uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , uit [plaats], opposante,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2025 in het geding tussen
opposante
en
de minister van Asiel en Migratie
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], verzoekster,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 17 oktober 2025, waarin de rechtbank het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten heeft afgewezen.
De rechtbank heeft het verzet op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van opposante.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 17 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen diende te worden. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling van het verzet
Het beroep van opposante
3. Opposante heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om uitstel van vertrek. Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister opposante alsnog uitstel van vertrek verleend. Opposante heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De uitspraak van 17 oktober 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten afgewezen. De reden hiervoor was dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de digitale ingebrekestelling van 13 juni 2025 niet op de juiste wijze is ingediend. Opposante had de ingebrekestelling per post of via ‘veilig mailen’ moeten indienen. Omdat de ingebrekestelling niet op de juiste wijze werd ingediend, was niet voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Volgens de rechtbank heeft de minister opposante er bij brief van 20 juni 2025 op gewezen dat de ingebrekestelling niet op de juiste wijze was ingediend.
Gronden verzet
5. Opposante is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft afgewezen. Opposante stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling op juiste wijze is ingediend. De ingebrekestelling is wel degelijk via ‘veilig mailen’ ingediend, op aanraden van de minister, die ook zelf gebruik maakt van Zivver.
Beoordeling verzet
6. In hetgeen opposante heeft aangevoerd ziet de verzetsrechter aanleiding om het verzet gegrond te verklaren. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 13 november 2025 een uitspraak gedaan waarin zij heeft geoordeeld dat de elektronische ingebrekestelling geldig is. Gelet op deze uitspraak is de verzetsrechter van oordeel dat er twijfel is over de kennelijke uitkomst van de procedure. Het verzet dient daarom gegrond verklaard te worden.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposante gemaakte proceskosten.
8. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Opposante wordt hierna verzoekster genoemd.
Beoordeling van het verzoek tot proceskostenvergoeding
9. De rechtbank stelt vast dat verzoekster de minister op 13 juni 2025 per elektronische weg in gebreke heeft gesteld. De minister heeft bij brief van 20 juni 2025 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd. Wel is daarbij een standaard tekst opgenomen waarin is vermeld dat een ingebrekestelling ingediend per e-mail of ander digitaal kanaal niet geldig is. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van de ingebrekestelling per elektronische weg niet zonder meer betekent dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025.Daarnaast hecht de rechtbank veel waarde aan het feit dat de minister de ontvangst van de elektronische ingebrekestelling heeft bevestigd, zonder te motiveren dat en waarom deze in het geval van verzoekster niet geldig is. De algemene tekst die hierover in de ontvangstbevestiging is opgenomen volstaat niet. De rechtbank acht de ingebrekestelling daarom geldig.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De rechtbank stelt vast dat de minister aan verzoekster tegemoet is gekomen door alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoekster van 15 juli 2025 hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Het verzoek om een vergoeding van de proceskosten wordt toegewezen.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzoek wordt als gegrond toegewezen. Dat betekent dat verzoekster gelijk krijgt.
11. De minister moet de door verzoekster gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op een totaalbedrag van € 1401,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster/opposante tot een totaalbedrag van € 1401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen de uitspraak op het verzet staat geen hoger beroep of verzet open. Tegen de uitspraak op het verzoek tot proceskostenvergoeding staat hoger beroep open.