RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.325 (V)
uitspraak van de enkelvoudige kamer
I. op het verzet van
[opposante] , opposante
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 november 2025
II. tevens hersteluitspraak in het geding tussen
opposante
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 november 2025 het beroep van opposante vereenvoudigd afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak op het verzet zonder een zitting te houden.
Overwegingen
1. Opposante is het niet eens met de uitspraak van 3 november 2025 voor zover de rechtbank niet is overgegaan tot een proceskostenveroordeling omdat zij daar niet uitdrukkelijk om zou hebben verzocht. Zij heeft daarbij terecht gewezen op haar verzoek zoals opgenomen in het aanvullend beroepschrift.
2. Het rechtsmiddel van verzet richt zich tegen de kennelijkheid van het oordeel over het beroep, op grond waarvan van een zitting is afgezien. Ook als alleen bezwaren wordt gemaakt tegen het ontbreken van een nevendictum moet het verzet dienovereenkomstig worden beoordeeld. Als alleen wordt opgekomen tegen (het ontbreken van) een nevendictum, zoals in dit geval, kan dat naar zijn aard niet leiden tot een gegrond verzet.
3. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard.
4. Dat neemt niet weg dat de klacht van opposante in dit geval terecht is aangedragen, omdat in de aangevallen uitspraak niet is onderkend dat opposante in het aanvullend beroepschrift van 6 januari 2024 heeft verzocht om een vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank zal de uitspraak van 3 november 2025 daarom ambtshalve vervallen verklaren voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Verweerder zal alsnog worden veroordeeld in de proceskosten van opposante in beroep.
5. De bestuursrechter is bevoegd, maar niet verplicht tot het uitspreken van een kostenveroordeling van het bestuursorgaan. In het geval van opposante ligt een vergoeding van de door haar gemaakt kosten van rechtsbijstand in de rede, aangezien het procesbelang in beroep verloren is gegaan doordat alsnog een besluit op de aanvraag is genomen en verweerder aldus (deels) tegemoet is gekomen aan het beroep.
6. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de kosten die opposante in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet ongegrond;
verklaart de uitspraak van 3 november 2025 vervallen voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante in beroep, tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Voorheen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Besluit proceskosten bestuursrecht.