ECLI:NL:RBDHA:2026:6583

ECLI:NL:RBDHA:2026:6583

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL25.9705
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

MVV humanitair niet-tijdelijk. Tussenuitspraak. De rechtbank oordeelt dat de besluitvorming een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan beschermingswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter en zus moet worden aangenomen. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid het gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.9705 T

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),

en

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “humanitair niet-tijdelijk”. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de besluitvorming een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan beschermingswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter en zus moet worden aangenomen. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Bij besluit van 5 januari 2021 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres van 6 augustus 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel humanitair niet-tijdelijk afgewezen. Bij besluit van 25 juli 2021 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft op 26 april 2022 het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 26 september 2022 het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 26 april 2022 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 juli 2021 vernietigd.

Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2021 opnieuw ongegrond verklaard. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft op 19 september 2023 het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2021 wederom ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft op 14 oktober 2025 en op 27 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Badouri. Ook zijn verschenen [persoon1] (dochter) en [persoon2] (zus). De minister is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingsintensiteit door de rechtbank

Voorgeschiedenis en gevolgen van eerdere procedures

Belangenafweging en artikel 8 van het EVRM

3. Op 26 september 2023 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiseres gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 26 april 2022 vernietigd, het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit van 25 juli 2021 vernietigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister opnieuw een standpunt moet innemen over de vraag of er tussen eiseres en haar in Nederland verblijvende dochter meer dan normale emotionele banden bestaan en geoordeeld dat de minister de vereiste belangenafweging moet verrichten.

4. Vervolgens heeft de minister op 24 februari 2022 een nieuw besluit genomen. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft op 19 september 2023 het beroep van eiseres gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat – in het kader of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM – niet is gebleken dat de minister de kwetsbare gezondheidssituatie expliciet heeft betrokken in de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar dochter dan wel tussen eiseres en andere familieleden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister ook zijn standpunt ten aanzien van de gestelde financiële afhankelijkheid van eiseres van haar dochter dan wel andere in Nederland woonachtige familieleden onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de (veranderende) woonsituatie van eiseres onvoldoende gemotiveerd bij de besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de minister gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM gebrekkig is. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat dit betekent dat de minister gehouden is om een nieuwe beoordeling te maken ten aanzien van het bestaan van familie- of gezinsleven van eiseres in de zin van artikel 8 van het EVRM en ook een nieuwe belangenafweging moet maken in dit kader.

5. In het bestreden besluit dat voorligt heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. De minister vindt dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn en daarom is er geen familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister stelt zich op het standpunt dat er daarom geen belangenafweging hoeft plaats te vinden en wijst daartoe op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2023 en uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 19 september 2023 volgt dat de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging moet maken, ook als de minister geen familie- of gezinsleven aanneemt. De rechtbank stelt vast dat de minister met het nu voorliggende besluit geen gevolg heeft gegeven aan de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling en de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank. De uitspraak van de rechtbank heeft kracht van gewijsde. Er is destijds niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak en dan geldt dat de in de uitspraak neergelegde opdracht moet worden opgevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de latere wijziging in de Afdelingsjurisprudentie van 27 maart 2024 hier niet aan kan afdoen, omdat de kracht van gewijsde een sterkere werking heeft dan de beslissing op bezwaar van de minister ex nunc op grond van de huidige stand van het recht. Dit zou anders kunnen zijn als de huidige stand van het recht gunstiger zou zijn voor eiseres, maar dat is het niet omdat de minister als hij geen familie- of gezinsleven aanneemt, anders dan voorheen, geen belangenafweging meer hoeft te maken. Het bestreden besluit bevat gelet op een voorgaande een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en de minister opdragen om – of de minister nu wel of geen familie- of gezinsleven aanneemt op grond van artikel 8 van het EVRM – een belangenafweging te maken.

