Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/079522-24
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1962 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. van ‘t Hek naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangeefster 2] en van de nadere toelichting daarop van haar advocaat, mr. V.C.D. Klaassen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Aan de verdachte is — kort samengevat — ten laste gelegd dat hij:
in de periode van 23 februari 2022 t/m 31 januari 2024 [aangeefster 1] heeft
verkracht, begaan tegen zijn pupil/een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige/zijn minderjarige bediende of ondergeschikte;
Subsidiair:
in de periode van 23 februari 2022 t/m 31 januari 2024 door giften of beloften van geld of goed/misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht/misleiding [aangeefster 1] , een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen/van hem te dulden, begaan tegen zijn pupil/een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige/zijn minderjarige bediende of ondergeschikte;
Meer subsidiair:
in de periode van 23 februari 2022 t/m 31 januari 2024 [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, begaan tegen zijn pupil/een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige/zijn minderjarige bediende of ondergeschikte.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3 primair en tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 subsidiair.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2 en 3 primair. De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd met betrekking tot feit 3 subsidiair en meer subsidiair, met dien verstande dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het seksueel binnendringen van het lichaam.
Het oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
Veel zedenzaken worden gekenmerkt doordat het juridische bewijsminimum moeilijk te leveren is, omdat de verklaring van de aangever vaak lijnrecht staat tegenover de verklaring van de verdachte. Zo ook in de onderhavige zaak. Alleen de verklaring van de aangever is, zelfs als die betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Om dan toch tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten te kunnen komen, moet de rechtbank beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van de aangever.
Uit de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de tenlastegelegde seksuele handelingen waarover een aangever verklaart als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring van een aangever op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Vrijspraak feiten 1 en 2 Aangeefster [aangeefster 1] Aangeefster [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1] ) heeft op 20 februari 2024 aangifte gedaan van ontucht gepleegd in de periode van 23 februari 2020 tot en met 22 februari 2022. Zij heeft verklaard dat de verdachte op haar billen sloeg en haar billen heeft betast in de eerste periode dat zij bij hem werkzaam was. De verdachte heeft ontkend dat dit gebeurd zou zijn.
Het dossier bevat naast de aangifte van [aangeefster 1] ook verklaringen van haar ouders. De verklaringen van haar ouders ondersteunen de verklaring van [aangeefster 1] op sommige punten. Zo heeft moeder verklaard dat zij een gesprek heeft gehad met de verdachte waarin zij hem vertelde dat [aangeefster 1] , door haar autisme, aanrakingen zoals een arm om haar heen slaan niet prettig vond. Het aanraken of slaan op de bil komt in deze verklaringen niet naar voren, anders dan dat [aangeefster 1] dat aan de politie heeft verteld. Hoewel [aangeefster 1] zelf duidelijk aan de politie heeft verteld wat er gebeurd zou zijn in de eerste periode dat zij werkte bij de verdachte, wordt haar verklaring niet ondersteund door ander bewijs. Dat betekent dat de tenlastegelegde aanranding niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Aangeefster [aangeefster 2]
Aangeefster [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2] ) heeft op 12 maart 2024 aangifte gedaan van aanranding gepleegd tussen 1 maart 2021 en 10 maart 2021. De verdachte heeft ontkend dat dit gebeurd zou zijn. Naast de verklaringen van [aangeefster 2] heeft ook de moeder van [aangeefster 2] een verklaring afgelegd. Weliswaar ondersteunt de verklaring van haar moeder de verklaringen van [aangeefster 2] op onderdelen, maar zij heeft alleen kunnen verklaren wat zij van haar dochter zelf heeft gehoord. Het dossier bevat daarnaast ook berichtenverkeer tussen aangeefster [aangeefster 2] en haar toenmalige vriendje en haar mentor. Hieruit blijkt dat de aangeefster haar stage als zeer vervelend ervaarde en dat zij het gedrag van de verdachte heel onprettig vond. De rechtbank kan uit deze berichten echter niet afleiden dat de verdachte [aangeefster 2] zou hebben aangerand, daar zijn de berichten onvoldoende concreet voor. Bovendien zijn deze berichten afkomstig van dezelfde bron, namelijk [aangeefster 2] zelf. Dat betekent dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van [aangeefster 2] . De rechtbank is van oordeel dat niet voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum.
De rechtbank zal de verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Vrijspraak feit 3 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs is voor de tenlastegelegde dwang, waardoor de verdachte van het onder 3 primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 3 subsidiair
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024217900, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 328).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , met bijlage, opgemaakt op 20 februari 2024, voor zover inhoudende (p. 16-25, 31, 38 en 41):
Aangever
Achternaam: [aangeefster 1]
Voornamen: [aangeefster 1]
Geboren: [geboortedatum 2] 2006
V: Wie is die volwassene die dat gedaan heeft?
A: [verdachte] .
V: Waar is dat gebeurd, welke locatie?
A: De dierenwinkel
V: Waar is die dierenwinkel?
A: In [plaats 1] , [plaats 2] .
V: In welke winkel is het aanraken gebeurd?
