ECLI:NL:RBDHA:2026:6558

ECLI:NL:RBDHA:2026:6558

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL24.15036
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Regulier VK; weigering verblijfsdocument EU/EER; arrest Chavez-Vilchez; B10/2.2 van de Vc; 8 EVRM. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt zodat niet kan worden vastgesteld dat hij ook daadwerkelijk de vader is van het kind. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken uitvoert. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat sprake is van enige band tussen eiser en het kind, volgt de rechtbank verweerder in diens standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsrelatie tussen beiden dat het kind genoodzaakt zal zijn om de Europese Unie te verlaten indien aan eiser het gevraagde verblijfsdocument zal worden geweigerd. Er wordt dus niet voldaan aan de vier voorwaarden van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Verweerder heeft terecht geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aangenomen tussen eiser en het kind, nu eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt en daardoor ook niet aannemelijk is geworden dat hij de vader is van het kind. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.15036

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg)

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt (hierna: verblijfsdocument EU/EER), afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande kennisgeving – niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiser stelt [naam eiser] te heten, geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1995, en de Dominicaanse nationaliteit te hebben. Hij stelt dat [persoon A] zijn vriendin is en dat uit zijn relatie met haar een zoontje is geboren; [naam kind] (hierna ook: het kind), geboren op [geboortedatum 2] 2023. Het kind heeft de Nederlandse nationaliteit.

Eiser meent dat hij, gelet op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, een van het kind afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft. Op 17 maart 2023 heeft eiser de aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend.

Standpunt van verweerder

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden a tot en met d, die zijn neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Omdat eiser in Nederland verschillende personalia heeft opgegeven, heeft hij de gestelde identiteit en nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. Om die reden heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de vader is van het kind. De overgelegde verklaringen en foto’s hebben verweerder niet tot een ander standpunt geleid. Verder heeft eiser met de overgelegde informatie ook niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor het kind verricht, die meer dan marginaal zijn. Tot slot is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en het kind dat het kind gedwongen zou worden om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan eiser geen verblijfsdocument EU/EER zou worden verstrekt. Volgens verweerder is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven en het privéleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser en het kind. Eiser heeft wel privéleven in Nederland, maar de belangenafweging valt in eisers nadeel uit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het standpunt inneemt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het hebben van een afgeleid verblijfsrecht. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit wel degelijk aannemelijk gemaakt, zodat hij aan voorwaarde a voldoet. Hij verwijst daarbij naar de door hem overgelegde gegevens uit de Basisregistratie personen (Brp) en stelt dat hij zich altijd heeft geïdentificeerd met authentieke documenten. Uit de informatie in de Brp blijkt volgens hem ook dat hij het kind heeft erkend, waardoor hij aan te merken is als ouder van het kind en waarmee hij ook aan voorwaarde b uit het beleid voldoet. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken bij de aanvraag dat eiser sinds de geboorte van het kind zorg- en opvoedingstaken verricht. Zo geeft hij zijn zoontje flesvoeding, verschoont hij luiers en verricht hij andere taken. Hij zorgt ook in financieel opzicht voor het kind. Al met al speelt hij een dusdanig belangrijke rol in het leven van zijn zoontje dat deze het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan eiser geen verblijfsdocument EU/EER wordt verleend. Gezien ook de jonge leeftijd van het kind zal dit negatieve gevolgen hebben voor diens lichamelijke en emotionele ontwikkeling. Eiser voldoet dus ook aan de voorwaarden c en d van verweerders beleid.

Verweerders standpunt dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, is volgens eiser ook niet te volgen. Er is wel sprake van (een intensief) gezinsleven met het kind, waarbij het kind ook afhankelijk is van eiser. Het contact tussen hen kan niet worden vervangen door contact op afstand. Verder hecht verweerder volgens eiser onvoldoende waarde aan zijn belangen. Eiser betwist daarbij een gevaar te zijn voor de openbare orde.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw verschaft verweerder aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1 van de Vw, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een van zijn minderjarig kind, dat EU-burger is, afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest volgt dat de vreemdeling die meent een dergelijk afgeleid verblijfsrecht te hebben, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij dit verblijfsrecht heeft. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat dat bij een weigering om aan de vreemdeling een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie in zijn geheel te verlaten.

