ECLI:NL:RBDHA:2026:6435

ECLI:NL:RBDHA:2026:6435

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 0922526324
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

artikelen 139h, 240b, 243, 252, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht; seksueel binnendringen fysiek onmachtige; openbaarmaking afbeelding van seksuele aard (wraakporno); kinderpornografie; mishandeling levensgezel

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/225263-24 en 09/102513-25 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 25 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 13 januari 2025, 11 april 2025, 2 juli 2025, 8 september 2025, 28 oktober 2025, 14 januari 2026 (alle pro forma), 4 maart 2026 (inhoudelijke behandeling) en 25 maart 2026 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 januari 2026 - ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van de dagvaarding met het parketnummer 09/225263-24 (hierna: Dagvaarding I)

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 november 2023 te Delft, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- het vastpakken van haar keel, haar op bed gooien, haar kleding kapot trekken en/of een mes op haar keel zetten en/of

- het (telkens) misbruiken van zijn, verdachtes, overwicht (ontstaan door eerdere bedreigingen en/of mishandelingen binnen de relatie) en/of;

- het (telkens) negeren en/of voorbijgaan aan haar verbale en/of fysieke uitingen van verzet;,

[aangeefster 1] (meermalen) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het brengen en/of (vervolgens) heen en weer bewegen van (een) voorwerp(en) en/of een of meerdere lichaamsdelen in de vagina en/of mond en/of anus van die [aangeefster 1] ;

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 november 2023 te Delft, althans in Nederland, met [aangeefster 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het brengen en/of (vervolgens) heen en weer bewegen van (een) voorwerp(en) en/of lichaamsde(e)len) in de vagina en/of mond en/of anus van die [aangeefster 1] ;

3

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 2 oktober 2024, te Delft althans in Nederland van een of meerdere perso(o)n(en), te weten [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] , (telkens) afbeeldingen van seksuele aard openbaar heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die openbaarmaking nadelig voor [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] kon zijn, door foto’s en/of video's waarop en/of waarin [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] (gedeeltelijk) naakt te zien zijn/is en/of seksuele handelingen verricht(en) en/of la(a)t(en) verrichten (telkens) op Telegram, althans op social media te plaatsen en/of via Whatsapp en/of Telegram, althans via social media naar andere personen te sturen;

4

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 mei 2024 te Delft, althans in Nederland [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] en/of [aangeefster 3] heeft bedreigd met

- verkrachting, en/of

- feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling,

door mondeling en/of schriftelijk middels Facebook Messenger en/of Whatsapp, althans via social media te zeggen tegen en/of over voornoemde [aangeefster 2] :

- ' ik zoek je op en schiet je door je poten' en/of

- ' ik ken grote jongens in Den Haag en kan je berichten verwachten via seks sites dat ze met jou gaan afspreken en dan laat ik je verkrachten’ en/of

- dat hij haar zou opensnijden en/of;

- ik ga de vingers van [aangeefster 2] eraf hakken en/of;

tegen en/of over voornoemde [aangeefster 3] :

- ' ik ga je leven tot een heil maken kom afspreken dan kanker mongool sla ik al je tanden uit je bek. Echt spijt dat we niet samen wonen ik had je zo zwaar toegetakeld...dat je nooit meer zo een grote bek zou hebben...maar wist hoe een vrouw zich moest gedragen bij mij', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ' heb je dat goed begrepen Kanker hoer ik zweer je als je niet opneemt zie je binnenkort op t nieuws weer 7 jaar binnen heb ik wel over voor jou heb toch verder niemand en niks te verliezen het leven buiten is saai dus ff binnen zitten is geen probleem', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- voor jou wil ik wel weer 7 jaar gaan zitten en/of

door in een videobelgesprek met [aangeefster 3] een vuurwapen richting zijn eigen hoofd te doen en daarbij te zeggen ‘als je hier was geweest, had je het niet overleefd' of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van [aangeefster 1] te zetten, althans een vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [aangeefster 1] te tonen;

5

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 oktober 2024 te Delft althans in Nederland zijn toenmalige levensgezel(len), [aangeefster 2] en/of [aangeefster 1] , heeft mishandeld door (telkens)

- [aangeefster 2] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht althans tegen het lichaam te slaan/stompen en/of

- [aangeefster 1] (met kracht) met haar hoofd tegen een muur te slaan en/of (met gebalde vuist) in het gezicht althans tegen het lichaam van [aangeefster 1] te slaan/stompen;

6

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 2 oktober 2024 te Delft, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van de dagvaarding met het parketnummer 09/102513-25 (hierna: Dagvaarding II)

1

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 juni 2024 tot en met 2 oktober 2024 te Delft, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(in de periode van 26 juni 2024 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt te weten [aangeefster 4] was betrokken en/of schijnbaar was betrokken

heeft verspreid, aangeboden, vervaardigd, verworven, in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft

en/of

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 2 oktober 2024, artikel 252 Wetboek van Strafrecht)

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [aangeefster 4] was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid, aangeboden, vervaardigd, verworven, in bezit heeft gehad of zich de toegang daartoe heeft verschaft

te weten

- een/meerdere afbeelding(en) te weten foto's en/of video's zoals omschreven in de processen-verbaal op p. 940 en/of p. 1049 van het dossier en/of

- een/meerdere gegevensdrager(s) te weten een Samsung S23 Ultra met beslagcode A08.001 en SIN AAPS7130NL en/of een computer met beslagcode A.01.01.001 en SIN AAPE0845NL en/of één of meerdere foto en/of videobestanden, waarop te zien is dat die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en/of een vinger;

2

hij op of omstreeks 22 juni 2024 te Delft, van een persoon, [aangeefster 5] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video, waarop te zien is dat die [aangeefster 5] seks heeft met verdachte, althans dat zij hem oraal bevredigt, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1, 2, 3, 4 (gedeeltelijk), 5, 6 en dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 4 tenlastegelegde heeft de officier van justitie partieel vrijspraak gevorderd, voor zover dit hetgeen betreft dat de verdachte (direct) mondeling tegen [aangeefster 2] zou hebben gezegd nu hiervoor onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van al hetgeen in dagvaarding I en II is tenlastegelegd.

