[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
en haar minderjarige kind,
[naam kind]
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Met het besluit van 6 mei 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij de bezwaarfase in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.
Een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van formele connexiteit. Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan hangende een bezwaar- of beroepsprocedure.
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt en op dit bezwaar wordt beslist voordat op het verzoek is beslist, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het al ingestelde verzoek wordt dan gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
4. Met het besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister op het bezwaarschrift van verzoekster beslist. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen dit besluit, waardoor niet wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste.
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verder is verzoekster vrijgesteld van de betaling van griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.