RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9870
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was mevrouw Epelbaum telefonisch aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De inspanningsplicht
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet aan zijn inspanningsplicht heeft voldaan. Hiertoe betoogt hij dat hem niet is gevraagd of hij rechtsbijstand wenste bij het gehoor van 20 februari 2026. In het proces-verbaal van gehoor staat enkel vermeld dat eiser is medegedeeld dat hij ná het gehoor de kans zou krijgen zijn advocaat te spreken. Hiermee gaat verweerder er volgens eiser aan voorbij dat, ook wanneer de piketadvocaat niet beschikbaar is voor het gehoor, de uitdrukkelijke instemming van eiser vereist is om het gehoor zonder raadsman te voeren. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van 19 september 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2024:14821).
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit kader terecht verwezen naar paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarin staat dat de vreemdeling tijdig in kennis moet worden gesteld van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Een van de omstandigheden waaronder met het gehoor mag worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat is als de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen of te willen zijn. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat de eiser tijdig in kennis is gesteld van zijn recht op bijstand van een advocaat, maar dat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen zijn. Verweerder kon het gehoor dus laten plaatsvinden zonder de aanwezigheid van een advocaat. Voor zover de zittingsplaats Roermond anders heeft geoordeeld, geldt dat deze rechtbank daarvoor in dit geval geen aanleiding ziet. De beroepsgrond slaagt niet.
De informatieplicht
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser de zogeheten ‘informatiefolder’ over de inbewaringstelling in de Engelse taal is uitgereikt, terwijl eiser deze taal niet machtig is. De informatiefolder had in de Spaanse taal aan eiser uitgereikt moeten worden, zeker omdat dit een taal is waarin de informatiefolder doorgaans beschikbaar zou moeten zijn.
4. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat is nagevraagd welke informatiefolder aan eiser is uitgereikt, en dat dit (in afwijking van wat in het proces-verbaal van gehoor staat) een folder in de Spaanse taal bleek te zijn. Deze informatiefolder is op 2 maart 2026 toegevoegd aan het digitale dossier. De rechtbank merkt op dat het storend is dat dergelijke foutieve informatie is opgenomen in een op ambtseed opgemaakt document, omdat in beginsel van de juistheid van zo’n proces-verbaal moet worden uitgegaan. Toch is de rechtbank van oordeel dat hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van het gehoor een kennelijke verschrijving betreft en dat aan eiser de juiste informatiefolder in het Spaans is uitgereikt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de navraag die verweerder hiernaar heeft gedaan, de juiste informatiefolder reeds vóór de zitting aan het digitale dossier is toegevoegd en dat de daarin weergegeven gronden overeenkomen met de gronden in deze maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ook heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011).
Voortvarend handelen
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn asielaanvraag, nu pas op de negende dag na zijn inbewaringstelling voor hem een gehoor is ingepland voor de behandeling van zijn asiel.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Verweerder heeft maximaal zes weken om te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Dit staat in artikel 59b, tweede lid, van de Vw. Op het moment van het sluiten van het onderzoek zijn daarvan twee weken verstreken, zodat verweerder nog ruim binnen de termijn aan de asielaanvraag van eiser werkt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1157, r.o. 3 en 3.1). De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
9. Eiser stelt ten slotte dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser voert daartoe aan dat de bewaring voor hem onevenredig zwaar is omdat hij in Nederland en in het detentiecentrum problemen heeft ervaren omdat van hem gedacht wordt dat hij transgender of homoseksueel is. Verder zit eiser in verband met zijn suïcidale uitlatingen al geruime tijd op een afgesloten afdeling.
10. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring de suïcidale uitlatingen en gedachten van eiser kenbaar betrokken in zijn belangenafweging en heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat voor eiser in detentie gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat hij zo nodig in een observatiecel kan worden geplaatst om zijn gezondheid te waarborgen. Niet is gebleken dat de zorg in detentie voor eiser ontoereikend is. Verder overweegt de rechtbank dat het risico op onttrekking, zoals ook overwogen onder 6, onverminderd van toepassing is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser zelf heeft bijgedragen aan dit onttrekkingsrisico door aan te geven dat zijn asielaanvragen louter zijn ingediend om zijn vertrek te verijdelen en dat hij telkens iets nieuws zal verzinnen om met een nieuwe asielprocedure zijn vertrek opnieuw uit te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het HvJEU van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
13. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.