ECLI:NL:RBDHA:2026:6573

ECLI:NL:RBDHA:2026:6573

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL26.9568
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vervolgberoep, bewaring, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9568

(gemachtigde: mr. A. Dogan),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank in kennis gesteld van het feit dat een termijn van 75 dagen was verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 december 2025 (in de zaak NL25.59106) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 december 2025.

Zicht op uitzetting

3. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat dat hij al meer dan drie maanden in bewaring verblijft. Er wordt al sinds 4 september 2024 gerappelleerd. In vertrekgesprekken wordt herhaaldelijk aangegeven dat de kans bestaat dat hij moet vertrekken, terwijl er tegelijkertijd niet bekend is of een lp zal worden afgegeven of dat voor hem een vlucht zal worden geboekt, aldus eiser.

4. De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De op 6 september 2024 voor eiser ingediende laissez-passer (lp)-aanvraag is nog steeds in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Dat de datum waarop voor eiser een lp zal worden afgegeven, dan wel de datum waarop zijn vlucht zou plaatsvinden niet bekend is, doet aan het voorgaande niet af. Dit is geen vereiste voor het oordeel dat zicht op uitzetting bestaat. Ook weegt de rechtbank hierbij mee dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Hoewel eiser verklaart mee te willen werken aan zijn terugkeer, kan van eiser meer worden verwacht om zijn uitzetting te bevorderen, bijvoorbeeld door inspanningen te verrichten om een paspoort of een ander identificerend document te verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

5. Eiser betoogt dat verweerder in de voortgangsrapportage van 17 februari 2026 onvoldoende inzicht geeft in de handelingen die zijn verricht ten behoeve van eisers uitzetting. Volgens eiser moet er een verzwaarde toetsing komen aan proportionaliteit en subsidiariteit vanwege de duur van zijn bewaring. Enkel de administratieve handelingen, zoals rappels naar de autoriteiten sturen en een bevestiging van zijn nationaliteit, vindt eiser onvoldoende. Overigens blijkt het onvoldoende voortvarend handelen van verweerder volgens eiser al uit de omstandigheid dat er voor eiser geen zicht op uitzetting bestaat.

6. Zoals ook hiervoor onder 4. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting in eisers geval niet is komen te ontbreken. Uit de voortgangsrapportage van 17 februari 2026 blijkt verder dat verweerder in de te toetsen periode vier keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten over de openstaande lp-aanvraag. Ook blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 31 december 2025 en 28 januari 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. De rechtbank ziet geen (rechts)grond voor het oordeel dat er vanwege de duur van de bewaring van meer dan drie maanden een verzwaarde toets moet worden verricht of dat het hiervoor genoemde handelen van verweerder in de te toetsen periode onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder dan ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.C. Harting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?