RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37351
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
Procesverloop
In het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft op 26 februari 2026 het besluit ingetrokken.
Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van tegemoetkomen als het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Verweerder heeft namelijk het bestreden besluit ingetrokken omdat verzoeker na het nemen van het bestreden besluit een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 25 februari 2026 bepaald dat verzoekers asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat Roemenië op grond van de Dublinverordening hiervoor verantwoordelijk is. Daarbij is ook besloten dat verzoeker naar Roemenië wordt overgedragen. Om deze redenen heeft verweerder op 26 februari 2026 het bestreden besluit ingetrokken. In zoverre houdt de intrekking van het bestreden besluit geen verband met de gronden van het beroep.
4. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.