Privéleven, eerwraak en sociale uitsluiting

7. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft in haar uitspraak van 19 september 2023 geoordeeld dat de minister ten aanzien van het privéleven niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres gedurende haar langdurige verblijf in Nederland onvoldoende binding met Nederland heeft opgebouwd om de belangenafweging in haar voordeel uit te laten vallen. Ook heeft de minister kunnen concluderen dat het lange onrechtmatige verblijf van eiseres in Nederland in beginsel voor haar eigen rekening en risico komt. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom zij persoonlijk een risico loopt op sociale uitsluiting of dat zij zich niet tot de Marokkaanse autoriteiten kan wenden. Daarom heeft de minister kunnen concluderen dat dit de belangenafweging niet anders maakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte heeft kunnen concluderen dat eiseres haar vrees voor eergerelateerd geweld in Marokko onvoldoende heeft onderbouwd.

8. Eiseres stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat zij al 34 jaar in Nederland verblijft en sinds 1991 niet meer is terug geweest in Marokko. Zij zal in Marokko te maken krijgen met sociale uitsluiting en omdat haar ex-partner in Marokko woont bestaat er een risico op eerwraak.

9. De rechtbank stelt vast dat tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 19 september 2023 door geen van de betrokken partijen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank overweegt dat uit deze uitspraak blijkt dat de beroepsgronden gericht tegen de besluitvorming over het privéleven, de eerwraak en de sociale uitsluiting in Marokko in rechtsoverwegingen 22, 24 en 26 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit oordeel heeft dan ook gezag van gewijsde gekregen. Ook zijn er in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden door eiseres aangevoerd op grond waarvan de rechtbank nogmaals naar deze beroepsgronden van eiseres had moeten kijken. De rechtbank zal dan ook geen inhoudelijk oordeel geven over de beroepsgronden ten aanzien van het privéleven, de eerwraak en de sociale uitsluiting in Marokko.

Beschermingswaardig familie- of gezinsleven

Het bestreden besluit

10. De minister heeft niet aangenomen dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter en zus. De minister stelt dat eiseres niet altijd heeft samengewoond met haar dochter. De minister vindt van belang dat de dochter van eiseres ook is opgevoed door de zus van eiseres en dat de zus het gezag had over de dochter van eiseres. Hoewel het aannemelijk is dat eiseres financiële steun ontvangt, heeft zij niet aangetoond dat zij daadwerkelijk financiële steun ontvangt van haar dochter. Ook is niet gebleken dat deze financiële steun niet op afstand kan worden voortgezet. Verder is volgens de minister niet gebleken dat eiseres afhankelijk is van zorg van haar familieleden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de gestelde zorg alleen op haar dochter en zus is aangewezen. Zij heeft niet aangetoond dat zij op andere wijze om praktische redenen afhankelijk is van haar familieleden. Verder heeft eiseres sterke banden met Marokko, omdat eiseres als volwassene naar Nederland is gekomen, daar naar school is gegaan, de taal spreekt, bekend is met de gebruiken en de cultuur en een groot deel van haar leven in Marokko heeft gewoond. De banden met Nederland zijn minder sterk dan met Marokko, nu eiseres al jaren in Nederland woont zonder verblijfsvergunning, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen vrienden of familie in Marokko heeft, maar dat dit ook niet betekent dat zij niet terug kan naar Marokko.

Het standpunt van eiseres

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij sinds 2014 onafgebroken met haar dochter in gezinsverband samenwoont. In de periode voor 2014 was het contact met haar dochter en zus ook zeer hecht. Eiseres woonde toen op vijf minuten loopafstand van waar haar dochter woonde. Eiseres speelde een voorname rol met betrekking tot de opvoeding van haar dochter. Haar dochter is inmiddels zelfstandig. Van de dochter kan niet worden gevergd dat zij naar Marokko migreert om daar het gezinsleven met haar moeder uit te oefenen. Ook heeft eiseres een hechte band met haar broer en zus. Verder heeft eiseres nooit zelfstandig een bron van inkomsten gehad omdat zij niet mocht werken en geen recht heeft op een uitkering. Eiseres heeft bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat zij voor eten, drinken, kleding en inwoning afhankelijk is van haar dochter. Eiseres stelt dat financiële steun vanuit Nederland aan eiseres in Marokko niet kan volstaan. Eiseres stelt zich op het standpunt zij kampt met stress en met depressieve klachten. Eiseres heeft een kwetsbare gezondheid en is op leeftijd en daarom in toenemende mate aangewezen op ondersteuning van haar dochter. Eiseres stelt daarom dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van het EVRM.

12. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de rechtbank volledig mag toetsen welke omstandigheden de minister had moeten betrekken bij de beoordeling of familie- en gezinsleven bestaat en of de motivering van de minister daarbij deugdelijk is. De rechtbank moet de uitkomst van die beoordeling met enige terughoudendheid toetsen, omdat de uitkomst volgt uit een weging van die omstandigheden. Dit kader geldt voor de beantwoording van de vraag of tussen eiseres en haar dochter dan wel de andere in Nederland verblijvende familieleden sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid

13. De minister moet beoordelen of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan beschermingswaardig familie- of gezinsleven tussen eiseres en haar dochter dan wel tussen eiseres en de andere in Nederland verblijvende familieleden moet worden aangenomen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet de minister alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.

14. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiseres en haar dochter sinds 2014 samenwonen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de samenwoning sinds 2014 niet maakt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid, omdat eiseres daarvoor niet altijd samen met haar dochter heeft gewoond. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en uit de verklaringen op de zitting volgt dat eiseres in 1991 bij haar zus en dochter is gaan wonen. Haar zus had op dat moment de voogdij over haar dochter. Deze situatie heeft zich vervolgens in allerlei vormen voortgezet, waarbij eiseres niet altijd met haar dochter heeft samengewoond, maar wel altijd dicht bij haar dochter in de buurt heeft gewoond. Ook heeft eiseres verklaard dat de band en het contact in de periode voor 2014 hecht was. Als de zus van eiseres werkte zorgde eiseres thuis voor haar dochter. De rechtbank vindt dat de minister gelet op het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het feit dat eiseres voor 2014 niet altijd samen met haar dochter heeft gewoond maakt dat geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. Ook vindt de rechtbank dat de periode na 2014 zwaarder dient mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. Het betreft immers een periode van meer dan 10 jaar die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Ten aanzien van de financiële en materiele afhankelijkheid stelt de minister zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat eiseres steun ontvangt van haar dochter, maar dat deze financiële steun ook op afstand door de dochter aan eiseres kan worden gegeven. Op de zitting heeft de dochter van eiseres toegelicht dat eiseres bij haar in huis woont, dat zij in kosten van het levensonderhoud voorziet en dat zij de kosten van één huishouden kan dragen. Zij heeft ook toegelicht dat de kosten van één huishouden aanmerkelijk lager zijn dan van twee huishoudens. Zij stelt dan ook dat, in het geval zij haar moeder financieel in haar levensonderhoud en woonkosten in Marokko zou moeten onderhouden, dit voor haar niet mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet wordt aangemerkt als een bijkomend element van afhankelijkheid.

Ten aanzien van de praktische afhankelijkheid heeft eiseres gesteld dat zij feitelijk afhankelijk is van haar dochter en zus om ergens naar toe te gaan. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat niet is onderbouwd dat eiseres uitsluitend afhankelijk is van medische zorg van de dochter en dat er ook geen sprake is van een (komende) medische noodsituatie. Daarom weegt de praktische afhankelijk voor de rechtbank minder zwaar als bijkomend element van afhankelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat eiseres een dochter, een zus, en twee broers in Nederland heeft. Ook heeft eiseres gesteld dat zij geen andere directe familie in Marokko heeft. Eiseres is op 31-jarige leeftijd naar Nederland gekomen en woont inmiddels langer in Nederland dan in Marokko. De rechtbank is anders dan de minister van oordeel dat gelet hierop de sociale banden met Marokko aanmerkelijk kleiner zijn dan met Nederland. Daarom vindt de rechtbank dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het lange verblijf van eiseres in Nederland, mede gelet op de banden die eiseres in Nederland wel heeft en in Marokko niet, inmiddels niet maakt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid voor verblijf bij de dochter.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter en de andere familieleden. Gelet hierop is dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is aangenomen tussen eiseres en haar dochter en andere familieleden.

Conclusie en gevolgen

15. Uit wat hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 6. en 14. tot en met 14.4. is het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Wat de minister moet doen om het gebrek te herstellen, staat genoemd onder 6. en 14.4. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

16. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 februari 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Catsburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?