Ten aanzien van de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] (hierna ook: [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] ) heeft de raadsvrouw gesteld dat hun verklaringen onbetrouwbaar zijn. De ex-partners [aangeefster 1] en [aangeefster 2] alsmede de overige aangeefsters van de verdachte zouden uit wraak tegen hem hebben samengespannen. Zij hebben onderling contact gehad alvorens zij een verklaring aflegden bij de politie. Ex-partner [aangeefster 2] heeft ex-partner [aangeefster 1] aangespoord om aangifte te doen en haar geïnstrueerd. [aangeefster 2] heeft ook [aangeefster 3] aangespoord om aangifte te doen, nadat [aangeefster 3] haar had benaderd. Ook [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben onderling contact gehad. Het is zeer aannemelijk dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, volgens de raadsvrouw. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op discrepanties tussen de verklaringen die de aangeefsters hebben afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Dit alles doet afbreuk aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hun verklaringen. De aan de verdachte toegeschreven berichten zouden vooral getuigen van fantasie, grootspraak en stoerdoenerij, maar dienen, voor zover kan worden bewezen dat hij de berichten heeft geschreven, niet serieus te worden genomen. De verdere context van deze berichten ontbreekt en wordt eenzijdig ingevuld door het openbaar ministerie. Bovendien was de verdachte niet de enige gebruiker van zijn mobiele telefoon en heeft hij op zeker moment met [aangeefster 2] van telefoon gewisseld. De verdachte heeft geen foto’s en/of video’s van seksuele aard openbaar gemaakt van [aangeefster 2] , [aangeefster 1] , [aangeefster 4] of [aangeefster 5] .

Ten aanzien van [aangeefster 4] heeft de verdachte bovendien verklaard dat hij niet wist dat zij, bevriend met de meerderjarige [aangeefster 5] , destijds minderjarig was.

Over de aan de verdachte verweten handel, dan wel het bezit van verdovende middelen, aangetroffen in zijn woning, heeft de verdachte verklaard dat deze verdovende middelen aan iemand anders toebehoorden, vermoedelijk aan [aangeefster 2] . Voor handel is er evenmin bewijs aanwezig. De verklaringen van de ex-partners van de verdachte over de verdovende middelen zijn, zoals uiteengezet, onbetrouwbaar. De aan de verdachte toegeschreven berichten zouden, zoals ook hiervoor uiteengezet, niet serieus dienen te worden genomen, voor zover deze überhaupt aan de verdachte kunnen worden toegeschreven, aldus de raadsvrouw.

Vrijspraak Dagvaarding I, feit 1 (verkrachting van [aangeefster 1] )

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bij Dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit het volgende. De verklaring van [aangeefster 1] lijkt te zien op meerdere feiten in de loop van een ruime periode, waarbij het onduidelijk is gebleven wanneer welke handelingen hebben plaatsgevonden. De officier van justitie heeft zich in haar requisitoir toegespitst op één specifiek moment dat [aangeefster 1] heeft genoemd waarop de verdachte haar met geweld zou hebben gedwongen tot seks. De officier van justitie ziet hiervoor voldoende steunbewijs in het dossier. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. De door de officier van justitie genoemde passages uit het proces-verbaal die dit specifieke moment zouden ondersteunen, te weten: een opmerking die de verdachte zou hebben gemaakt in een chat met [naam 1] (op 10 november 2023), een verklaring van een medewerkster van SHOP die blauwe plekken zag bij [aangeefster 1] (op 22 februari 2023) en een bij de verdachte aangetroffen mes (op 13 april 2023), zijn van te zeer uiteenlopende data en te algemeen van aard om te koppelen aan het hiervoor genoemde specifieke moment, of aan enig ander specifiek moment dat binnen de tenlastegelegde periode valt. Het één en ander geldt ook voor de verklaring van [aangeefster 2] over wat de verdachte verteld zou hebben over de geweldshandelingen jegens [aangeefster 1] , met welke verklaring overigens terughoudend dient te worden omgegaan vanwege het feit dat het een zogenaamde ‘de-auditu’ (van-horen-zeggen) verklaring betreft. Ook ten aanzien van het overige deel van de verklaring van [aangeefster 1] ziet de rechtbank onvoldoende steun in het dossier om te komen tot een bewezenverklaring.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het bij Dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde, nu dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5]

Beoordelingskader bewijs in zedenzaken

De rechtbank hanteert bij de beoordeling van het bewijs het volgende kader.

Bij zedenzaken zijn in het algemeen slechts het vermeende slachtoffer en de vermeende dader (of daders) aanwezig geweest bij de seksuele handelingen waarop de verdenking betrekking heeft. Dat is in dit geval ook zo: de verklaringen van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] staan tegenover die van de verdachte.

Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Voor de verklaring van het vermeende slachtoffer moet dus steunbewijs aanwezig zijn, dat uit een andere bron komt dan het slachtoffer zelf (zie onder andere Hoge Raad 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:637). Uit dezelfde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de verklaring over wat er op het moment van de in de tenlastelegging beschreven handelingen is gebeurd, niet noodzakelijkerwijs bevestigd hoeft te worden door ander (direct) bewijs. Het gaat erom dat die verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat en is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Tussen de verklaringen van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Steunbewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit een waarneming van de emotie bij het slachtoffer (vrijwel) direct na het delict, uit berichtenverkeer tussen het slachtoffer en de verdachte, tussen het slachtoffer en anderen, of tussen de verdachte en anderen.

De raadsvrouw heeft gesteld dat de verklaringen van de aangeefsters/getuigen onbetrouwbaar zijn omdat zij elkaar hebben gesproken voordat zij een verklaring bij de politie hebben afgelegd. De raadsvrouw stelt dat het zeer aannemelijk is dat de aangeefsters hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

De rechtbank overweegt dat, hoewel de raadsvrouw geen concreet voorbeeld heeft gegeven van dit afstemmen, er een zeker risico van beïnvloeding bestaat in het overleg dat de aangeefsters [aangeefster 2] , [aangeefster 1] en [aangeefster 3] enerzijds en (in mindere mate) [aangeefster 4] en [aangeefster 5] gehad (kunnen) hebben. De rechtbank zal gelet op de kwetsbaarheid van de getuigen en de positie waarin zij verkeerden, alsmede de (al dan niet begrijpelijke) discrepanties in hun verklaringen, met terughoudendheid omgaan met hun verklaringen. Dat betekent dat overtuigend (objectief) steunbewijs uit een andere bron dan het vermeende slachtoffer (of één van de vermeende medeslachtoffers) aanwezig dient te zijn om tot een eventuele veroordeling te kunnen komen. Daarbij zullen de bevindingen uit het onderzoek aan digitale gegevensdragers, met name ten aanzien van de inhoud van de telefoons en de computer die aan de verdachte worden toegeschreven, een rol kunnen spelen.

Gebruik van aan de verdachte toegeschreven telefoon(s) en berichten

In het dossier zijn talloze chats, screenshots van chats, seksvideo’s en foto’s opgenomen alsmede persoonlijke notities, die volgens de politie de verklaringen van de genoemde aangeefsters/getuigen ondersteunen. Ook ten aanzien van het ‘Opiumwet-feit’ speelt het onderzoek aan digitale gegevensdragers een rol.

