de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mw. N. Mikolajczyk),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2025 in het geding tussen
[naam] , geopposeerde
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van de minister gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2025, waarin de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard en de minister heeft opgedragen om binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van die uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
De rechtbank heeft het verzet op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van geopposeerde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 maart 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond was. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van geopposeerde
4. Het beroep van geopposeerde richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 16 oktober 2023. Op 8 februari 2025 heeft geopposeerde de minister in gebreke gesteld. Vervolgens heeft de minister niet binnen twee weken beslist.
De uitspraak van 11 maart 2025
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken.
Gronden verzet
5. De minister stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep ten onrechte kennelijk gegrond heeft verklaard. Volgens de minister is er geen sprake van een ontvankelijk beroep. De reden hiervoor is dat de beslistermijn nog niet was verstreken toen hij in gebreke werd gesteld. Volgens de minister heeft de rechtbank in haar uitspraak allereerst geen rekening gehouden met de claimprocedure in het kader van de Dublinverordening. Eiser diende op 16 oktober 2023 een asielaanvraag in. Uit een Eurodac-onderzoek bleek dat hij eerder in Italië was geregistreerd. Omdat er binnen twee maanden geen claim bij Italië werd ingediend, verstreek de termijn op 17 december 2023. Vanaf die datum is verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek en begon de beslistermijn te lopen.
6. Ten tweede voert hij aan dat er een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) gold voor vreemdelingen uit Soedan, waardoor de beslistermijn in het geval van geopposeerde is verlengd tot 21 maanden. Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een BVM ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. Dit gold tot en met 8 juli 2024. Tenslotte voert de minister aan dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, terwijl de termijn om een verweerschrift in te dienen nog liep.
Beoordeling verzet
De rechtbank stelt vast dat het eerdere oordeel, dat het beroep kennelijk gegrond was, niet buiten redelijke twijfel stond. Omdat geen rekening is gehouden met de claimtermijn en het effect van BVM Soedan op de beslistermijn, is de rechtbank hier ten onrechte aan voorbijgegaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het verzet gegrond is. Daarnaast wordt geconstateerd dat de rechtbank de termijn voor het indienen van een verweerschrift niet heeft afgewacht.
7. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
Geopposeerde wordt hierna eiser genoemd.
Beoordeling van de rechtbank van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
8. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 16 oktober 2023. Op 28 oktober 2025 heeft de minister alsnog een inwilligend besluit genomen op de asielaanvraag.
WBV 2023/3
9. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 van toepassing. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen.
BVM
10. Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de ministerBVM ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. Dit gold tot en met 8 juli 2024.
De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan verlengen tot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen uitstellen in individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
De minister legt het BVM zo uit dat de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Soedan is verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Hij baseert zich op artikel 43, eerste lid, van de Vw. De rechtbank volgt deze uitleg niet en zal de term ‘verlengen’ opvatten als ‘opschorten’. Aan de Procedurerichtlijn en het bepaalde in artikel 31, vierde lid, kent de rechtbank meer gewicht toe nu deze bepalingen van recentere datum zijn dan het moment van de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43 van die wet. Daarnaast spreekt de Engelstalige versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over “postpone”. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af.
In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 16 oktober 2023 is ingediend. Eiser is per brief van 7 maart 2024 op de hoogte gesteld dat zijn asielaanvraag verder wordt behandeld in de nationale procedure. De beslistermijn is daardoor aangevangen op 17 december 2023, op welk moment het BVM Soedan gold Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025. Eiser heeft de minister op 8 februari 2025 gevraagd om alsnog binnen 14 dagen te beslissen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
Procesbelang
11. Op 28 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Omdat door de minister alsnog een besluit is genomen, is er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. Het alsnog genomen besluit komt geheel aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tegemoet, zodat dit beroep niet mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit.
12. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
13. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 11 maart 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was en heeft zij de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
14. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit voldoet aan de voorwaarden. Hoewel eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat de minister alsnog op de aanvraag heeft beslist en de rechtbank het beroep daarom niet-ontvankelijk zal verklaren, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep is namelijk terecht ingediend. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: