eiser na het verstrijken van deze termijn geen melding gemaakt bij de korpschef. Dat eiser niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht, acht de rechtbank niet aannemelijk. In het dossier heeft de minister namelijk een uitreikingsblad toegevoegd, waaruit blijkt dat de beschikking van 16 september 2024 in persoon aan eiser op 9 december 2024 is uitgereikt, ondertekend door eiser.
Ten aanzien van de lichte gronden is de rechtbank van oordeel dat deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat de minister de relevantie van deze gronden voor het risico op onttrekking aan het toezicht voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Een lichter middel volstaat daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren. De stelling van eiser dat hij zich meewerkend heeft opgesteld en dat hij tijdens een vertrekgesprek eerder heeft aangegeven te willen meewerken aan zijn overdracht, maakt dit oordeel niet anders. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 23 december 2025, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is op 24 december 2025 een vlucht voor eiser aangevraagd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het algemeen of in het geval van eiser te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Hongarije ontbreekt. Op 6 januari 2026 staat voor eiser een vlucht gepland.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.