Geconfronteerd met de bevindingen van dit onderzoek, heeft de verdachte bij de politie zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Op de terechtzitting heeft de verdachte, zonder concreet te worden, verklaard dat niet alle chats aan hem kunnen worden toegeschreven. Zo is de verdachte naar eigen zeggen een aantal keer van telefoon gewisseld en zouden [aangeefster 1] en [aangeefster 2] een telefoon van de verdachte te leen hebben gekregen. Ook zou bij veel van de chats de context hebben ontbroken. Bovendien praatte de verdachte vaak mee met zijn gesprekspartner. Er zou sprake zijn van fantasie, grootspraak en stoerdoenerij en de inhoud van de chats zou daarom niet serieus genomen moeten worden. Op de terechtzitting heeft de rechtbank de verdachte (concreet) een aantal keer gevraagd naar deze context, de chats die aan iemand anders zouden moeten worden toegeschreven en de persoonlijke notities die aan de verdachte worden toegeschreven. Daarop heeft de verdachte steeds verklaard dat hij zich deze niet meer kan herinneren en heeft hij ook een aantal keer een beroep gedaan op zijn zwijgrecht.

De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek van de politie naar de gegevensdragers blijkt dat steeds uitvoerig is onderzocht wie de betreffende gegevensdrager gebruikte. De eerste aanwijzing hiervoor vormde uiteraard steeds de plaats waarop deze gegevensdrager werd aangetroffen. Ten aanzien van alle onderzochte gegevensdragers, te weten: drie Samsung-telefoons en een desktopcomputer, geldt dat deze zijn aangetroffen in de woning van de verdachte (in zijn slaapkamer, zijn woonkamer en in de gang). Verder blijkt dat alle gegevensdragers op naam van de verdachte stonden, althans dat er gebruik werd gemaakt van accountnamen die (op verschillende gronden) aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Tot slot is gekeken naar de inhoud van de telefoon. Voor zover het chats betreft zijn deze steeds gevoerd met accountnamen die aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Uit het onderzoek komt niet naar voren dat iemand anders dan de verdachte zou hebben deelgenomen aan deze chats; de chats zijn gevoerd met contacten van de verdachte, en het is niet aannemelijk geworden dat iemand anders dan de verdachte de in het dossier opgenomen berichten zou hebben verzonden. Bovendien is er geen sprake van stijlbreuk of verandering van perspectief. Kortom, de rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte op dit punt en het daarop door de verdediging gebaseerde verweer dat de verdachte niet betrokken was bij het berichtenverkeer. De inhoud van de chats, foto’s en video’s op de door de verdachte gebruikte gegevensdragers kunnen derhalve worden gebezigd voor het bewijs.

Dagvaarding I, feit 2 (seks met [aangeefster 1] , terwijl ze verminderd bewust was)

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte seks heeft gehad met [aangeefster 1] , meer in het bijzonder dat hij haar vaginaal heeft gepenetreerd met zijn penis, terwijl [aangeefster 1] verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. De verdachte deed dit op verschillende data. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[aangeefster 1] verklaart in haar aangifte dat zij in de periode dat dit zich afspeelde, toen zij een relatie met de verdachte had, veel alcohol dronk en verdovende middelen gebruikte en dat zij meerdere keren knock-out is geweest en daardoor veel dingen die gebeurden niet heeft meegekregen. Pas toen [aangeefster 1] de filmpjes zag waarop de verdachte seks met haar had, besefte ze dat ze door hem was verkracht. Dat gebeurde in de woning van de verdachte, in zijn bed. De verklaring van [aangeefster 1] vindt steun in tien filmpjes die de politie heeft aangetroffen op de computer van de verdachte, in de map 'geheime map backup'. Deze tien filmpjes, die zijn gemaakt op vier verschillende data, wijken af van de overige bestanden in deze map (bestaande uit 220 bestanden in totaal), omdat [aangeefster 1] een passieve, liggende houding heeft en niet of nauwelijks beweegt, terwijl zij op de overige beelden steeds een actieve, levendige en aanwezige rol heeft. Van één van de genoemde tien filmpjes is een still getoond aan [aangeefster 1] . [aangeefster 1] herkent daarop de voor haar kenmerkende slaaphouding: op haar buik, ogen gesloten en met haar mond een beetje open. Daarbij merkt de rechtbank op dat, volgens de beschrijving van de filmpjes, de verdachte bij een aantal filmpjes wel regelmatig grijnzend in de camera kijkt (die hij in zijn hand houdt), maar dat er geen enkele interactie is met [aangeefster 1] .

Dagvaarding I, feit 3 (verspreiding van seksvideo’s van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] )

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte naaktfoto’s en seksvideo’s van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] heeft gedeeld met anderen. Ten aanzien van [aangeefster 2] deed de verdachte dit meerdere malen. Ten aanzien van [aangeefster 1] in ieder geval eenmaal.

[aangeefster 2] heeft verklaard dat de verdachte deze heeft verstuurd naar, dan wel gedeeld met, verschillende van haar contacten, zoals één van haar dochters en hun pleegmoeder. Uit in het dossier gevoegde chats blijkt dat de verdachte hier een aantal keer mee heeft gedreigd en dat dit ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zo verklaart de pleegmoeder dat zij op enig moment naaktfoto’s ontving van [aangeefster 2] van de verdachte. Ook blijkt er een Instagram-account te zijn aangemaakt met de naam ‘ [instagram account] ’ waarop naaktfoto’s van [aangeefster 2] zijn opgenomen. Via dit account is contact gezocht met één van de dochters van [aangeefster 2] . Behalve dat de verdachte beschikte over het genoemde materiaal, blijkt ook uit een notitie op een aan hem toegeschreven telefoon dat hij voorbereidingen hiervoor trof. Verder heeft de verdachte dergelijke filmpjes van [aangeefster 2] gedeeld via WhatsApp met [naam 2] en een zekere [naam 3] .

[aangeefster 1] heeft verklaard dat de verdachte filmpjes heeft gedeeld met anderen. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de verdachte in ieder geval via WhatsApp een filmpje heeft gedeeld met [naam 2] .

Dagvaarding I, feit 4 (bedreiging van [aangeefster 3] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] )

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte [aangeefster 3] (hierna: [aangeefster 3] ) en [aangeefster 1] heeft bedreigd. De verdachte heeft [aangeefster 3] meerdere keren bedreigd. De verdachte heeft [aangeefster 1] in ieder geval eenmaal bedreigd.

De door [aangeefster 3] in haar getuigenverklaring genoemde bedreigingen, zowel doodsbedreigingen als een bedreiging met zware mishandeling, vinden steun in de chats (screenshots) die in het dossier zijn opgenomen, alsmede in een sms die op de telefoon van de verdachte is aangetroffen die hierop wijst. Dat de verdachte [aangeefster 3] heeft bedreigd met een vuurwapen (dat de verdachte tegen zijn hoofd hield, waarbij hij zei: ‘als je hier was geweest, had je het niet overleefd’), wordt ondersteund door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat in de woning van de verdachte, verstopt boven het plafond, is aangetroffen bij de huiszoeking die na de aanhouding van de verdachte plaatsvond.

