ECLI:NL:RBDHA:2026:6412

ECLI:NL:RBDHA:2026:6412

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer NL25.56149
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Beroep asiel ongegrond. Turkije. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het uiten van zijn Koerdische etniciteit hem een politieke overtuiging is toegedicht. Arrest S en A.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56149

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),

en

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard verschillende vormen van discriminatie te hebben ondervonden in Turkije. Zo zijn er in 2016 bij eiser in de buurt patrouilleringen geweest en zijn er huiszoekingen gedaan, zonder een duidelijke aanleiding. Zijn huis is tijdens de huiszoeking beschoten en de voordeur is geforceerd. Daarnaast heeft eiser in 2021 een tascontrole en een identiteitscontrole meegemaakt. Tijdens zijn militaire dienst heeft eiser ook discriminatie ondervonden vanwege zijn afkomst. In juni 2023 is eiser staande gehouden door politie en moest hij zijn identiteitsbewijs laten zien. Toen hij Koerdisch tegen de politie sprak, kreeg hij een ellenboog in zijn borst en is hij anderhalf uur staande gehouden. Daarnaast hebben er nog meerdere incidenten plaatsgevonden. Zo heeft de politie ingegrepen tijdens de Newroz-viering en is er pepperspray tegen eiser gebruikt. In september 2023 heeft eiser uiteindelijk besloten Turkije te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor de politie.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

- de discriminatie vanwege het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep.

De minister acht de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen en discriminatie vanwege de Koerdische afkomst worden door de minister geloofd. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn door de minister verder beoordeeld. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de problemen en discriminatie vanwege de Koerdische afkomst van eiser onvoldoende zwaarwegend zijn. Eiser heeft om meerdere redenen niet aannemelijk gemaakt dat aan hem vanwege het uiten van zijn Koerdische etniciteit een politieke overtuiging is toegedicht. De minister merkt eiser daarom niet aan als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en eiser komt volgens de minister evenmin in aanmerking voor subsidiaire bescherming. Gelet op het voorgaande heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Discriminatie en geweld tegen Koerden

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk gemaakt heeft dat de door hem ondervonden discriminatie zo ernstig is dat dit als een daad van vervolging kan worden aangemerkt. Van discriminatie waardoor eiser zodanig ernstig in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren, zoals bedoeld in het beleid van de minister, is namelijk niet gebleken. In dit kader mocht de minister erop wijzen dat eiser in Turkije opleidingen volgde, kon werken en medische zorg heeft gekregen. Afgezonderd van één enkele keer dat eiser het bidden is ontzegd, heeft eiser tijdens zijn dienstplicht kunnen bidden en heeft hij zijn geloof kunnen uitoefenen. De bronnen die eiser aanhaalt over geweld en discriminatie tegen Koerden in Turkije zien op de algemene situatie in Turkije en maken het oordeel over het individuele geval van eiser hier niet anders.

Politieke overtuiging: aannemelijkheid vrees

6. Eiser voert aan dat hij een politieke overtuiging heeft die niet wordt getolereerd in Turkije. Voor eiser is het belangrijk om uiting te geven aan zijn Koerdische identiteit. In het uiten van de Koerdische identiteit mag geen terughoudendheid van hem worden verwacht. Het verrichten van activiteiten die de Koerdische identiteit uitdrukken, zoals deelname aan de Newroz-viering is in Turkije ernstig gepolitiseerd en deelnemers worden al snel in verband gebracht met PKK-activiteiten op grond van anti-terrorismewetgeving. Eiser heeft op meerdere incidenten gewezen waaruit blijkt dat naarmate mensen zich in woord en gebaar meer als Koerd profileren en opkomen voor de Koerdische zaak, zij harder worden aangepakt en met repressie te maken krijgen. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688 (arrest S en A). In het besluit is niet getoetst of eiser (toekomstige) vrees heeft voor vervolging en of van hem verwacht mag worden terughoudend te zijn in het uiting geven aan zijn Koerdische identiteit.

In het arrest S en A is, kort samengevat, overwogen dat artikel 10, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn (richtlijn 2011/95 EU) zo moet worden uitgelegd dat een opvatting, gedachte of mening van een vreemdeling die nog niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in het land van herkomst, al onder het begrip ‘politieke overtuiging’ kan vallen indien deze vreemdeling verklaart die opvatting, gedachte of mening te hebben of te uiten. Uit het arrest volgt dat bij de beoordeling van deze vervolgingsgrond niet meer als eis mag worden gesteld dat sprake moet zijn van een fundamentele politieke overtuiging. Dit arrest en de daarop gevolgde uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63) hebben geleid tot een aanpassing van het door de minister gevoerde beleid met betrekking tot de beoordeling van een gestelde politieke overtuiging als asielmotief. Deze aanpassing is neergelegd in het Informatiebericht 2024/10 (hierna: IB 2024/10). Uit IB 2024/10 volgt dat de minister eerst beoordeelt of er sprake is van een (geloofwaardige) politieke overtuiging, waarbij een gedachte of mening al onder het begrip ‘politieke overtuiging’ valt, en dat vervolgens wordt beoordeeld of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens die politieke overtuiging. Deze beoordeling dient op individuele basis en per geval verricht te worden, waarbij de beoordeling is gericht op de sterkte van de overtuiging en de eventueel geloofwaardige verrichte activiteiten en de daaraan ontleende vrees bij terugkeer. Bij deze vrees wordt beoordeeld of aannemelijk is dat de vreemdeling zich op een bepaalde manier zal uiten en of hij of zij daardoor te vrezen heeft.

In het besluit heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het uiten van zijn Koerdische etniciteit hem een politieke overtuiging is toegedicht. Dat is door eiser namelijk niet onderbouwd. Eiser is ook geen lid van een politieke partij en hij heeft geen politieke activiteiten ondernomen. Er is daarnaast geen verband tussen eisers uitingen en zijn Koerdische etniciteit en de PKK-activiteiten. Uit het AAB Turkije van februari 2025 blijkt niet dat de Koerdische taal of het luisteren naar Koerdische muziek verboden is. De taal is niet strafbaar gesteld.

Bovendien biedt de staat strafrechtelijke bescherming voor anti-Koerdisch geweld vanuit de samenleving. Daarnaast is in het AAB Turkije van februari 2025 in het bijzonder de situatie uiteengezet van Koerden die opkomen voor de politieke en culturele rechten van hun gemeenschap. Eiser behoort niet tot deze groep. Dat eiser vanwege de identiteitscontrole op de radar zou staan, heeft de minister daarom niet aannemelijk hoeven te achten. Dat eiser tijdens de Newroz-viering een onderscheidende positie innam ten opzichte van andere Koerden en hij extra is opgevallen, is niet gebleken. Tot aan eisers vertrek heeft eiser geen problemen ondervonden. Bovendien heeft eiser legaal zijn land van herkomst verlaten.

Ten slotte wordt nog overwogen dat de minister voldoende gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten van Turkije als hij zijn politieke overtuiging wil blijven uiten. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.2. is het niet aannemelijk dat eiser wordt vervolgd in Turkije vanwege zijn politieke overtuiging. Er wordt gelet hierop vanuit gegaan dat eiser bij terugkeer op eenzelfde wijze uiting kan geven aan zijn overtuiging zonder dat hij hierdoor problemen zal ondervinden. De minister heeft daarom terecht gesteld dat van eiser bij een terugkeer naar Turkije geen terughoudendheid wordt verwacht, omdat de door eiser gestelde problemen bij terugkeer door de minister niet zijn gevolgd.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. S. Derks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?