Het beleid dat relevant is voor de beoordeling van eisers aanvraag is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc. In dit beleid staat onder meer:

‘Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, van de Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;

b. de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.’

Oordeel van de rechtbank

Voorwaarde a (identiteit en nationaliteit)

Eiser heeft bij het indienen van zijn aanvraag een Dominicaans paspoort overgelegd dat op naam is gesteld van [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats 1] (Dominicaanse Republiek). Verweerder heeft onbestreden gesteld dat eiser zich in het verleden in Nederland heeft geïdentificeerd met een Colombiaans paspoort dat op naam is gesteld van [persoon B] , geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats 2] (Venezuela). Eiser kan dus in verband worden gebracht met twee paspoorten, die niet alleen van elkaar verschillen wat betreft het land van afgifte, maar ook wat betreft de personalia en de geboorteplaats van de persoon aan wie het document is afgegeven. Verweerder heeft terecht bij de beoordeling betrokken dat niet is gebleken dat de paspoorten authentiek zijn. Bij brief van 15 november 2023 heeft verweerder eiser verzocht de twee paspoorten op te sturen om documentenonderzoek te laten verrichten. Verweerder heeft eiser hierbij verzocht om aan te tonen op welke wijze hij deze paspoorten heeft aangevraagd, welke documenten hij daarbij nodig heeft gehad en op welke wijze hij deze paspoorten heeft verkregen. Verder heeft verweerder eiser verzocht om uit te leggen waarom hij gebruik heeft gemaakt van twee verschillende identiteiten en nationaliteiten. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De stukken uit de Brp waarnaar eiser verwijst, doen daaraan niet af. Deze informatie laat namelijk onverlet dat eiser in Nederland verschillende personalia heeft opgegeven en dat hij daarbij verschillende identiteitsdocumenten heeft getoond, die hij niet door verweerder op echtheid heeft laten onderzoeken. Gelet daarop kan er niet vanuit gegaan worden dat de voor het laatst in Nederland opgegeven personalia de juiste zijn. De enkele stelling van eiser dat hij zijn kind heeft erkend, kan om dezelfde reden ook niet bijdragen aan het bewijs voor de gestelde identiteit en nationaliteit. Gezien het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan voorwaarde a van paragraaf B10/2.2 van de Vc.

Voorwaarde b (ouder van een Nederlands minderjarig kind)

Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser één van de ouders is van het kind. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat nu eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, niet aangenomen kan worden dat hij degene is die op de geboorteakte staat vermeld als de vader van het kind. In het licht van de omstandigheid dat eiser zich in het verleden heeft bediend van verschillende personalia, heeft verweerder de overgelegde foto’s en de verklaringen van hemzelf en van de moeder van het kind onvoldoende kunnen vinden om alsnog de familierechtelijke band tussen hem en het kind aannemelijk te achten. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan voorwaarde b van paragraaf B10/2.2 van de Vc.

Voorwaarde c (zorg- en opvoedingstaken)

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht ten behoeve van het kind. Verweerder heeft de overgelegde verklaringen van eiser zelf en van de moeder van het kind ontoereikend kunnen vinden en dat geldt ook voor de foto’s. In de schriftelijke verklaringen is onder meer aangegeven dat eiser een relatie heeft met de moeder van het kind, dat eiser flesvoeding geeft, gaat wandelen met het kind, hem optilt als hij huilt, hem in slaap brengt en dat hij de moeder helpt met het verschonen van de luiers. De rechtbank onderschrijft verweerders conclusie dat de zorg- en opvoedingstaken die in deze verklaringen worden genoemd als marginaal kunnen worden aangemerkt. Over de foto’s heeft verweerder kunnen overwegen dat deze slechts momentopnamen zijn waaruit weliswaar blijkt dat eiser omgangsmomenten met het kind heeft, maar die zonder meer weinig zeggen over de daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken. Verweerder heeft niet duidelijk kunnen vinden hoeveel tijd eiser per week met het kind doorbrengt, en in dat verband kunnen betrekken dat eiser niet staat ingeschreven op hetzelfde adres als het kind. Verweerder heeft bij zijn standpunt ook kunnen betrekken dat eiser enkel subjectief bewijs heeft aangeleverd. Objectieve informatie, bijvoorbeeld van instanties of personen die betrokken zijn bij eiser en/of het kind, is niet verstrekt. Tot slot heeft eiser ook niet met stukken onderbouwd dat hij het kind in financieel opzicht ondersteunt. Verweerder heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan voorwaarde c van paragraaf B10/2.2 van de Vc.