De door [aangeefster 1] in haar verklaring genoemde bedreiging, waarbij een vuurwapen werd getoond, wordt eveneens ondersteund door de hiervoor beschreven vondst van het op een vuurwapen gelijkende voorwerp. Bovendien heeft de verdachte in een chat met [naam 1] , de ex-vriend van [aangeefster 1] , gesproken over zijn ‘gun’ en dat ‘ [aangeefster 1] ’ (waarmee [aangeefster 1] wordt bedoeld) bang was (‘ [aangeefster 1] had mijn gun gezien … doorgeladen en alles ze was kankerbang’).

In navolging van de officier van justitie zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van dit feit voor zover het aangeefster [aangeefster 2] betreft, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte tegenover [aangeefster 2] strafbare bedreigingen heeft geuit.

Dagvaarding I, feit 5 (mishandeling van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] )

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte [aangeefster 2] en [aangeefster 1] heeft mishandeld.

[aangeefster 2] heeft verklaard dat zij door de verdachte met kracht met een vuist in het gezicht is geslagen waardoor zij een blauw oog opliep. De verklaring vindt steun in een chat waarin de verdachte tegenover [aangeefster 2] toegeeft dat hij haar heeft geslagen en hiervoor zijn excuses maakt (‘jou slaan heb ik 1x gedaan ik had spijt’).

[aangeefster 1] heeft verklaard dat de verdachte haar met haar hoofd tegen de betonnen muur in de woonkamer heeft geslagen waardoor zij dacht dat haar schedel zou breken en zij een blauw oog opliep, althans een dicht oog (‘Ik dacht dat ik mijn hoofd had gebroken. Mijn rechteroog zat er dicht van.’). Deze verklaring vindt steun in een chat tussen de verdachte en de ex-vriend van [aangeefster 1] . Hierin vertelt de verdachte met zoveel woorden dat hij dit heeft gedaan (‘ik heb d'r hoofd kennis laten maken met een batone muur. hoef alleen naar die muur te wijzen en ze dimpt direct in’; ‘heb d'r hoofd geslagen tegen de batone muur, tegen de badkamer muren... en tegen alles wat van metaal was en dichtbij de hand’).

Dagvaarding I, feit 6 (maken/handel/aanwezig hebben van cocaïne en MDMA)

Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte hoeveelheden cocaïne en MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad op de dag van zijn aanhouding.

Behalve dat deze verdovende middelen werden aangetroffen in de woning van de verdachte,

meer precies in een kast in de woonkamer, weegt hierbij mee dat de verdachte in diverse

chats aangeeft dat hij de beschikking heeft over cocaïne en MDMA. Zo bericht hij op 23 augustus 2024 (nog geen anderhalve maand voor zijn aanhouding) aan [naam 2] (hiervoor genoemd): ‘Heb nog genoeg xtc’. Deze en overige chats vonden plaats via een telefoon waarvan het bezit aan de verdachte wordt toegeschreven. Op deze telefoon bevindt zich bovendien een persoonlijke notitie waarin de verdachte heeft geschreven ’20 roze xtc meenemen voor 100 verkopen’. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de verklaring van de verdachte dat deze verdovende middelen niet van hem, maar mogelijk van [aangeefster 2] zouden zijn geweest. Los van het feit dat hiervoor geen aanwijzingen aanwezig zijn in het dossier, kan worden vastgesteld dat [aangeefster 2] de verdachte op dat moment al bijna een jaar daarvoor had verlaten en geen contact meer met de verdachte had.

De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de handel in alsmede het maken van cocaïne en/of MDMA, omdat daarvoor in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is.

Dagvaarding II, feit 1 (maken en verspreiden van kinderporno)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op drie verschillende afspraken seks (geslachtsgemeenschap) heeft gehad met de minderjarige [aangeefster 4] (hierna: [aangeefster 4] ), dat de verdachte hier opnamen van heeft gemaakt (die worden aangemerkt als kinderporno) en dat hij deze opnamen heeft verspreid. De verdachte heeft bekend dat hij seks heeft gehad met [aangeefster 4] .

Uit de chats die de verdachte voerde via een aan hem toegeschreven telefoon, blijkt dat hij ervan op de hoogte was dat [aangeefster 4] minderjarig was, nog voordat zij voor het eerst seks hadden (eind juni 2024). Niet alleen doordat [aangeefster 4] op 20 juni 2024 aan de verdachte liet weten: ‘Me ma wilt me kinderbijslag enzo niet sturen’, maar ook gelet op een WhatsApp-bericht dat de verdachte op 12 december 2023 aan [naam 1] stuurt: ‘OMG er zit een chicky van 16 achter me aan bro’ en ‘over 2 maanden 17’. [aangeefster 4] was op dat moment zestien jaar oud en zou twee maanden later zeventien worden. Vervolgens stuurde de verdachte aan [naam 1] in deze zelfde chat zeven foto’s waarop [aangeefster 4] is herkend door de politie. In de maanden daarna, voorafgaand aan hun eerste ontmoeting, heeft [aangeefster 4] de verdachte eerst naaktfoto’s en -video’s toegestuurd en daarna hebben ze drie keer afgesproken en seks gehad (geslachtsgemeenschap).

De verdachte heeft twee seksvideo’s waarop hij geslachtsgemeenschap heeft met [aangeefster 4] aan een zekere [naam 4] toegestuurd. Verder heeft de verdachte afbeeldingen van [aangeefster 4] aan [naam 2] en [naam 5] toegestuurd.

Dagvaarding II, feit 2 (verspreiding van een seksvideo van [aangeefster 5] )

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de nacht van 22 juni 2024 een seksvideo

met [aangeefster 5] heeft gedeeld met [naam 5] . De verdachte deed dit via WhatsApp

met de Samsung-telefoon die bij zijn aanhouding op zijn bed is aangetroffen. [aangeefster 5] heeft

een verklaring afgelegd inhoudende dat zij zichzelf herkent op de aangetroffen video, dat de

verdachte destijds toestemming had om de seks te filmen maar dat zij, toen ze uit elkaar gingen, de video van haar telefoon had verwijderd en met hem had afgesproken dat hij dat ook zou doen (‘hij zei dat hij de filmpjes zou gaan verwijderen’), maar dat de verdachte dit kennelijk niet had gedaan.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij Dagvaarding I onder 2, 3, 4, 5, 6 en Dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van Dagvaarding I

2

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023 te Delft, met [aangeefster 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten het brengen en (vervolgens) heen en weer bewegen van een lichaamsdeel in de vagina van die [aangeefster 1] ;

3

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 2 oktober 2024, te Delft althans in Nederland van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] , (telkens) afbeeldingen van seksuele aard openbaar heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die openbaarmaking nadelig voor [aangeefster 2] en [aangeefster 1] kon zijn, door foto’s en/of video's waarop en/of waarin [aangeefster 2] of [aangeefster 1] (gedeeltelijk) naakt te zien is en/of seksuele handelingen verricht en/of laat verrichten (telkens) op Telegram, althans op social media te plaatsen en/of via Whatsapp en/of Telegram, althans via social media naar andere personen te sturen;

