ECLI:NL:RBDHA:2026:6486

ECLI:NL:RBDHA:2026:6486

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer NL26.12463
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring – bewaring opgeheven – nationaliteit niet bevestigd – onvoldoende concreet nader onderzoek – bewaring onrechtmatig – beroep gegrond - schadevergoeding

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12463

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 13 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 maart 2026 gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 18 maart 2026, waarna verweerder een aanvullend verweerschrift heeft ingediend. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 23 maart 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Libische nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 5 februari 2026.

4. Eiser stelt dat het laten voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest sinds 3 februari 2026. Op deze dag heeft er een presentatie in persoon plaatsgevonden bij de Libische autoriteiten. Het Libische consulaat heeft zijn nationaliteit niet kunnen bevestigen. Desondanks heeft de maatregel voortgeduurd tot 13 februari 2026. Na 3 februari 2026 was er geen zicht op uitzetting meer in zijn individuele geval. Het voortduren van de maatregel diende daarom geen enkel doel. Sindsdien heeft verweerder ook geen enkele feitelijke en effectieve uitzettingshandeling meer verricht. Er is ten onrechte geen lichter middel toegepast. Eiser verbleef in een zeer strikt bewaringsregime waardoor zijn medische klachten werden verergerd.

5. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 5 maart 2026 beroep ingesteld. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw had de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift moeten sluiten en ingevolge het tweede lid binnen zeven dagen daarna schriftelijk uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 19 maart 2026 uitspraak had moeten doen. Vanwege moverende redenen is dit niet gelukt. Dit kan echter niet voor rekening van eiser komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring met ingang van 20 maart 2026 onrechtmatig moet worden geacht. De bewaring is echter op 13 februari 2026 reeds opgeheven zodat het niet tijdig beslissen op het vervolgberoep geen onrechtmatige detentie voor eiser tot gevolg heeft gehad.

6. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de maatregel van bewaring tot 13 februari 2026 heeft kunnen voortduren nu de Libische autoriteiten op 3 februari 2026 de nationaliteit van eiser niet hebben kunnen vaststellen. Verweerder heeft in het enkele feit dat eisers nationaliteit niet is vastgesteld geen reden hoeven zien om de bewaring onmiddellijk op te heffen op 3 februari 2026. In het aanvullend verweerschrift is uiteengezet welk nader dossieronderzoek heeft plaatsgevonden en waarom er in dit specifieke geval geen reden was om de bewaring niet eerder op te heffen. Zo heeft er op 6 februari 2026 nog een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en is door de gespreksleider nogmaals onderzocht of er mogelijkheden zijn om aan documenten te komen. Tot dat moment acht de rechtbank gerechtvaardigd dat verweerder eiser in bewaring heeft gehouden. Hoewel verweerder stelt dat er nadien nog nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar mogelijkheden om eiser uit te zetten, wordt dit niet gevolgd. Uit het door verweerder overgelegde voortgangsrapport met betrekking tot terugkeer vertrekplan van 13 februari 2026 volgt niet dat er na 6 februari 2026 nog andere handelingen hebben plaatsgevonden dan een evaluatie van alle informatie die voorhanden was. Deze evaluatie heeft geleid tot de opheffing van de maatregel van bewaring op 13 februari 2026. Waarom deze evaluatie niet eerder heeft plaatsgevonden, is verder niet gemotiveerd. De rechtbank komt dan ook tot oordeel dat de bewaring na 6 februari 2026, dus met ingang van 7 februari 2026, onrechtmatig is te achten.

7. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 7 februari 2026 onrechtmatig te achten.

8. Het beroep is gegrond. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Eiser heeft wel recht op schadevergoeding op grond van artikel 106, eerste lid, van de Vw. De rechtbank kent aan eiser een vergoeding toe voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 840.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 840, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.F. Bethlehem

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?