A: Allemaal, maar in [plaats 2] minimaal, en in de auto als hij mij naar een andere
winkel bracht.
V: Wat kan je vertellen over [verdachte] ?
A: Hij is de baas van die drie winkels.
V: Hoe ging dat in het begin?
A: Het ging soepel en normaal en er was niet veel aan de hand. Soms legde hij wel
eens zijn arm om mij heen of deed zijn hand op mijn kont, maar dan zei hij sorry.
V: Op welke momenten deed hij dat?
A: Op het moment als er geen klant in de winkel was, of ik stond naast hem terwijl ik bezig was.
V: Wanneer begon het aanraken weer erger?A: Ik denk dat dit begonnen is dat ik halverwege 16 was of begin 17 jaar was. Het was best wel een tijd goed gegaan. Dit aanraken heeft ruim twee maanden geduurd.
V: Vertel eens over de laatste maand.
A: De laatste maand dat ik daar gewerkt heb toen trok [verdachte] mij af en toe naar zich toe en dan deed hij zijn hand in mijn broek. Ik dacht, 1 of 2 keer is prima, dan is dat maar zo. Dat was misschien wel omdat ik daar heel graag wilde blijven werken en ik er iets van zou zeggen ik misschien wel ontslagen zou worden.
V: Welke ruimtes waren daar?
A: Hij deed het vaak bij de visstelling omdat de camera kapot was en soms in het
magazijn.
V: Dan trok hij jou aan je arm naar je toe, en toen?
A: Dan duwde hij mij op opzij, zodat ik met mijn kont tegen zijn buik aan kwam. En toen deed hij zijn hand in mijn broek.
V: Waar in je broek?
A: Aan de voorkant
V: En wat deed die hand in je broek?
A: Probeerde hij met zijn vingers bij mij in mijn vagina
V: Probeerde?
A: De ene keer deed hij het wel en de andere keer bleef hij bij het randje van mijn
onderbroek zitten.
V: En als hij het wel deed, wat deed hij?
A: Met zijn vingers naar binnen.
V: Waar naar binnen?
A: Bij mijn vagina
V: En hoe zat het met je onderbroek?
A: Daar ging hij met zijn hand onder.
V: Dat [verdachte] met zijn vingers in jouw vagina ging, hoe vaak is dat gebeurd?
A: Redelijk vaak
V: Wat is redelijk vaak?
A: In de afgelopen maand, 7 of 8 keer.
V: Vertel eens alles over die keer.
A: Hij nam mij aan mijn hand mee naar achter. Toen we achter stonden, zette hij mij
met mijn kont tegen hem aan. Toen ging hij eerst aan mijn borsten zitten en toen aan
mijn billen, toen ging hij met zijn hand in mijn broek.
V: Die keer, in het magazijn, ging hij jou toen aanraken op je borsten op je kleding?
A: Onder mijn kleding.
V: Hoe ging die hand onder je kleren?
A: Hij ging achter mij staan en deed zijn hand onder mijn kleding. Eerst over mijn BH en toen er onder. Hij deed mijn BH aan de voorkant een beetje omhoog waardoor hij met zijn handen er onder paste. Zijn hand lag op mijn borsten en hij kneep er een beetje in.
V: Zei hij nog iets?
A: Nee
V: En jij?
A: Nee, ook niet
V: Wat vond je er van dat hij zijn hand op je borsten deed?
A: Niet leuk, dat heb ik naderhand ook tegen hem gezegd. Hij vroeg vaak, vond je het erg? Ik zei dan: Ja. Hij zei dan dat het nooit meer zou gebeuren.
V: Hoe ging het na het aanraken op je borsten, die keer in het magazijn?
A: Hij ging met zijn hand op de rand van mijn broek en daarna ging hij met zijn hand in mijn broek. Toen ging hij aan het randje van mijn onderbroek zitten en duwde hij zijn hand daar doorheen, en ging hij met zijn vingers aan mijn vagina zitten.
V: Wat deden die vingers?
A: Hij deed twee vingers in mijn vagina.
V: En hoe weet je dat het twee vingers waren?
A: Omdat ik dat voelde.
V: Is er nog een andere keer, dat [verdachte] met zijn hand in je broek zat, dat anders was
als andere keren?
A: Op een andere locatie zat hij wel met zijn hand in mijn broek maar dan alleen om aan mijn kont te zitten.
V: Hoe kon [verdachte] met zijn hand in jouw spijkerbroek duwen?
A: Gewoon doorduwen. Ik had mijn riem van mijn broek altijd heel strak. Dat vind ik lekker zitten en ik hoop dat het hem dan niet lukt. Maar het lukte hem dan wel door meer kracht te zetten.
V: En hij deed jouw hand tegen zijn geslachtsdeel, hoe ging dat?
A: Hij deed met zijn rechterhand, mijn rechterhand, er tegenaan.
V: Wat was eerst?
A: Eerst zijn hand in mijn broek en toen mijn hand tegen zijn geslachtsdeel.
V: Zei [verdachte] daar wat bij?
A: Nee. Ik probeerde mijn hand weg te trekken maar hij was veel sterker. Ik zei
verder niks.
V: En dan zeg je geslachtsdeel, wat bedoel je daar mee?
A: Zijn piemel
V: Wat heeft [verdachte] nog meer bij jou gedaan, wat jij niet hebt gewild?
A: Bij het langslopen zijn hand op mijn kont. Dan was ik bezig met iets, dan liep hij
langs en deed hij zijn hand op mijn kont. Of op mijn kont slaan. Of zijn hand hoog op mijn middel waardoor hij mijn borsten raakte.
V: Hoe vaak heeft [verdachte] jouw blote borst aangeraakt?
A: 4 of 5 keer.
V: Die keer bij de visstelling, hoe ging dat?
A: Dat deed hij weer zijn hand onder mijn shirt, ging hij met zijn vingers mijn BH
een beetje omhoog duwen en kon hij met zijn vingers onder mijn BH. Toen ging hij met zijn hele hand aan mijn hele borst zitten.
V: In je informatieve gesprek heb je ook gesproken over zoenen, vertel daar eens
over?
A: Op de momenten dat hij even met mij alleen was, deed hij dat, met zijn gezicht
tegen mij aan.
V: Hoe ging dat zoenen?
A: De ene keer met zijn tong in mijn mond en een andere keer gewoon een kus op mijn mond.
V: En je vertelde ook nog een gebeurtenis in de auto?
A: [verdachte] ging mij brengen. Opeens zette hij de auto aan de kant van de weg. Toen ging hij mijn borsten aanraken op mijn kleding en mij zoenen.
V: Wanneer was dit?
A: Dat was redelijk recent, ik denk ergens in de laatste twee weken dat ik daar nog
werkte.
V: En hoe gaat dat. [verdachte] stopt met de auto, en dan?
A: Ja, dan duwt hij mij gezicht nar hem toe, dan zoent hij mij en ging aan mijn
borsten zitten. Hij pakt gewoon mijn hoofd beet.
V: Wat was het voor een zoen?
A: Met de tong.
V: Heb je het, voordat je het laatst aan je ouders had verteld, ooit wel eens tegen iemand anders gezegd?
A: Nee, want ik was bang dat ik mijn baan kwijt zou zijn. Het werken was voor mij op dat moment het enige lichtpunt in mijn leven. Niet [verdachte] maar wel het werken.
V: Kreeg je ook een vergoeding of salaris?
A: Ja, het is een beetje een aanname die ik heb gedaan. Toen ik vertelde dat ik
fulltime bij hem wilde gaan werken, is het erger geworden. Hij kocht ook steeds
dingen voor mij en ik had het gevoel dat hij zijn gevoel wilde afkopen.
V: Wat heeft hij voor jou gekocht?
A: Een lego Disney kasteel, Gucci luchtje, Guess tas en een Calvin Klein jas.
Hij zei dat hij dat leuk vond om voor mij te kopen. Dat is tussen mijn 16e jaar tot
nu toe geweest.
V: Het is een hele tijd zo door gegaan, wanneer is het gestopt?
A: Toen ik ontslag had genomen.
2. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [aangeefster 1] , op 1 oktober 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, en de griffier, voor zover inhoudende:
5. U vraagt wanneer ik voor het laatst contact heb gehad met de verdachte. U vraagt of er nog contact is geweest na mijn aangifte. Nee, dat zeker niet. Het laatste contact was voor mijn aangifte, ergens in januari volgens mij. Eind januari had ik ontslag genomen en daarna had ik geen contact meer.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 2 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 56-58):
V: Hoe ben jij te weten gekomen wat [aangeefster 1] is overkomen?
A: [aangeefster 1] en ik zaten in de auto en ik begon erover dat ze de volgende dag moest
werken. Ze begon toen heel hard te huilen. Ze begon te vertellen dat [verdachte] haar had
aangeraakt. Ik zei toen: 'wat vervelend...maar is er nog meer gebeurd?' [aangeefster 1] vertelde dat [verdachte] haar betaste en haar ook had gezoend als ze alleen in de winkel waren. En later kwam er ook uit dat [verdachte] haar bij de billen en vagina had gepakt. Ze vertelde dat [verdachte] dan vroeg of ze dat oké vond. Maar dat ze niks durfde te zeggen tegen hem omdat ze dan een Freeze-houding kreeg.
V: Wanneer vertelde [aangeefster 1] jou dit?
A: Ik zie dat het eind januari 2024 is geweest.
V: Wat vertelde [aangeefster 1] nog meer die keer in de auto?
A: Dat ze niet meer kón en dat ze dit niet meer wilde. Ze wilde in ieder geval niet
meer werken.
V: Hoe was [aangeefster 1] eronder toen ze jou dit vertelde die keer in de auto?
A: Heel verdrietig en ze was heel hard aan het huilen. Ze vond het heel erg dat ze
het niet eerder had verteld want dan was het eerder gestopt.
V: Wat vertelde [aangeefster 1] over wanneer dit seksuele aanraken door [verdachte] was begonnen?
A: Ze vertelde wel dat het meerdere keren was gebeurd als [verdachte] haar met de auto naar [plaats 2] bracht. Dan zette hij de auto aan kant en dan deed hij dat. Of als ze alleen in de winkel stond, dan was hij daar ook.
V: Heeft [aangeefster 1] aan jou verteld welke seksuele handelingen [verdachte] precies bij haar had gedaan?
A: Van [aangeefster 1] weet ik dat hij aan haar billen en haar vagina had gezeten. Dat was in
haar broek, dus bloot contact. Hij had ook aan haar borsten gezeten en gezoend. En
ook dat zij hém moest aanraken bij zijn geslachtsdeel.
4. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangeefster 1] , opgemaakt op 8 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 138):
V: [verdachte] verklaarde dat hij jouw streek rondom je vagina niet heeft aangeraakt en
ontkend aan of in jouw vagina te hebben gezeten. Wat kan jij daarover vertellen?
A: Dat weet ik heel zeker. Hij heeft mij toen een appje gestuurd. Misschien hebben
jullie die nog wel. Dat is het appje dat hij schrijft dat hij zijn handen nooit meer
ging wassen. Dat was nadat hij daarmee in mij had gezeten.
V: Waarin?
A: Gewoon in mijn vagina.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, opgemaakt op 9 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 211, 227, 228, 231, 234, 236, 237, 255 en 264):
Op 7 maart 2024 werd binnengetreden in de woning [adres] te [plaats 1] , bewoond door de [verdachte] . In de woning werden enkele gegevensdragers in beslag genomen, te weten:
- een Apple Iphone 13 pro(Goednummer 3106416)
- Apple Iphone 13 pro (Goednummer 3106416)
De gesprekken tussen slachtoffer [aangeefster 1] en [verdachte] , die op Whatsapp waren gevoerd, zijn aangetroffen. Het betreft naast onder meer appjes over het werk ook appjes die seksueel getint van aard zijn en appjes die gaan over de relatie tussen
hen. Ook zijn er gesprekken tussen beiden die gaan over kadootjes en geld.
Een kopie van het gehele gesprek is als bijlage bij dit proces verbaal van
bevindingen gevoegd.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 maart 2026, voor zover inhoudende:
U, de voorzitter, vraagt mij of [aangeefster 1] in 2022, toen ze vijftien jaar was, voor de tweede keer bij mij is komen werken. Dat zou goed kunnen.
U, de voorzitter, vraagt mij wanneer er voor het eerst aanrakingen hebben plaatsgevonden. U houdt mij voor dat [aangeefster 1] eind januari 2024 ontslag heeft genomen. Dat was vier of vijf maanden daarvoor. In september of augustus. Dat was voor mij het moment dat we een relatie kregen. Vanaf dat moment kwam het vaker voor dat we elkaar kusten of dat er andere aanrakingen plaatsvonden. In de laatste twee maanden voor het ontslag van [aangeefster 1] werd dit meer. Ik denk dat dit dan in ieder geval een paar keer in de maand was. Vaak was dit een aai of een knuffel als we aan het werk waren of een hand op de bil. Wij hebben getongzoend, ik heb haar borsten, tepels en haar blote billen aangeraakt/in geknepen.
Ik blijf bij mijn verklaring die ik daarover heb afgelegd bij de politie.
Ik wist dat [aangeefster 1] minderjarig was. Ik wist dat zij autistisch was en dat zij eerder zichzelf had gesneden met een mes. Ik was ook op de hoogte dat zij problemen had op school en met de leerplichtambtenaar. Ik heb hierover gesproken met haar moeder.
Ik was de baas van [aangeefster 1] en ook haar stagebegeleider. Desgevraagd bevestig ik dat ik overwicht had in die rol en dat dit geen gelijkwaardige relatie was.
Ik zag [aangeefster 1] opeens als jonge vrouw met wie ik een relatie kon hebben. Ik vond alleen het leeftijdsverschil heel groot en dat zag ik soms als een probleem. Ik heb [aangeefster 1] veel cadeaus gegeven, meer dan ik normaal aan een werknemer zou geven. U houdt mij de geldbedragen en de genoemde cadeaus in het dossier voor. Dat klopt, ik gaf haar die cadeaus omdat ik het zo zag dat wij een relatie hadden en haar blij wilde maken.
Ik heb [aangeefster 1] heel veel appberichten gestuurd. De berichten die u mij voorhoudt uit het dossier zijn de berichten die ik haar heb gestuurd. Ik zie nu dat deze berichten dwingend van aard zijn.
7. Een geschrift, te weten een stageovereenkomst ondertekend door de aangeefster, de verdachte en de stagecoördinator, voor zover inhoudende (p. 271-281):
Startdatum stageperiode: 08-11-2023
Einddatum stageperiode: 05-07-2024
Bewijsoverwegingen feit 3 subsidiair
Bewijs in zedenzaken
Zoals eerder overwogen kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer.
De rechtbank zal eerst toetsen of de verklaringen van de aangeefster op zichzelf beschouwd betrouwbaar kunnen worden geacht. Als dat het geval is, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of die verklaring voldoende steun vindt in ander bewijs.
Betrouwbaarheid verklaring [aangeefster 1]
heeft in de zaak tegen de verdachte vier verklaringen afgelegd, drie verklaringen bij de politie en één verklaring bij de rechter-commissaris. In deze verklaringen heeft zij verschillende seksuele handelingen beschreven die tussen haar en de verdachte zouden hebben plaatsgevonden tussen 23 februari 2022 tot en met 31 januari 2024. [aangeefster 1] heeft verklaard over onder meer de seksuele handelingen, de locaties waar die handelingen plaatsvonden en de ontstaansgeschiedenis.
[aangeefster 1] heeft verklaard dat het misbruik begon met een arm om haar heen of een hand op haar billen. De verdachte zei dan niets en [aangeefster 1] ook niet. In de loop van de tijd ging dat verder, met een kus op de mond, daarna tongzoenen en het aanraken/kneden van de borsten en billen onder haar kleren. Ook duwde de verdachte zijn hand in de voorkant van haar broek, duwde zijn hand langs de rand van haar onderbroek en ging met zijn vingers aan haar vagina zitten. Hij deed twee vingers in haar vagina. Dit gebeurde meerdere keren, soms lukte het wel en soms niet.
Daarnaast heeft [aangeefster 1] uitgebreid verklaard over de appberichten tussen haar en de verdachte, de cadeautjes die zij ontving en het contante geld dat de verdachte haar gaf.
De rechtbank beoordeelt de verklaringen van [aangeefster 1] als authentiek, concreet en consistent.
Over de seksuele handelingen heeft [aangeefster 1] gedetailleerd verklaard wat er precies gebeurde. Zo heeft [aangeefster 1] over een moment verklaard dat de verdachte eerst met zijn handen over haar bh ging en daarna haar bh aan de voorkant omhoog deed waardoor hij met zijn handen onder haar bh kon komen. Zij heeft over een ander moment verklaard dat zij normaal gesproken haar broek heel strak draagt, omdat zij dit lekker vindt zitten en hoopte dat de verdachte dan niet zijn hand in haar broek kon doen. Opvallend en authentiek aan het verhaal van [aangeefster 1] is dat zij keer op keer heeft verklaard dat zij op verschillende momenten – desgevraagd – tegen de verdachte heeft gezegd dat ze het erg vond wat hij had gedaan en dat hij dan zei dat het niet meer zou gebeuren. Daarnaast loopt als een rode draad door haar verklaring dat ze niets zei als hij haar aanraakte en/of niets terugdeed bij aanrakingen. Ze was stil en hij ook.
[aangeefster 1] is ook consistent in haar verklaringen. De opbouw van de seksuele handelingen blijft hetzelfde, er komen geen nieuwe aspecten bij en ook de tijdlijn blijft min of meer gelijk, waarbij ze benadrukt dat de laatste twee maanden dat zij daar werkte ‘het erger werd’.
Gelet op het gedetailleerde en consistente karakter van de verklaring van [aangeefster 1] acht de rechtbank die verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs voor de tenlastegelegde handelingen
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verklaring van [aangeefster 1] voldoende wordt ondersteund door ander bewijs, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie en op het onderzoek ter terechtzitting niet ontkend dat bepaalde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Hij heeft verklaard dat hij de (blote) billen en/of borsten van [aangeefster 1] heeft aangeraakt en er in geknepen heeft, dat zij hebben getongzoend, en dat hij zijn (stijve) penis tegen het lichaam van [aangeefster 1] heeft geduwd. Opvallend daarbij is dat de beschrijvingen over hoe dat dan ging – bijvoorbeeld het aanraken van de borsten onder de bh – op meerdere punten tot in detail overeenkomen met de omschrijving van de handelingen zoals [aangeefster 1] die heeft gegeven. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de seksuele handelingen over een periode meerdere keren hebben plaatsgevonden en – net als [aangeefster 1] heeft verklaard - dat dit de laatste twee maanden meer werd. Ook komen de locaties die hij daarbij noemt overeen met de locaties die [aangeefster 1] benoemd. Desgevraagd heeft de verdachte op zitting ook verklaard dat hij bij [aangeefster 1] navroeg of zij oké was met de handelingen.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de verdachte en van [aangeefster 1] op bijzonder veel vlakken (tot in detail) overeenkomen, namelijk daar waar het gaat over de aanloop naar de fysieke aanrakingen, waar dit plaatsvond en dat de seksuele handelingen de laatste twee maanden meer werden.
De verdachte heeft ontkend dat hij haar vagina zou hebben aangeraakt en/of zijn vingers zou hebben ingebracht en ontkend dat zij zijn geslachtsdeel zou hebben moeten aanraken.
De appgesprekken
In de appgesprekken van de verdachte en [aangeefster 1] staan veel berichten die gaan over seks, seksuele handelingen of een seksuele lading hebben. De verdachte ‘wil’ [aangeefster 1] graag, hij wil met haar vrijen of bericht haar dat hij denkt aan een zoen of aanraking. Ook stuurt hij haar berichten waarin hij zegt op haar tempo te willen te gaan en niet meer haar grenzen over te willen gaan, dat hij dat nooit meer wil doen. Tevens stuurt hij een bericht waarin hij zegt dat hij zijn linkerhand niet meer wil wassen. Volgens [aangeefster 1] heeft de verdachte dit bericht gestuurd op een moment nadat hij zijn vingers in haar vagina had gebracht en dient het bericht in die context gelezen te worden.
De rechtbank overweegt dat de chats zoals die zich in het dossier bevinden de verklaring van [aangeefster 1] op een aantal punten bevestigen, zoals haar verklaring dat de verdachte vroeg of ze iets wel of niet erg vond en dat hij het dan niet meer zou doen. Ten aanzien van het bericht over het wassen van de handen valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom [aangeefster 1] , gevraagd naar dit bericht door de politie, hier zo specifiek iets over zou verzinnen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de berichten steun bieden aan de verklaring van [aangeefster 1] over welke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dus ook het aanraken en inbrengen van vingers in haar vagina.
Verklaring moeder [aangeefster 1]
heeft haar moeder verteld wat er de maanden daarvoor is voorgevallen, op het moment dat haar moeder op een avond in de auto begint over haar werk (waar ze de ochtend daarna heen moet). [aangeefster 1] moet volgens haar moeder heel hard huilen en zegt dat ze wilde dat ze alles eerder had verteld.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheden zoals die door moeder worden geschetst, bijna naadloos aansluiten bij zowel de verklaring van [aangeefster 1] als die van de verdachte. Zo noemt zij specifiek dat [aangeefster 1] haar heeft verteld dat ‘ [verdachte] dan vroeg of ze het oké vond’ als hij iets bij haar deed en dat [aangeefster 1] in een ‘freeze’ houding kwam. Ook heeft [aangeefster 1] direct locaties genoemd, ze was namelijk bang dat ze weer bij de verdachte in de auto moest zitten. Verder heeft [aangeefster 1] direct in het eerste gesprek met haar moeder verteld dat de verdachte haar bij haar billen en vagina greep.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van moeder en wat zij aan de politie heeft verteld, afkomstig is van [aangeefster 1] en daarmee uit dezelfde bron komt. Echter, de rechtbank is van oordeel dat het allereerste gesprek dat moeder heeft met [aangeefster 1] over de tenlastegelegde feiten wel als steunbewijs kan dienen. [aangeefster 1] vertelt op dat moment namelijk voor het eerst haar verhaal en noemt daarbij direct de handelingen waar zij later ook over verklaart bij de politie en daarbij komen zoals hierboven overwogen de elementen waar moeder over verklaart ook overeen met de verklaring van de verdachte.
Gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen gaat de rechtbank voorbij aan de ontkenning van de verdachte ten aanzien van het binnendringen van het lichaam van [aangeefster 1] . De verklaring van de verdachte, de appgesprekken en de verklaring van moeder ondersteunen de betrouwbare verklaringen van [aangeefster 1] op essentiële punten in voldoende mate en staan in een niet te ver verwijderd verband. Deze bewijsmiddelen sterken de overtuiging van de rechtbank dat [aangeefster 1] waarheidsgetrouw heeft verklaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er voor alle seksuele handelingen waar [aangeefster 1] over heeft verklaard, wettig en overtuigend bewijs is.
Steunbewijs voor 248a Sr
De verdachte heeft verklaard dat hij [aangeefster 1] meerdere keren contant geld, een luchtje, een ring en een legoset heeft gegeven. Daarnaast heeft hij meerdere keren geld naar haar overgemaakt, zodat zij nieuwe kleding of ‘iets leuks’ kon kopen en haar dure vissen laten uitzoeken uit de dierenwinkel. De verdachte heeft tevens verklaard dat hij wist dat [aangeefster 1] een kwetsbaar meisje was. Zo wist hij dat zij op het autisme spectrum zat en bekend was met automutilatie. Het staat vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van de handelingen 60 jaar was, terwijl [aangeefster 1] minderjarig was. Het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en [aangeefster 1] is derhalve een gegeven. [aangeefster 1] was ten tijde van de gepleegde handelingen in dienst bij de verdachte en deze handelingen hebben dus plaatsgevonden in een afhankelijkheids-/werkrelatie. [aangeefster 1] is eveneens een tijd stagiaire geweest bij de dierenwinkel, omdat zij niet meer naar school wilde en dit een regeling was vanuit de leerplichtinstanties. Van een gelijkwaardige relatie tussen de verdachte en [aangeefster 1] was dus ook in deze hoedanigheid geen sprake. Aan de bovenstaande feiten en omstandigheden, te weten het leeftijdsverschil en de hoedanigheid van de verdachte als werkgever en stagebegeleider van [aangeefster 1] , verbindt de rechtbank de gevolgtrekking dat sprake was van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bij de verdachte op [aangeefster 1] en dat de verdachte daar ook opzettelijk gebruik van heeft gemaakt.