4

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 mei 2024 te Delft, althans in Nederland [aangeefster 1] en [aangeefster 3] heeft bedreigd met

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling,

door mondeling en/of schriftelijk middels Facebook Messenger en/of Whatsapp, althans via social media te zeggen tegen voornoemde [aangeefster 3] :

- ' ik ga je leven tot een heil maken kom afspreken dan kanker mongool sla ik al je tanden uit je bek. Echt spijt dat we niet samen wonen ik had je zo zwaar toegetakeld...dat je nooit meer zo een grote bek zou hebben...maar wist hoe een vrouw zich moest gedragen bij mij', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- ' heb je dat goed begrepen Kanker hoer ik zweer je als je niet opneemt zie je binnenkort op t nieuws weer 7 jaar binnen heb ik wel over voor jou heb toch verder niemand en niks te verliezen het leven buiten is saai dus ff binnen zitten is geen probleem', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- voor jou wil ik wel weer 7 jaar gaan zitten en

door in een videobelgesprek met [aangeefster 3] een vuurwapen richting zijn eigen hoofd te doen en daarbij te zeggen ‘als je hier was geweest, had je het niet overleefd' of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [aangeefster 1] te tonen;

5

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 oktober 2024 te Delft althans in Nederland zijn toenmalige levensgezellen, [aangeefster 2] en [aangeefster 1] , heeft mishandeld door

- [aangeefster 2] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht te slaan/stompen en

- [aangeefster 1] (met kracht) met haar hoofd tegen een muur te slaan;

6

hij op 2 oktober 2024 te Delft, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Ten aanzien van Dagvaarding II

1

hij op tijdstippen in de periode van 26 juni 2024 tot en met 2 oktober 2024 te Delft, althans in Nederland, meermalen,

(in de periode van 26 juni 2024 tot en met 30 juni 2024)

een of meer afbeeldingen en/of - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt te weten [aangeefster 4] was betrokken,

heeft verspreid, vervaardigd, in bezit heeft gehad

en

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 2 oktober 2024)

visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [aangeefster 4] was betrokken, heeft verspreid, vervaardigd, in bezit heeft gehad

te weten

- meerdere afbeeldingen te weten foto's en video's zoals omschreven in de processen-verbaal op p. 940 en p. 1049 van het dossier en

- gegevensdragers te weten een Samsung S23 Ultra met beslagcode A08.001 en SIN AAPS7130NL en een computer met beslagcode A.01.01.001 en SIN AAPE0845NL en foto en videobestanden, waarop te zien is dat die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en/of een vinger;

2

hij op 22 juni 2024 te Delft, van [aangeefster 5] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een video, waarop te zien is dat die [aangeefster 5] seks heeft met verdachte, althans dat zij hem oraal bevredigt, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verminderde toerekenbaarheid van de verdachte gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 6 februari 2026, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, waarin dit wordt geadviseerd (hierna: PBC-rapport). De verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er zijn veel aanwijzingen naar voren gekomen voor een gebrek aan empathie en een zeer gebrekkige gewetensfunctie. De verdachte kampt al vanaf jonge leeftijd met hechtingsproblematiek en gedragsproblemen. Daarnaast functioneert de verdachte op een zwakbegaafd niveau. Beide stoornissen waren aanwezig ten tijde van de feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet expliciet uitgelaten over de toerekenbaarheid van de verdachte. Wel heeft de raadsvrouw gesteld dat uit het PBC-rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling die ook ten tijde van het gebeurde bestond. Echter, niet kan worden onderbouwd noch kan worden uitgesloten dat deze gebrekkige ontwikkeling invloed heeft gehad op verdachtes keuzevrijheid.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte in het bijzonder acht geslagen op het PBC-rapport. Hoewel de verdachte zijn medewerking aan het onderzoek grotendeels heeft geweigerd, haalden de psychiater en de psycholoog informatie uit eigen gesprekscontacten, de beschikbare stukken, het milieuonderzoek en de groepsobservatie. Voor wat betreft het milieuonderzoek wilde de verdachte (uiteindelijk) ook niet dat referenten werden geraadpleegd, noch dat informatie bij instanties zou worden opgevraagd. Gelet hierop was slechts een beperkt aantal referenten bereid informatie te verstrekken. De milieuonderzoeker heeft, om aan informatie te komen, daarom voornamelijk geput uit eerder triple-onderzoek uit 2014 (waaronder een milieuonderzoek).

Milieuonderzoek (korte levensloop)

Hieruit komt – kort geschetst – het beeld naar voren dat de verdachte een bewogen jeugd heeft gehad. In 1996, toen de verdachte zo’n vier jaar oud was, werd hij onder toezicht gesteld omdat verdachtes moeder om gezondheidsredenen niet voor de verdachte kon zorgen en de vader van de verdachte de zorg alleen niet aankon. De verdachte werd op achtjarige leeftijd uit huis geplaatst en kwam terecht in pleeggezinnen en instellingen. De verdachte volgde eerst het speciaal basisonderwijs, daarna voortgezet onderwijs voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen (ZMOK). Toen de verdachte veertien was, kwam hij voor het eerst in aanraking met justitie. Na eerst zelf kwetsbaar en beïnvloedbaar te zijn geweest volgens de betrokken instanties, deed de verdachte in 2008 in een gesprek met een gezinsvoogd en gedragswetenschapper uitspraken over het beïnvloeden van anderen. Door ze eerst te observeren, informeel met hen om te gaan en te chillen en ze dan te ‘pakken op hun gevoelige punten’ kon hij hen laten doen wat hij wilde. Er volgde een periode van justitiële jeugdinrichtingen. Toen de ondertoezichtstelling eindigde verbleef de verdachte bij zijn broer, schoonzus en kinderen totdat hij een kamer via stichting MEE kreeg. In 2012 kreeg de verdachte een eigen woning toegewezen. De verdachte kreeg praktische begeleiding van Middin. De verdachte kreeg een relatie met een meisje, genaamd [naam 6] , dat hij kende vanuit een jeugdinstelling waar zij beiden intern verbleven. In september 2013, toen [naam 6] meerderjarig was geworden, gingen ze samenwonen. In december 2013 werd de verdachte veroordeeld voor afdreiging van twee meisjes die hem naaktfoto’s hadden gestuurd (sextortion). Het ging daarbij om kwetsbare slachtoffers. In februari 2014 kwam [naam 6] ook onder begeleiding van Middin en vormde de relatie tussen haar en de verdachte een onderdeel van de begeleiding. Eind mei werd de verdachte aangehouden op verdenking van het opzettelijk met een messteek om het leven brengen van zijn vriendin [naam 6] . Er vond een Pro Justitia-onderzoek plaats waaraan de verdachte maar deels zijn medewerking verleende. De verdachte werd door de rechtbank op 10 juli 2015 veroordeeld wegens doodslag tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Het gerechtshof bevestigde het vonnis op 29 februari 2016. De verdachte werd op 16 november 2018 geplaatst in FPA De Weerlanden, een kliniek voor mensen met een verstandelijke beperking in combinatie met psychiatrische problematiek en/of verslaving. De behandeling kwam echter onvoldoende van de grond. De verdachte gaf onvoldoende openheid van zaken en ontkende waarvoor hij was veroordeeld. Ook sloot het beveiligingsniveau onvoldoende aan bij de verdachte die jonger vrouwelijk personeel van FPA De Weerlanden observeerde met betrekking tot kleding en uiterlijke verzorging. De verdachte kon terecht bij FPK De Woenselse Poort in Eindhoven voor verdere behandeling. In december 2020 werd de verdachte doorgeplaatst naar resocialisatieafdeling Waterkant. In de daaropvolgende maanden werden antisociale, norm overschrijdende cognities en gedragingen meer op de voorgrond gezien. Er werden in therapie grensoverschrijdende cognities waargenomen ten aanzien van sociale rollen en afstand-nabijheid. Op 6 augustus 2021 werd een vordering tot verlenging van de v.i. afgewezen. De verdachte kwam vrij op 30 augustus 2021. De verdachte weigerde iedere begeleiding behalve voor praktische zaken. Op 26 augustus 2021 ontving de verdachte de sleutel voor een huurwoning in Delft waar hij na zijn vrijlating zijn intrek nam.

