[verzoeker], onbekende woon- of verblijfplaats, verzoeker
V-nummer: [nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid al zelfstandige’. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 9 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 6 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De aangetekend verzonden brief is retour binnen gekomen bij de rechtbank met als reden dat de geadresseerde onbekend is. Het griffierecht is dus niet betaald.
De rechtbank heeft in de Basisregistratie personen (Brp) gekeken of verzoeker een ander adres heeft waar de nota naar toe kan worden gezonden. Verzoeker is echter onbekend in de Brp.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. De rechtbank merkt op dat verzoeker een tweede voorlopige voorziening heeft ingediend tegen hetzelfde besluit waarin hij een ander (post)adres hanteert. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer AWB 26/868. De rechtbank maakt hieruit op dat verzoeker kennelijk een ander postadres hanteert, zonder de rechtbank hiervan op de hoogte te stellen. Het doorgeven van een nieuw (post)adres is de verantwoordelijkheid van verzoeker. De retour gekomen post komt daarom voor rekening en risico van verzoeker. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: