RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12870
geboren op [geboortedatum] ,
van Oezbeekse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
1. Bij besluit van 26 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 12 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan rechtmatig is geweest. De rechtbank kan als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b (b-grond) van de Vw. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
5. De rechtbank merkt allereerst het volgende op. In het opheffingsbericht staat vermeld dat onvoldoende gronden redengevend zijn om de maatregel van bewaring op te heffen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd aangegeven dat deze reden abusievelijk is vermeld en dat de maatregel is opgeheven omdat er geen grondslag meer was na de beëindiging van de asielprocedure.
Voortraject
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
7. Eisers gemachtigde voert aan dat de maatregel van bewaring niet op de juiste grondslag berust. Eiser was namelijk in het bezit van een visum van Hongarije en had daarom op de grondslag van artikel 59a, van de Vw in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw op te leggen. Uit het dossier blijkt namelijk dat het aan eiser verleende visum op 16 mei 2025 is verlopen. Wanneer een visum meer dan zes maanden is verlopen voordat een asielaanvraag wordt ingediend, vervalt de verantwoordelijkheid van de visumverlenende lidstaat onder de Dublinverordening. Deze situatie doet zich in de onderhavige procedure voor, nu eiser zijn asielaanvraag op 26 februari 2026 heeft ingediend.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister de maatregel op de b-grond van artikel 59b, van de Vw heeft kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Dit is door eiser niet betwist.
Gronden
8. Ook de zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Anders dan eiser meent blijkt uit de motivering over het achterwege laten van een lichter middel niet dat deze uitsluitend is gebaseerd op de vertrekplicht van eiser.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan de bewaring op te leggen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven dat hij bronchitis heeft, maar ook dat hij hiervoor geen medicatie gebruikt.
Voortvarend handelen
10. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat eiser op 26 februari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend, dat op 6 maart 2026 een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden en op 8 maart 2026 een nader gehoor. Vervolgens heeft de minister op 10 maart 2026 een voornemen uitgebracht en op 12 maart 2026 een afwijzend asielbesluit. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in de onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
11. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.