[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Inleiding
1. Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin is bepaald dat eiser onmiddellijk dient te vertrekken. Aan eiser is verder een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De omstandigheid dat een vreemdeling in Nederland met onbekende bestemming vertrekt, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Uit vaste rechtspraak volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep, als uit recente informatie van zijn gemachtigde blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure, na de datum van de melding van het vertrek met onbekende bestemming.
3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en uit informatie van de korpschef regionaal politiekorps Oost-Brabant volgt dat eiser per oktober 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
4. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 20 januari 2026 laten weten geen contact te hebben met eiser. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat er procesbelang bestaat, omdat de minister de maximale dwangsom heeft verbeurd. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft op 15 april 2025 uitspraak gedaan op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser en het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de minister aan eiser een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee hij de termijn overschrijdt. Ook stelt eiser dat er procesbelang bestaat, omdat de minister onvoldoende gemotiveerd een terugkeerbesluit met inreisverbod heeft opgelegd. De minister is niet ingegaan op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Eritrea.
Procesbelang ten aanzien van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit met inreisverbod
5. De rechtbank is ten aanzien van de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit met inreisverbod van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat kan worden aangenomen dat eiser zijn verzoek om internationale bescherming impliciet heeft ingetrokken, omdat eiser met onbekende bestemming is verdwenen. Een impliciete intrekking van het asielverzoek betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat eiser geen internationale bescherming meer nodig heeft. De ambtshalve beoordeling of eiser bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel, omdat eiser zou behoren tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade kan de minister daarom niet maken. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, kan de minister niet onderzoeken of eiser bij terugkeer in een situatie terecht komt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank zal het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit met inreisverbod gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren.
6. De rechtbank overweegt ambtshalve, gezien de gedingstukken, dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in Eritrea een reëel risico zal lopen op schending van artikel 3 van het EVRM.
Procesbelang in het kader van de dwangsom
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser voor zover het beroep ziet op het verbeuren van de dwangsom wel procesbelang heeft. Hoewel eiser in oktober 2024 met onbekende bestemming is vertrokken, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, de minister met de uitspraak van 15 april 2025 opgedragen om een start te maken met de asielprocedure door het houden van het nader gehoor. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft de minister opgedragen om binnen 8 weken na het nader gehoor op de aanvraag te beslissen en in ieder geval binnen 16 weken na deze uitspraak. De minister heeft eiser niet nader kunnen horen omdat eiser zich niet bij de bevoegde autoriteiten heeft gemeld. De minister heeft vervolgens de asielaanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en hierover niet toerekenbaar binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. De minister mag er daarom vanuit gaan dat eiser zijn asielaanvraag impliciet heeft ingetrokken en dat hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijk besluit over zijn asielaanvraag. Eiser heeft zich ook aan de samenwerkingsverplichting met de minister onttrokken waardoor de minister niet op zijn asielaanvraag kan beslissen. De rechtbank is van oordeel dat de minister gelet op de uitspraak van 15 april 2025 geen dwangsom is verschuldigd voor het niet inhoudelijk beslissen op de aanvraag. De rechtbank zal het beroep voor zover dit ziet op het verbeuren van de dwangsom in het kader van het niet tijdig beslissen op de aanvraag ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit met inreisverbod is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover dat ziet op het verbeuren van de dwangsom is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit met inreisverbod niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover dat ziet op het verbeuren van de dwangsom is ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.