Conclusie
Gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat en er sprake was van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte en dat de verdachte hier misbruik van heeft gemaakt door [aangeefster 1] opzettelijk te bewegen de bewezenverklaarde ontuchtige handelen te plegen of te dulden.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
3. subsidiair
hij op tijdstippen in de periode van 23 februari 2022 tot en met 31 januari 2024 te [plaats 1] , [gemeente 1] , en [plaats 2] , [gemeente 2] , althans in Nederland, door giften en beloften van geld en goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten door
- misbruik van het (grote) leeftijdsverschil met [aangeefster 1] , en
- misbruik van de afhankelijkheids-/werkrelatie met die [aangeefster 1] , en
- misbruik van de (kwetsbare) mentale omstandigheden van die [aangeefster 1] , en
- het geven en in het vooruitzicht stellen van geld en cadeaus aan die [aangeefster 1] , (telkens)
[aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een aan zijn, opleiding toevertrouwde minderjarige en/of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en van hem, verdachte, te dulden, te weten
- het betasten van en knijpen in de (naakte) billen en borsten en vagina van die [aangeefster 1] ,
- het tongzoenen van die [aangeefster 1] , en
- het leggen van de hand van die [aangeefster 1] op zijn, verdachtes, penis en
- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [aangeefster 1] en
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [aangeefster 1] ;
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij de bijzondere voorwaarde contactbeperking met minderjarigen in een werksituatie dient te worden veranderd naar een contactbeperking met mensen onder de 23 jaar in een werksituatie. De officier van justitie heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht met betrekking tot de strafmaat rekening te houden met het nagenoeg blanco strafblad van de verdachte, de beperkte risico-inschatting van de reclassering, het feit dat de verdachte zich aan de gedragsaanwijzing heeft gehouden en de ingrijpende gevolgen die een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor hem en zijn ondernemingen zou hebben.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een ernstig strafbaar feit gepleegd. Hij heeft misbruik gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, ten opzichte van zijn destijds 16-jarige werkneemster, tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen. Deze handelingen vonden plaats over een periode van bijna twee jaar en bestonden uit het betasten en knijpen van de (blote) billen en borsten van de aangeefster, het tongzoenen, het duwen van zijn penis tegen het lichaam van de aangeefster, het leggen van de hand van aangeefster op zijn penis en het brengen van zijn vingers in de vagina van aangeefster. De verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van het grote leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van de aangeefster, terwijl hij bovendien haar stagebegeleider en werkgever was en zij zich in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van hem bevond.
De verdachte wist dat de aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond. Zo wist de verdachte dat zij automutileerde en op het autisme spectrum zit. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en geen oog heeft gehad voor de kwetsbare positie van de aangeefster. Zij bevond zich gedurende de periode van de ontuchtige handelingen in een kwetsbare fase van haar (seksuele) ontwikkeling. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten de geestelijke en seksuele ontwikkeling van een minderjarige ernstig kunnen schaden. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 248a Sr tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven zich hiervan voldoende bewust te zijn.
De verdachte heeft door zijn handelen grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring die zij ter terechtzitting heeft voorgelezen, lijdt aangeefster tot op de dag van vandaag onder de impact van de gebeurtenissen. Zo vindt zij het nog steeds lastig om een mannelijk persoon te vertrouwen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 januari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 februari 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag tot matig recidiverisico. Tegelijkertijd zijn er volgens de reclassering enkele risicofactoren aanwezig, waaronder het moeite hebben met het herkennen en bewaken van grenzen, het aangaan van contact dat soms te amicaal en onvoldoende begrensd verloopt (met name voor de periode van zijn aanhouding) en het beperkt delen van emoties waarbij de verdachte zich bij spanningen kan terugtrekken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, (voortzetting van de) ambulante behandeling, een contactverbod met de aangeefster, en een contactbeperking met minderjarigen in werksituatie.
De rechtbank heeft acht geslagen op het feit dat de verdachte zichzelf heeft aangemeld bij [instantie] voor behandeling en gemotiveerd lijkt om niet te recidiveren. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht over de ingrijpende financiële en zakelijke gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Straf
De rechtbank overweegt dat gezien de aard en ernst van de feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het betreft immers het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje over een langere periode, waarbij de verdachte ook met zijn vingers in de vagina van het slachtoffer is gedrongen. De laatste maanden van de tenlastegelegde periode was er sprake van enige regelmaat in het plegen van de handelingen. Bovendien betreft het een jong, kwetsbaar meisje waar de verdachte zich goed van bewust was.
Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken, met soortgelijke seksuele handelingen worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van de rechtspraak. De rechtbank merkt op dat de opgelegde straffen in soortgelijke zaken, maar ook de oriëntatiepunten van de rechtspraak lager zijn dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en dus ook lager dan de straf zoals deze door de officier van justitie is gevorderd. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder met de behandeling die hij al langere tijd volgt. Tevens is de omstandigheid dat de rechtbank de onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten niet bewezen acht van belang bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf. Concluderend komt de rechtbank uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank acht een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht passend en geboden.
