RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1612
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder j van de Vw 2000. Eiser krijg tevens een inreisverbod voor de duur van tien jaren. Gelet op de door eiser overgelegde medische stukken krijgt eiser voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Dit met ingang van 31 december 2025 tot 30 juni 2026.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag van 17 maart 2023 het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Syrië, regio Afrin. Eiser is Koerdisch en stelt het Zardashti geloof aan te hangen. Eiser wordt in zijn land van herkomst gezocht omdat hij de reservistendienst heeft ontdoken in Syrië. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij tweemaal gevangen heeft gezeten in Syrië. De eerste keer had te maken met verdenking van smokkel. Eiser is toen mishandeld. Eiser heeft veel geld betaald aan iemand die hem heeft geholpen te ontsnappen uit de gevangenis. Na de ontsnapping moest eisers vader nogmaals geld betalen aan gewapende groeperingen, anders zouden ze eiser wat aandoen. Eiser heeft ook in een detentiecentrum gezeten voor verhoor. Om vrij te kunnen komen, heeft hij geld moeten betalen. Eiser heeft Syrië in 2012 verlaten. Eiser vreest dat hij bij terugkeer nog steeds zal worden gezocht door gewapende groeperingen, omdat hij de gevangenis stiekem heeft verlaten. Eiser vreest dat hij de doodstraf zal krijgen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst, ontduiking van de reservistendienst, problemen met gewapende groeperingen en problemen vanwege eisers etniciteit. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst acht de minister geloofwaardig. De andere asielmotieven heeft de minister niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat, wat er ook geoordeeld zou worden over deze asielmotieven, het hoe dan ook geen aanleiding kan geven tot het verlenen van een asielvergunning. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning vanwege eerdere confrontatie met wandaden. Eiser vormt daarnaast op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser krijgt een inreisverbod voor de duur van tien jaren. Eisers persoonlijk gedrag vormt een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het opleggen van het inreisverbod is volgens de minister niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Het juridisch kader
5. Uit het beleid (artikel 4.1. aanhef en onder 5 en 6, van de Vc 2000) van de minister volgt dat de minister in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de minister kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De minister beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.
De verwijzing naar de zienswijze
6. Eiser wijst erop dat al wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in dit beroep. De rechtbank overweegt hierover dat de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om punten uit de zienswijze te kunnen aanmerken als beroepsgrond(en) waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Deze algemene stelling van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het beroep dan ook alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal dit hierna beoordelen.
Is eiser in staat geweest om te verklaren over hetgeen hem is overkomen?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte in het voornemen en het bestreden besluit opgemerkt dat uit het medisch advies is gebleken dat er weliswaar sprake is van medische klachten, maar dat eiser wel gehoord kan worden over zijn asielmotieven mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan tijdens het horen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat tijdens het horen voldoende rekening is gehouden met de medische omstandigheden van eiser. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser ter zitting ook niet kunnen aangeven uit welke passages van de door hem overgelegde medische stukken blijkt dat eiser niet in staat is gehoord te worden dan wel dat hij niet naar behoren kan verklaren en waardoor er volgens eiser sprake zou zijn van bewijsnood. Uit de wijze van horen is geen onzorgvuldigheid gebleken.
Reservistendienstplicht in Syrië
8. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de dienstplicht in Syrie. In beroep heeft eiser aangegeven dat hij zijn standpunt handhaaft aangaande de reservistendienstplicht. Verder is door eiser niet aangegeven in hoeverre de motivering van de minister in het bestreden besluit tekortschiet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze algemene beroepsgrond niet kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie als Koerd
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen overwegen dat de
discriminatie die eiser heeft ondervonden als Koerd, en die door de minister ook geloofwaardig is geacht, niet dusdanig van aard is dat dit moet worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat uit het meest recente AAB Syrië volgt dat er vanuit de nieuwe overgangsregering meer tolerantie is naar religieuze en etnische groepen. Na de machtsovername beloofde president Al-Sharaa etnische en religieuze groepen in Syrië te beschermen. Daarnaast volgt uit het geldende landenbeleid voor Syrië dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep niet als risicoprofiel is aangemerkt. Dat betekent dat Koerden in het algemeen niet enkel vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor vervolging. Eiser heeft verder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt. Bij de beoordeling van de discriminatie is de vraag of eiser zodanig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De minister heeft deze vraag op goede gronden negatief beantwoord en geconcludeerd dat de hoge lat van discriminatie niet wordt gehaald. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in Syrië heeft kunnen werken, een eigen zaak en woning heeft gehad. Daarnaast heeft eiser onderwijs gevolgd en is hij in bezit van documenten zoals een paspoort en een familieboekje. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Religie
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte en afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn religie. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar hetgeen omtrent de huidige interim-regering en de houding ten aanzien van religieuze en etnische groeperingen is overwogen. De minister heeft in dit verband ook op goede gronden overwogen dat de informatie waar eiser zich op beroept - het landenprofiel van 2025 van Open Doors - bericht over de periode 1 oktober 2023 tot 30 september 2024 en daarmee ziet op de periode voor de val van het regime van Assad.
