ECLI:NL:RBDHA:2026:6585

ECLI:NL:RBDHA:2026:6585

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer NL25.53920
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Buiten behandeling stelling herhaalde asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag buiten behandeling mocht stellen omdat eiser niet is verschenen bij het nader gehoor en niet is gebleken dat het niet verschijnen niet toerekenbaar is aan eiser.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. H.M. Pot),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Inleiding

1. Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister de herhaalde aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld. Ook heeft de minister een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en M. Yildiz als tolk. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Het bestreden besluit

3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is niet verschenen op het gehoor van 14 oktober 2025. Omdat eiser geen reden heeft gegeven voor de afwezigheid bij het gehoor, heeft hij niet aangetoond dat het niet verschijnen hem niet is toe te rekenen. Ook heeft eiser op geen enkele wijze een reden voor zijn afwezigheid aan de IND of een andere instantie kenbaar gemaakt. Uit de zienswijze volgt ook niet dat eiser contact met zijn gemachtigde heeft gehad en enige reden heeft gegeven waarom hij niet is verschenen.

Het standpunt van eiser

4. Eiser stelt dat hij kampte met serieuze psychische problematiek, waarvan de minister ook op de hoogte was en had moeten zijn. Eiser verwijst naar het verslag van het gehoor van 6 januari 2025 en de correspondentie van 9 januari 2025, van 3 oktober 2025 en naar de zienswijze. Eiser stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij als het ware kopschuw is geworden. Op het moment van het voornemen was er ook geen aanwijzing dat eiser met onbekende bestemming vertrokken zou zijn. Eiser vindt dat de minister meer inspanningen had moeten verrichten en dat de minister zich niet enkel aan die ene uitnodiging had kunnen houden gelet op de omstandigheden. Eiser vindt dat sprake is van willekeur, onjuist handelen door de minister en een schending van het fair play beginsel. Eiser wil graag dat zijn asielaanvraag in behandeling wordt genomen en dat hij alsnog zijn asielmotieven naar voren kan brengen.

Het oordeel van de rechtbank

5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling stellen indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt de minister of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gebruik mogen maken van de bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen, omdat eiser niet is verschenen bij het nader gehoor en niet is gebleken dat het niet verschijnen niet toerekenbaar is aan eiser. De minister heeft van belang mogen vinden dat eiser zonder bericht niet is verschenen op het gehoor, en ook daarna heeft eiser niet laten weten waarom hij niet is verschenen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser vervolgens in zijn zienswijze ook geen toelichting heeft gegeven waarom hij niet is verschenen. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij in de ochtend waarop het gehoor zou plaatsvinden vroeg is vertrokken naar het station. Omdat eiser van het COa geen treinkaartje had gekregen, is eiser met contant geld op pad gegaan. Op het station bleek dat eiser met contant geld geen treinkaartje kon kopen. Eiser stelt dat hij toen aan het COa heeft laten weten dat hij niet naar het gehoor kon komen. Deze verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van het COa. De rechtbank is van oordeel dat uit deze toelichting van eiser volgt dat hij om praktische redenen zijn reis naar de gehoorlocatie heeft afgebroken. De rechtbank volgt eisers standpunt dat het niet verschijnen bij het gehoor hem is toe te rekenen, daarom niet. Het is ook niet is gebleken dat eiser vanwege zijn psychische problemen niet in staat was om naar het gehoor te reizen. Eiser heeft zijn gestelde psychische problemen ook niet onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de minister zich had moeten inspannen om eiser nogmaals uit te nodigen. Gelet op het voorgaande treffen de beroepsgronden van eiser geen doel.

7. De minister heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Catsburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?