ECLI:NL:RBDHA:2026:6441

ECLI:NL:RBDHA:2026:6441

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer NL26.13630
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

bewaring, vervolgberoep, [arrest], duur bewaring, arrest C,B,X van het Hof, schriftelijke rappels overleggen, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13630

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 18 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 januari 2026. Eiser heeft daarna een vervolgberoep ingediend. Uit deze uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 21 januari 2026.

4. Eiser wijst in zijn beroepschrift op de uitspraak [naam 1] van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser stelt dat de maximale duur van de detentie wordt bepaald door perioden van bewaring bij elkaar op te tellen. Uit de M120 blijkt dat verweerder de verwijderingsprocedure al eerder is begonnen omdat daaruit volgt dat op 24 juli 2025 is gerappelleerd.

5. Voor zover eiser stelt dat de maximale termijn van bewaring ingevolge het arrest [naam 1] is overschreden volgt de rechtbank dat niet. Uit het arrest [naam 1] volgt onder meer dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden. Uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest kan verder worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden een verlengingsbesluit moet worden genomen. Uit het voortgangsrapport en de overige stukken uit het digitale dossier volgt dat eiser van 2 juli 2025 tot en met 29 juli 2025 in bewaring heeft gezeten en thans vanaf 9 januari 2026 in bewaring zit. De rechtbank concludeert dat deze perioden van bewaring de maximale bewaringsduur van zes maanden alvorens een verlengingsbesluit moet worden genomen niet overschrijden.

6. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat hij voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het arrest C, B en X van 8 november 2022 van het Hof en onder verwijzing naar andere Hofjurisprudentie volgt namelijk dat de toetsing door de rechtbank van de bewaring in geen geval beperkt is tot louter de omstandigheden die door de administratieve autoriteit zijn aangevoerd. De rechtbank kan daarom niet afgaan op de enkele mededeling dat verweerder gerappelleerd heeft bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast is het herhaaldelijk voeren van een vertrekgesprek geen uitzettingshandeling.

7. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt en dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In de te toetsen periode heeft verweerder op 19 februari 2026 éénmaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten naar aanleiding van de aanvraag voor een laissez-passer voor eiser van 14 juli 2025. De rechtbank ziet geen reden om aan het overzicht van de schriftelijke rappels in het voortgangsrapport te twijfelen. Het beroep van eiser op voormelde Hofjurisprudentie treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, nu daaruit niet voortvloeit dat niet afgegaan mag worden op informatie uit bijvoorbeeld een document zoals een voortgangsrapport. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder op 12 maart 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd. Dat kan worden aangemerkt als uitzettingshandeling. Op eiser rust bovendien de verplichting om mee te werken aan zijn vertrek en hij dient daartoe de benodigde handelingen te verrichten om zijn vertrek te bespoedigen. Gelet op de weinig coöperatieve houding die eiser aanneemt tijdens de gesprekken, waaruit ook volgt dat eiser zelf geen stappen heeft ondernomen om zijn vertrek te realiseren, komt het voor rekening van eiser dat hij nog niet is uitgezet naar zijn land van herkomst.

8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. S.D.C.J. Verheezen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?