De minister heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn religie te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
Vrees voor gewapende groepering
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor gewapende groeperingen vanwege de beschuldiging van wapensmokkel en zijn ontsnapping uit detentie. De minister concludeert in dit verband terecht dat eiser niet exact kan duiden welke groepering naar hem op zoek is. Eiser baseert zich enkel op aannames en vermoedens wanneer hij stelt dat de groeperingen nog steeds naar hem op zoek zijn.
De minister concludeert daarnaast niet ten onrechte dat niet valt in te zien dat de gewapende groeperingen op dit moment nog zouden weten dat eiser meer dan 13 jaar geleden in detentie heeft gezeten. De minister heeft ook kunnen concluderen dat eiser met zijn verklaringen dat een foto van hem in het bezit is van een persoon die banden heeft met IS en deze persoon die foto in handen heeft gesteld van de gewapende groeperingen, niet inzichtelijk heeft gemaakt dat deze groeperingen nog steeds naar hem op zoek zijn. Eiser heeft de foto niet overgelegd en hij heeft niet kunnen toelichten wie die persoon is. Daarnaast heeft eiser verklaard dat deze persoon hem in het AZC heeft bedreigd, hij daar melding van heeft gedaan en het COA en de politie naar aanleiding van dit incident zijn ingeschakeld. Terecht heeft de minister opgemerkt dat enige onderbouwing hiervan ontbreekt. Voorts heeft de minister in dit kader terecht overwogen dat eisers familie na zijn vertrek uit Syrië nooit meer iets heeft vernomen van de gewapende groeperingen. Niet kan daarom worden gesteld dat de groeperingen nog steeds naar eiser op zoek zijn.
Confrontatie met eerdere wandaden
12. De minister stelt zich verder terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid zoals neergelegd in C2/3.3.2.2. van de Vc 2000. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij is mishandeld door één van de actoren die worden vermeld in het beleid. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder ‘vrees voor gewapende groeperingen’. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser gelet op zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Syrië binnen zes maanden na de gevangenneming door de gewapende groepering heeft verlaten. Ook hier geldt dat eiser niet gevolgd wordt in de stelling dat hij niet in staat is geweest hierover naar behoren te verklaren vanwege zijn medische situatie. Uit het medisch advies is aangegeven dat eiser wel bij benadering data kan aangeven. Terecht heeft de minister opgemerkt dat eiser daar niet in geslaagd is.
Medische problematiek
13. De rechtbank overweegt verder dat medische problemen op zichzelf geen grond vormen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Aan eiser is uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, zodat van daadwerkelijke terugkeer naar Syrië vooralsnog geen sprake is en op dit moment geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk is op basis van eisers medische situatie. De minister heeft ter zitting terecht betrokken dat BMA op het moment van het besluit op de asielaanvraag en het sluiten van het onderzoek ter zitting nog onderzoek doet naar zowel eisers gezondheidstoestand als de beschikbaarheid van passende medische zorg in Syrië. De vraag of terugkeer in de toekomst zal leiden tot een snelle en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand kan pas worden beoordeeld aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek.
Algehele situatie (15c)
14. De rechtbank overweegt voorts dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Eiser volstaat in de zienswijze en in beroep enkel met een generieke, niet onderbouwde verwijzing naar meerdere bronnen. Bovendien noemt eiser in de zienswijze en in beroep een groot aantal bronnen dat al aan de basis lag van het 15c-beleid ten aanzien van Syrië. Voorts blijkt uit het recente AAB van Syrië juist dat het aantal geweldsincidenten flink is gedaald . Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar . Deze dalende trend van geweldsincidenten vond ook plaats in Aleppo, waar eiser vandaan komt. De rechtbank volgt de minister dat in Syrië geen sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade.
Humanitaire omstandigheden
15. Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 -
en bevestigd in het AAB van januari 2026 - blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt de motivering van de minister en acht deze in lijn met de uitspraak van de Afdeling en voldoende deugdelijk.
16. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een situatie als uiteengezet in de arresten van het EHRM van 28 juni 2011. Eiser heeft in dit verband verwezen naar medische informatie, naar het AAB van januari 2026 en naar meerdere andere bronnen - waaronder het Country Focus-rapport van EUAA van juli 2025 - en geeft daarbij aan dat uit deze informatie genoegzaam blijkt dat hij niet de mogelijkheid heeft om te voorkomen dat hij kwetsbaar wordt voor inhumane behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen stellen dat hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Syrië in het algemeen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden bestaan waarmee de lat van deze arresten wordt gehaald.
Verhoogd risico bij terugkeer door individuele omstandigheden
17. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom eisers individuele situatie niet leidt tot een verhoogd risico in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Weliswaar heeft eiser weinig verklaard over zijn persoonlijke, risico verhogende omstandigheden, maar tegelijkertijd was het de minister duidelijk dat eiser op dit moment in een rolstoel zit. Daarbij komt dat eiser in beroep medische informatie heeft overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij afhankelijk is van een rolstoel en sondevoeding. Gelet op het voorgaande is het de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre eiser zich tijdig kan onttrekken aan bombardementen, beschietingen of andere uitingen van willekeurig geweld. De minister moet dit nader onderbouwen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser door zijn individuele omstandigheden geen verhoogd risico op willekeurig geweld loopt als hij terugkeert naar Syrië. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Omdat het beroep gegrond is, bespreekt de rechtbank de andere beroepsgronden niet.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.