RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser
Uitspraak zonder zitting
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15160
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 maart 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak 2 maart 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de
maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.1 Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 25 februari 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting en dat zicht op uitzetting naar Marokko op korte termijn ontbreekt.
5. Hoewel deze beroepsgronden niet nader zijn gemotiveerd, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Verweerder heeft op 20 februari 2026 een LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse en de Tunesische autoriteiten. Er zijn geen aanknopingspunten dat Marokko of Tunesië in het algemeen weigeren LP’s te verstrekken, noch heeft eiser dit concreet gemaakt of onderbouwd. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit het voortgangsrapport volgt dat verweerder op 20 februari 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Verder heeft verweerder regelmatig schriftelijk gerappelleerd aan de Marokkaanse en Tunesische autoriteiten. De meest recente schriftelijke rappels dateren van 12 maart 2026. Het LP-traject duurt op dit moment nog niet zo lang dat daaruit moet worden afgeleid dat geen LP voor eiser zal worden afgegeven. Daar zijn op dit moment ook geen indicaties voor. De beroepsgronden slagen niet.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
1. Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2026:4168.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.