De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Om die stok achter de deur voldoende groot te maken, zal de rechtbank de proeftijd vaststellen op drie jaren. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden met als aanvulling dat de verdachte geen personen onder de 23 jaar aanneemt als personeel, zoals door de officier van justitie gevorderd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zedenmisdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op de aard van het gepleegde misdrijf en het feit dat de verdachte nog steeds werkzaam is als bedrijfsleider van winkels, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 29.454,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 24.454,51 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, ten aanzien van de immateriële schade, op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de schadepost studievertraging onvoldoende onderbouwd is en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De overige materiële schadeposten kunnen, met uitzondering van de medicatie onder het eigen risico, worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging, ten aanzien van de immateriële schade, aan de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 248 (oud) en 248a (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3, primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3, subsidiair, ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 3, subsidiair:
door giften of beloften van geld of goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen en van hem te dulden, begaan tegen een aan zijn toevertrouwde minderjarige en/of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte:
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich op uiterlijk één week na de dagtekening van dit vonnis, te weten 1 april 2026 meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd (verder) laat behandelen door de forensische polikliniek [instantie] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor sociale- en cognitieve vaardigheden en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag;
- zich onthoudt van iedere vorm van – direct of indirect – contact met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
- gedurende de proeftijd geen personen onder de 23 jaar aanneemt als personeel, stagiair of vrijwilliger, en werksituaties vermijdt waarin hij vanuit zijn functie een gezags- of begeleidingsrelatie heeft ten opzichte van personen onder de 23 jaar;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,
mr. E.E. Riep, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel en mr. C.W.I. Ostendorf, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij in of omstreeks 23 februari 2020 tot en met 22 februari 2022 te [plaats 1] , [gemeente 1] , althans in Nederland, met [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt (telkens), een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het slaan op en/of betasten van de billen van die [aangeefster 1] ;
2
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 10 maart 2021 te [plaats 1] , [gemeente 1] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds handelen, en/of
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, en/of
- voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale uitingen en/of signalen van
verzet/weerstand,
(telkens)
[aangeefster 2] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het betasten van en/of wrijven over de liezen en/of (de binnenkant van) de dijbenen en/of de billen van die [aangeefster 2] , en/of
- het vastpakken van de heupen, althans het lichaam, van die [aangeefster 2] en/of
- met (de voorzijde van) zijn, verdachtes, lichaam schuren langs (de achterzijde van) het lichaam van die [aangeefster 2] ;
3
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2022 tot en met 31 januari 2024 te [plaats 1] , [gemeente 1] , en/of [plaats 2] , [gemeente 2] , en/of [plaats 3] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds handelen, en/of
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, en/of
- voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale uitingen en/of signalen van verzet/weerstand,
(telkens)
[aangeefster 1] , zijnde zijn pupil en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1] , te weten
- het betasten van en/of knijpen in de (naakte) billen en/of borsten en/of vagina van die [aangeefster 1] ,
- het tongzoenen van die [aangeefster 1] , en/of
- het leggen van de hand van die [aangeefster 1] op zijn, verdachtes, penis, en/of
- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [aangeefster 1] , en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de
schaamlippen, van die [aangeefster 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2022 tot en met 31 januari 2024 te [plaats 1] , [gemeente 1] , en/of [plaats 2] , [gemeente 2] , en/of [plaats 3] , althans in Nederland, door giften en/of beloften van geld en/of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding, te weten door
- misbruik van het (grote) leeftijdsverschil met [aangeefster 1] , en/of
- misbruik van de afhankelijkheids-/werkrelatie met die [aangeefster 1] , en/of
- misbruik van de (kwetsbare) mentale omstandigheden van die [aangeefster 1] , en/of
- voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale uitingen en/of signalen van verzet/weerstand, en/of
- het geven en/of in het vooruitzicht stellen van geld en/of cadeaus aan die [aangeefster 1] , (telkens)
[aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die toen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en/of zijnde zijn pupil en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem, verdachte, te dulden, te weten
- het betasten van en/of knijpen in de (naakte) billen en/of borsten en/of vagina van die [aangeefster 1] ,
- het tongzoenen van die [aangeefster 1] , en/of
- het leggen van de hand van die [aangeefster 1] op zijn, verdachtes, penis en/of
- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [aangeefster 1] ,
en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [aangeefster 1] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2022 tot en met 31 januari 2024 te [plaats 1] , [gemeente 1] , en/of [plaats 2] , [gemeente 2] , en/of [plaats 3] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- onverhoeds handelen, en/of
- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, en/of
- voorbijgaan aan verbale en/of non-verbale uitingen en/of signalen van verzet/weerstand,
(telkens)
[aangeefster 1] , zijnde zijn pupil en/of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
- het betasten van en/of knijpen in de (naakte) billen en/of borsten en/of vagina van die [aangeefster 1] ,
- het tongzoenen van die [aangeefster 1] , en/of
- het leggen van de hand van die [aangeefster 1] op zijn, verdachtes, geslachtsdeel, en/of
- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het lichaam van die [aangeefster 1] .