Voorwaarde d (afhankelijkheidsverhouding)

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5809, volgt dat het in de eerste plaats aan een vreemdeling is om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat een afhankelijkheidsverhouding bestaat. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hier niet in is geslaagd. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten behoeve van het kind zorg- en opvoedingstaken verricht met een meer dan marginaal karakter. Verder heeft het kind sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijf bij de moeder. Nu er daarom vanuit kan worden gegaan dat de moeder de dagelijkse zorg voor het kind draagt, ligt daarmee het voornaamste deel van de zorg- en opvoedingstaken bij haar en kan er ook vanuit worden gegaan dat het kind een hechte band heeft met de moeder. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft eiser ook niet onderbouwd dat hij het kind financieel ondersteunt. Voor zover eiser het kind financieel ondersteunt, stelt verweerder terecht dat niet valt in te zien waarom deze steun niet op afstand geboden zou kunnen worden. Eiser heeft ook niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd dat zijn vertrek uit de Europese Unie negatieve gevolgen zal hebben voor de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind. Hoewel de rechtbank wil aannemen dat sprake is van enige band tussen eiser en het kind, volgt de rechtbank verweerder in diens standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsrelatie tussen beiden dat het kind genoodzaakt zal zijn om de Europese Unie te verlaten indien aan eiser het gevraagde verblijfsdocument zal worden geweigerd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan voorwaarde d van paragraaf B10/2.2 van de Vc.

Belangenafweging

6. Voor zover uit hetgeen partijen hebben aangevoerd afgeleid moet worden dat zij menen dat er nog een belangenafweging moet worden verricht in het kader van de vraag of eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez is declaratoir van aard en ontstaat alleen als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. Als er, zoals in het geval van eiser, niet aan die voorwaarden wordt voldaan, kan dit verblijfsrecht niet alsnog op grond van een belangenafweging ontstaan.

Artikel 8 van het EVRM

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen tussen eiser en het kind, nu eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt en daardoor ook niet aannemelijk is geworden dat hij de vader is van het kind. Nu eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt met de moeder van het kind gehuwd te zijn, een relatie te onderhouden of met haar samen te wonen, heeft verweerder daarnaast terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen tussen eiser en de moeder van het kind. Verweerder is er wel vanuit gegaan dat eiser privéleven heeft in Nederland, maar heeft niet ten onrechte de belangenafweging in dat kader in het nadeel van eiser laten uitvallen. Verweerder heeft er in dat verband op kunnen wijzen dat eiser nog maar relatief kort in Nederland verblijft, dat hij niet in de Brp staat ingeschreven, dat hij niet werkt en dat hij hier nooit een verblijfsvergunning heeft gehad. Verder is niet gebleken dat eiser een bijzondere en sterke binding met Nederland heeft, terwijl niet valt in te zien waarom eiser als volwassen persoon niet in staat zou zijn om zich opnieuw te vestigen in zijn land van herkomst en opnieuw banden met dat land aan te gaan. Daarbij geldt dat hij zijn contacten in Nederland ook op afstand kan onderhouden.

Slotsom

8. Gezien al het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser geen van het kind afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Eiser komt dus niet in aanmerking voor het gevraagde verblijfsdocument EU/EER. De weigering van dit verblijfsdocument is ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?