RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10082
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De grondslag van de bewaring
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel niet op de juiste grondslag gestoeld is. Hiertoe betoogt eiser dat hij, blijkens het proces-verbaal van gehoor van 14 februari 2026, meerdere malen heeft aangegeven dat hij asiel wil aanvragen. Hij is echter door de verbalisant overtuigd om geen asielaanvraag in te dienen, nadat hem was medegedeeld dat het indienen van een asielaanvraag geen gevolgen zou hebben voor zijn inbewaringstelling. Verweerder heeft naar de mening van eiser ten onrechte geconcludeerd dat hij geen asielaanvraag wilde indienen, terwijl hij slechts heeft aangegeven dit met zijn advocaat te willen bespreken. Gelet op de inhoud en strekking van zijn verklaringen tijdens het gehoor hadden deze volgens eiser moeten worden aangemerkt als het kenbaar maken van de wens om internationale bescherming te verkrijgen. In dat geval had de maatregel haar grondslag moeten vinden in artikel 59b van de Vw.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat wanneer aan een vreemdeling op grond van meerdere rechtsgronden een bewaringsmaatregel kan worden opgelegd, artikel 59a, van de Vw prevaleert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2162). De rechtbank is daarom van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot (de wens tot) het indienen van een asielaanvraag, wat daar ook van zij, niet kan afdoen aan de juistheid van de gehanteerde wettelijke grondslag van de maatregel. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat niet is betwist dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublin). Gelet hierop is artikel 59a, eerste lid, van de Vw terecht als grondslag voor de maatregel gehanteerd. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsmaatregel
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3d en de lichte grond 4a. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat vluchtelingen veelal niet beschikken over geldige reis- en identiteitsdocumenten. Hij stelt dat hij bovendien pogingen heeft ondernomen om in Nederland alsnog documenten te verkrijgen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Gelet hierop kan volgens eiser hem niet worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Met betrekking tot zware grond 3b betoogt eiser dat van daadwerkelijke onttrekking aan het toezicht geen sprake is geweest. Dat hij wegens financiële omstandigheden niet binnen de termijn van drie dagen door een vriend naar Ter Apel kon worden gebracht om daar een asielaanvraag in te dienen, is volgens eiser onvoldoende om te concluderen dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voldoende is dat onder meer de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829). Niet in geschil is dat eiser zonder reis- of identiteitsdocumenten Nederland is ingereisd en daarmee niet op de voorgeschreven wijze het grondgebied is binnengekomen. Uit het dossier blijkt verder dat eiser niet binnen drie dagen melding heeft gemaakt bij de korpschef van zijn onrechtmatige verblijf conform artikelen 4.47 en 4.39 van het Vb en dat hij zich hiermee aan het toezicht heeft onttrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en verweerder eiser terecht de zware gronden 3a en 3b heeft tegengeworpen. Verder stelt de rechtbank vast dat de lichte gronden 4c en 4d niet door eiser worden bestreden. De zware gronden 3a, 3b, en de niet bestreden lichte gronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de overige gronden behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.