Psychologisch onderzoek

Op gedragsniveau kan formeel een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld worden.

Zwakbegaafdheid wordt, gezien de vele testuitslagen en de indruk die hij maakt, als het meest waarschijnlijke verstandelijke niveau gezien. Door de weigering van de verdachte

kunnen een aantal hypothesen met betrekking tot mogelijke pathologie (FASD, problemen met middelen, te weten softdrugs en cocaïne, seksuele stoornissen), niet verder onderzocht

worden. Zulks terwijl de levensloop van de verdachte en de huidige tenlasteleggingen (indien bewezen) meer problematiek doen vermoeden dan alleen de antisociale

persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid.

Psychiatrisch onderzoek

Samenvattend kan worden gesteld dat, ondanks het gebrek aan voldoende eigen onderzoek

middels uitgebreide gesprekken (de verdachte kon alleen worden bevraagd over de

tenlastegelegde feiten), op basis van de beschikbare dossierinformatie en de observaties in

het PBC wel in ieder geval als diagnosen kunnen worden gesteld een antisociale

persoonlijkheidsstoornis en een intellectueel functioneren op zwakbegaafd niveau. Verder is

mogelijk sprake van ADD. De verdachte gebruikt daarvoor al langere tijd medicatie.

Antisociale persoonlijkheidsstoornis (en psychopathie), zwakbegaafdheid

De deskundigen komen tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte heeft geen verstandelijke handicap, maar wel is waarschijnlijk sprake van zwakbegaafdheid (laagbegaafdheid). De antisociale persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid waren aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. Tijdens onderhavig onderzoek is naast de antisociale persoonlijkheidsstoornis ook psychopathie vastgesteld. De verdachte is een man met twee gezichten. Hij presenteert zich enerzijds sociaal aangepast, maar is tegelijkertijd iemand met een antisociale denkwereld en iemand die het kennelijk niet schuwt om vrouwen onder druk te zetten met de door hem vervaardigde of verkregen naaktbeelden. De verdachte heeft wel zogenaamde cognitieve (sluwe, beredeneerde) empathische vermogens waarmee hij de ander weet te doorgronden, maar ontbeert affectieve empathie (intuïtief begaan zijn met de ander) en handelt vervolgens op instrumentele wijze vanuit egocentrisch opportunistische motieven, waarbij de gewetensfuncties lacunair blijken te zijn.

Doorwerking hiervan in de gedragskeuzes

De onderzoekers hebben niet met de verdachte kunnen bespreken wat hem heeft bewogen om tot de ten laste gelegde relationele feiten te komen, omdat hij de feiten ontkent en hij onvoldoende aan het onderzoek heeft meegewerkt. Hierdoor is er geen zicht gekomen op de achterliggende motieven en eventueel emotioneel bepaalde drijfveren die hem in zijn wilsvrijheid zouden kunnen hebben beperkt en die inzicht hadden kunnen geven in de mate van de (eventueel ingeperkte) wilsvrijheid over de aansturing van zijn gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Het classificeren van (de kenmerken van) een antisociale persoonlijkheidsstoornis op zich, maar ook van (de kenmerken van) zwakbegaafdheid impliceert namelijk niet als vanzelf dat die classificaties ook gepaard gaan met forensisch gedragskundige relevante functionele beperkingen in het kunnen aansturen van het eigen gedrag. Anders gezegd, het is denkbaar dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid weliswaar hebben bijgedragen aan de motieven die hebben geleid tot de tenlastegelegde feiten (indien bewezen), maar niet op een manier dat hij er daardoor niet meer van af kon zien. Tegelijkertijd kan door het ontbreken van een delictscenario en -analyse ook de omgekeerde hypothese niet worden uitgesloten dat er vanuit genoemde stoornissen wel degelijk ook forensisch relevante beperkingen kunnen zijn geweest in het vermogen om van de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) af te zien, en er dus sprake geweest zou kunnen zijn van een verminderde wilsvrijheid ten opzichte van de gemiddelde mensen dus van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de rapporteurs niet tot een advies komen ten aanzien van de toerekening, gelet op de weigering van de verdachte om mee te werken aan een onderzoek naar zijn motieven en eventueel emotioneel bepaalde drijfveren die hem in zijn wilsvrijheid zouden kunnen hebben beperkt en die inzicht hadden kunnen geven in de mate van de (eventueel ingeperkte) wilsvrijheid over de aansturing van zijn gedrag ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Met name hebben de rapporteurs niet kunnen onderzoeken of de verdachte in minder extern gecontroleerde situaties zijn kans grijpt (in meer toerekenbare zin) of een drang moet volgen (in minder toerekenbare zin), om zijn fascinatie voor het krijgen van macht over de ander uit te leven.

Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat uit de rapportage blijkt, zoals hiervoor overwogen, dat er bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte heeft geen verstandelijke handicap, maar wel is waarschijnlijk sprake van zwakbegaafdheid (laagbegaafdheid). De antisociale persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid waren aanwezig ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. Tijdens onderhavig onderzoek is naast de antisociale persoonlijkheidsstoornis ook psychopathie vastgesteld. Derhalve komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de verdachte sprake was van een geestelijke stoornis van de geestvermogens ten tijden van het begaan van de strafbare feiten zoals in het voorgaande bewezen zijn verklaard.

