RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13795
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 11 maart 2026 de bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 12 maart 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft, daarnaar gevraagd, bij brief van 18 maart 2026 laten weten dat de bewaring is opgeheven naar aanleiding van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026.
Eiser heeft daarop aanvullend gereageerd en gevraagd om herziening van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 16 februari 2026 waarbij eisers vorige vervolgberoep tegen het voortduren van deze maatregel van bewaring ongegrond is verklaard.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 19 maart 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 oktober 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Eiser heeft daarna vervolgberoepen ingediend.Uit de laatste uitspraak op het vervolgberoep volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.
3. Verweerder meldt in zijn brief van 18 maart 2026 dat de bewaring van eiser op 11 maart 2026 is opgeheven naar aanleiding van het arrest Aroja van het Hof omdat is gebleken dat aan eiser uiterlijk op 6 januari 2026 een verlengingsbesluit opgelegd had moeten worden. Eiser zat op die datum namelijk zes maanden in bewaring. Omdat aan eiser niet tijdig een verlengingsbesluit is uitgereikt is de maatregel van bewaring volgens verweerder onrechtmatig geworden per 7 januari 2026. De rechtbank heeft evenwel in haar uitspraak van 16 februari 2026 vastgesteld dat de maatregel van bewaring tot aan het sluiten van het onderzoek in die zaak rechtmatig was. Omdat die uitspraak in rechte vaststaat meent verweerder dat in dit beroep enkel kan worden beoordeeld of de maatregel van bewaring sinds de sluiting van dat onderzoek (12 februari 2026) rechtmatig voortduurt. Verweerder is bereid de schade te vergoeden voor de periode vanaf 12 februari 2026 tot 11 maart 2026, zijnde 28 x € 120,- voor het verblijf in een huis van bewaring. De schadevergoeding bedraagt in totaal € 3360,-. Ook is verweerder bereid de proceskosten van € 934,- (1 punt) te vergoeden.
4. Eiser stelt dat de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 februari 2026 niet in stand kan blijven. Hij vraagt daarom om herziening van die uitspraak. Uit de brief van verweerder van 18 maart 2026 volgt dat verweerder erkent dat als gevolg van het arrest Aroja de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring per 7 januari 2026 onrechtmatig is geworden. Aan eiser had namelijk op uiterlijk 6 januari 2026 een verlengingsbesluit opgelegd moeten worden omdat de bewaring op dat moment zes maanden heeft voortgeduurd. Verweerder heeft deze informatie niet eerder in de procedure van het vervolgberoep van 16 februari 2026 kenbaar gemaakt. Eiser stelt dan ook dat verweerder de schade moet vergoeden over de periode van 7 januari 2026 tot en met 11 maart 2026.
Verzoek tot herziening
5. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awbkan de bestuursrechter een uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten of omstandigheden die (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, die (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en, (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Uit vaste rechtspraakvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat herziening een buitengewoon rechtsmiddel is waarmee een onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan worden gecorrigeerd indien blijkt dat deze berust op een onjuiste feitelijke grondslag en ook overigens aan de vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is voldaan. Alleen aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden.
7. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen en dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar moeten worden opgeteld. Uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest kan verder worden afgeleid dat vóór het verstrijken van de (opgetelde) oorspronkelijke maximale bewaringsduur van zes maanden een verlengingsbesluit moet worden genomen.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor herziening van de uitspraak van 16 februari 2026 vanwege het arrest Aroja. Voornoemd arrest dateert van 5 maart 2026 en betreft dan ook een omstandigheid die zich ná het sluiten van het onderzoek op 12 februari 2026 in het vorige vervolgberoep en de uitspraak heeft voorgedaan. Nieuwe feiten die na de uitspraak opkomen en een ander licht werpen op de zaak, zoals nieuwe wetenschappelijke inzichten of nieuwe jurisprudentie, kunnen niet tot herziening van de uitspraak leiden.
Verzoek tot schadevergoeding
9. Niet in geschil is dat de bewaring van eiser sinds 12 februari 2026 onrechtmatig voortduurt en dat verweerder over de periode van 12 februari 2026 tot en met 11 maart 2026 gehouden is een schadevergoeding te betalen. In geschil is of verweerder ook een schadevergoeding dient te betalen over de periode van 7 januari 2026 tot 12 februari 2026.
10. Omdat de rechtbank als gezegd geen aanleiding ziet om de uitspraak van 16 februari 2026 te herzien, ziet de rechtbank evenmin reden om verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding over de periode van 7 januari 2026 tot en met 11 maart 2026. De rechtbank zal daarom aansluiten bij verweerders voorstel om de schade te vergoeden over de periode van 12 februari 2026 tot en met 11 maart 2026.
11. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 12 februari 2026 tot de opheffing daarvan op 11 maart 2026 onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe voor 28 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel: 28 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 3360,-.
12. De rechtbank spreekt ook een proceskostenveroordeling uit. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Ten aanzien van het herzieningsverzoek:
- De rechtbank wijst het herzieningsverzoek af.
Ten aanzien van het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3360,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-;
Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.