6. Oplegging van straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, en de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (subsidiair) bepleit aan de verdachte niet de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. De raadsvrouw heeft hiertoe gesteld dat er niet is voldaan aan het zogenoemde gevaarscriterium als bedoeld in artikel 37a lid 1 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsvrouw heeft voorts bepleit aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan voor de duur die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich, gedurende zijn relatie met [aangeefster 1] , op meerdere momenten schuldig gemaakt aan het verrichten van seksuele handelingen met [aangeefster 1] , waarbij hij haar vaginaal heeft gepenetreerd met zijn penis, wetende dat zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. [aangeefster 1] , die destijds veel drugs en alcohol gebruikte, kwam hierachter doordat de verdachte hiervan (tegen haar wil) meerdere opnamen had gemaakt en deze, met name toen de relatie verbroken was, deelde met anderen. [aangeefster 1] is gedurende haar relatie met de verdachte door hem bovendien mishandeld en bedreigd. Ook [aangeefster 2] , die hierna een relatie had met de verdachte, is gedurende die relatie door de verdachte mishandeld. Ook van haar heeft de verdachte filmpjes gemaakt tijdens de seks die hij later, toen de relatie verbroken was, heeft gedeeld met anderen. De verdachte heeft bovendien naaktfoto’s van [aangeefster 2] gedeeld met één van haar dochters en hun pleegmoeder om [aangeefster 2] , toen zij de verdachte had verlaten, in diskrediet te brengen.

Verder heeft de verdachte op meerdere momenten seks gehad met de (destijds) minderjarige [aangeefster 4] en hiervan steeds opnamen gemaakt (kinderporno) en deze bovendien tegen de wil van [aangeefster 4] gedeeld met anderen.

De verdachte heeft ook gedurende een korte relatie met [aangeefster 5] tijdens de seks opnames gemaakt en deze later niet verwijderd zoals zij hadden afgesproken, maar deze heimelijk bewaard en (een tijd later) gedeeld met iemand anders.

Tot slot, heeft de verdachte gedurende een halfjaar online contact gehad met [aangeefster 3] , via chats en videobellen. De verdachte heeft [aangeefster 3] gedurende die periode meerdere keren verbaal bedreigd.

De verdachte heeft aanvankelijk steeds het vertrouwen van de genoemde vrouwen weten te winnen. Het ging daarbij vaak om kwetsbare vrouwen, althans vrouwen die zich bevonden in een kwetsbare periode in hun leven. De verdachte heeft, in een aantal gevallen, vervolgens misbruik gemaakt van dit vertrouwen om zijn eigen lustgevoelens en het verlangen naar macht over hen te bevredigen. Zo kreeg hij bij twee slachtoffers de beschikking over al hun (online) accountnamen en wachtwoorden waarover hij ook na het verbreken van de relaties nog kon beschikken. De verdachte heeft bovendien, na verbreking van de relatie, intieme opnamen met anderen gedeeld. In een enkel geval zelfs om iemand in diskrediet te brengen bij anderen. De verdachte liet zich daarbij steeds neerbuigend, kwetsend, en zeer vrouwonvriendelijk uit, waarbij hij er blijk van heeft gegeven geen respect voor de slachtoffers te hebben en de morele omgangsvormen jegens hen los te hebben gelaten. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers in ernstige mate aangetast. Ook tijdens de terechtzitting heeft de verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. In plaats daarvan heeft de verdachte vooral de slachtoffers de schuld gegeven van wat hem is aangedaan met deze strafprocedure. Het één en ander acht de rechtbank zeer verwerpelijk en zeer zorgelijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het (recente) strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden is veroordeeld wegens online zedendelicten (sextortion) ten aanzien van minderjarige slachtoffers. De verdachte heeft toen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen met een proeftijd van twee jaar. Naast de algemene voorwaarde dat hij geen strafbaar feit meer mocht plegen, werden hieraan ook de bijzondere voorwaarden van reclasseringsbegeleiding en behandeling bij De Waag verbonden. De verdachte heeft echter gedurende deze proeftijd opnieuw een strafbaar feit gepleegd door zijn toenmalige vriendin door doodslag om het leven te brengen. Toen de verdachte vrijkwam, nadat hij zijn gevangenisstraf hiervoor had uitgezeten, weigerde hij iedere begeleiding, zo blijkt uit het PBC-rapport. De thans bewezenverklaarde feiten namen al binnen een jaar na invrijheidstelling een aanvang.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 12 februari 2026. Hieruit blijkt het volgende. Toen de reclassering werd verzocht om een advies te geven over de (on)mogelijkheden voor de uitvoering van tbs met voorwaarden, weigerde de verdachte zijn medewerking. Toen de verdachte werd opgenomen in het PBC zoals hiervoor besproken, weigerde de verdachte eveneens (grotendeels) zijn medewerking. Toch kon er een diagnose worden gesteld op basis van observatie en eerdere onderzoeken. Daarbij onthoudt het PBC zich van een behandeladvies en advies over het strafrechtelijk kader. De reclassering adviseert gelet op de houding van de verdachte, negatief over tbs met voorwaarden. In het verleden zette de verdachte zich in voor praktische zaken, maar behandelinhoudelijk was er weinig vooruitgang. Er werd gezien dat antisociale gedragingen in ernst toenamen en er werd gesproken van een hoog recidiverisico. Uit het dossier blijkt dat een stringent forensisch kader noodzakelijk is om recidive te voorkomen. De eerder genoemde langdurige gevangenisstraf heeft niet geleid tot een gedragsverandering. Eerdere reclasseringstoezichten en behandeltrajecten hebben evenmin geleid tot gedragsverandering. Er is sprake van een hoog recidiverisico bij ernstige delicten. Door het ontbreken van huidige informatie kon de risico-inschatting niet volledig worden toegepast. Gekeken naar de pleegperiode kan worden gesproken van een delictpatroon. Zoals hiervoor besproken werkt de psychiatrische problematiek, naar het oordeel van de rechtbank, door in het delictgedrag. Daarnaast scoort de verdachte op voldoende criteria om psychopathie vast te stellen. Dit is een duidelijke risico-verhogende factor. De verdachte is eerder veroordeeld voor een ernstig geweldsdelict. Er is sprake van zowel openlijke als heimelijke delicten. Ook dit is een negatieve voorspeller voor de kans op recidive. Eerdere justitiële interventies hebben niet geleid tot verlaging van de risico’s of een vermindering van delictgedrag. De reclassering ziet de tbs-maatregel met dwangverpleging als enige reële optie om gedragsverandering te bewerkstelligen en recidive te voorkomen. Binnen dit kader wordt ingezet op langdurige, intensieve zorg en begeleiding binnen een forensisch kader. Naast behandeling van de problematiek wordt ook gewerkt aan het voorkomen van recidive en het vergroten van het inzicht in het (delict)gedrag. Na afloop van een intensief klinisch traject is er sprake van een uitgebreid ambulant vervolgtraject, met duidelijke voorwaarden op alle leefgebieden die moeten worden nageleefd. Een tbs-maatregel biedt daarnaast de garantie dat de ingezette zorg en begeleiding doorgaan, ook als de verdachte deze trajecten niet langer wil volgen. Hiermee wordt niet alleen het traject van de verdachte, maar ook de maatschappij beschermd.

De rechtbank zal, gelet op de voorgaande overwegingen, aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen, nu aan alle vereisten daartoe is voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Hoewel in het PBC-rapport, vanwege onvoldoende zicht op de onderliggende dynamiek van de persoonlijkheidsproblematiek als op de doorwerking daarvan op het thans bewezenverklaarde, geen concrete risicotaxatie wordt gemaakt, valt volgens dit rapport wel een verhoogd recidiverisico vast te stellen op basis van gestructureerde en gestandaardiseerde risicotaxatie instrumenten (actuariële en historische factoren), voor – kort gezegd – zedenmisdrijven. Dat risico zou hoog uitkomen.

Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en de hoge kans op recidive, is de rechtbank van oordeel dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De rechtbank zal de maatregel ongemaximeerd aan de verdachte opleggen, nu de tbs wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

Daarnaast zal de rechtbank, gelet op de ernst van het thans bewezenverklaarde, het leed dat de verdachte hiermee veroorzaakt heeft en het feit dat de verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen een gevangenisstraf opleggen aan de verdachte voor de duur van vijf jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1] (hierna ook: [aangeefster 1] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 53.669,66, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.669,66 aan materiële schade en € 50.000,-- aan immateriële schade.

[aangeefster 2] (hierna ook: [aangeefster 2] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.665,45. Dit bedrag bestaat uit € 2.865,45 aan materiële schade en € 7.800,-- aan immateriële schade.

[aangeefster 3] (hierna ook: [aangeefster 3] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.130,--. Dit bedrag bestaat uit € 130,-- aan materiële schade en € 2.000,-- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] , dat wil zeggen tot een bedrag van € 35.000,-- aan immateriële schade en € 3.669,66 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] , dat wil zeggen tot een bedrag van € 2.000,-- aan immateriële schade. Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor wat betreft de posten verloren persoonlijke eigendommen, verblijf- en reiskosten vakantiepark. Ten aanzien van de reiskosten heeft officier van justitie verzocht deze welwillend te beoordelen en een schatting te maken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (algehele) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] , dat wil zeggen een bedrag van € 130,-- aan materiële schade en € 2.000,-- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van alle toegewezen vorderingen, deze te verhogen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw niet-ontvankelijkverklaring bepleit vanwege de ingewikkeldheid van de vorderingen en de onevenredige belasting van het strafproces die de vorderingen opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw afwijzing van de vorderingen bepleit ten aanzien van de verzochte immateriële schadevergoeding, nu de benadeelde partijen de gestelde psychische schade onvoldoende hebben onderbouwd. De benadeelde partijen [aangeefster 3] en [aangeefster 1] hebben pas veel later contact met een psycholoog gezocht, hetgeen vragen oproept. Nog meer subsidiair heeft de raadsvrouw matiging van immateriële schadevergoeding bepleit.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangeefster 1] gesteld dat de gevorderde immateriële schade buitenproportioneel hoog is. Ten aanzien van benadeelde partij [aangeefster 1] merkt de raadsvrouw ook op dat de verdachte niet wordt vervolgd ten aanzien van de gestelde materiële schade (tatoeages) en dus geen sprake is van rechtstreekse schade die voortvloeit uit een bewezenverklaard strafbaar feit. Ten aanzien van benadeelde partij [aangeefster 3] heeft de raadsvrouw gesteld dat een causaal verband ontbreekt met het ten laste gelegde feit, zowel voor wat betreft de hartkloppingen en de rolstoel, als de schade aan de telefoon. Ten aanzien van de gestelde materiële schade van benadeelde partij [aangeefster 2] is er volgens de raadsvrouw geen rechtstreeks verband.

Het oordeel van de rechtbank

[aangeefster 1]

Materiële schade

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij Dagvaarding I onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 8.000,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag dan € 8.000,-, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.000,--, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij Dagvaarding I onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangeefster 1] aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] .

[aangeefster 2]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij Dagvaarding I onder 3 en 5 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.000,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag dan € 1.000,-, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,--, bestaande uit immateriële schade.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij Dagvaarding I onder 3 en 5 bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangeefster 2] aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] .

[aangeefster 3]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij Dagvaarding I onder 4 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 500,--.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag dan € 500,-, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,--, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij Dagvaarding I onder 4 bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangeefster 3] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] .

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat alle op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, nu de verdachte deze heeft gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, met uitzondering van de onder 53 genoemde autosleutel, die dient te worden teruggegeven aan de verdachte. De officier van justitie heeft meegedeeld dat er conservatoir beslag is gelegd op het geldbedrag zodat de rechtbank daarop geen beslissing behoeft te nemen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft teruggave bepleit van het geldbedrag, de gegevensdragers, de sieraden en de autosleutel.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op het door de officier van justitie en de verdediging genoemde geldbedrag conservatoir beslag is gelegd zodat hierop thans niet zal worden beslist.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31,32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 49, 50, 51, 52, genoemde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen de bij Dagvaarding I onder 2, 3, 4 en Dagvaarding II onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of met behulp van deze voorwerpen de genoemde bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 23 (ring, goudkleurig), 48 (halsketting) en 53 (autosleutel) genoemde voorwerpen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 36f, 37a, 37b, 57, 139h, 240b (tot 1 juli 2024), 243, 252 (vanaf 1 juli 2024), 285, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij Dagvaarding I (parketnummer 09/225263-24) onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2, 3, 4, 5 en 6 en Dagvaarding II (parketnummer 09/102513-25) onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:

openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

bedreiging met zware mishandeling;

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 5:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 6:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

(tot 1 juli 2024)

een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, bezitten en verspreiden, meermalen gepleegd;

en

(vanaf 1 juli 2024)

een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, in bezit hebben en verspreiden, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangeefster 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] deels toe, tot een bedrag van € 8.000,-- (aan immateriële schade) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 65 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangeefster 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] deels toe, tot een bedrag van € 1.000,-- (aan immateriële schade) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [aangeefster 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [aangeefster 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 3] deels toe, tot een bedrag van € 500,-- (aan immateriële schade) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 3] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31,32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 49, 50, 51 en 52 genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 23 (ring, goudkleurig), 48 (halsketting) en 53 (autosleutel) genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,

mr. C.M.A. de Koning, rechter,

mr. J. Barensen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2026.

Mr. Barensen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp
  • mr. C.M.A. de Koning
  • mr. J. Barensen

Griffier

  • mr. J.M. Molenaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?